RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2021 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1004
(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).
Procesverloop
Bij besluiten van 6 augustus 2019 (de primaire besluiten) heeft verweerder de WIA-uitkering van eiseres over de periode 25 mei 2012 tot en met 30 juni 2019 definitief vastgesteld en aan haar medegedeeld dat zij het te veel als voorschot ontvangen bedrag moet terugbetalen.
Bij besluit van 23 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021 met behulp van Skype. Eiseres heeft deelgenomen aan de Skype-zitting, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 26 maart 2012 heeft verweerder aan eiseres per 25 mei 2012 een uitkering toegekend op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Op 21 februari 2017 heeft verweerder geconstateerd dat eiseres inkomsten heeft gehad uit haar werk als trouwambtenaar en die inkomsten niet bij verweerder bekend waren.
Bij besluiten van 6 augustus 2019 heeft verweerder de WIA-uitkering van eiseres definitief berekend over de periode 25 mei 2012 tot en met 30 juni 2019 en het bedrag aan teveel ontvangen uitkering vastgesteld. Uit het besluit van 13 augustus 2019 blijkt dat dit bedrag in totaal € 6.309,05 is.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat zij van een medewerker van verweerder had gehoord dat zijn geen wijzigingsformulieren hoefde in te dienen omdat verweerder door de Belastingdienst over haar inkomsten zou worden geïnformeerd.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Daar heeft verweerder aan ten grondslag gelegd dat er onvoldoende informatie is om uit te gaan van de door eiseres gestelde toezegging dat zij geen wijzigingsformulieren meer behoefde in te vullen. Verweerder ziet geen aanleiding om eiseres het voordeel van de twijfel te geven. Dat betekent dat eiseres het – inmiddels opgehoogde – bedrag van
€ 6.324,09 aan verweerder moet terugbetalen.
3. Eiseres is het daar niet mee eens en voert in beroep – samengevat weergegeven – aan dat de vordering verjaard is. Op zitting heeft zij toegelicht dat dit geldt voor de periode 25 mei 2012 tot en met 30 september 2013 (het primaire besluit met het onderwerp “definitieve berekening van uw uitkering 1”).
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
De ontvankelijkheid van het bezwaar
5. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiseres haar bezwaarschrift tijdig heeft ingediend. Uit het dossier blijkt dat eiseres vóór 18 september 2019 haar bezwaarschrift had moeten indienen. Verweerder heeft het bezwaarschrift echter pas op 19 september 2019 ontvangen. Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 5 juni 2020 te kennen gegeven dat hij geen enveloppen bewaart en niet kan achterhalen wanneer het bezwaarschrift ter post is bezorgd. Aangezien het bezwaar binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen, gaat de rechtbank er met verweerder van uit dat eiseres het bezwaarschrift tijdig ter post heeft bezorgd. Verweerder heeft het bezwaarschrift dan ook terecht ontvankelijk geacht.
Het beroep op verjaring
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat voor de verjaringstermijn van een terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering wordt aangesloten bij de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijnen voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Artikel 3:309 van het BW bepaalt dat de vordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaar nadat de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de schuldenaar bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot intrekking of terugvordering van de uitkering aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.
De bekendheid, vereist voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn, dient subjectief te worden opgevat als een daadwerkelijke bekendheid. Het redelijkerwijs kenbaar zijn is dus niet voldoende. Door degene die zich op verjaring beroept moet worden gesteld, en zo nodig bewezen, dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger (vergelijk de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, onder meer het arrest van 28 november 2003 ECLI:HR:2003:AK3696).
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij de gegevens van de Belastingdienst over de inkomsten van eiseres kan raadplegen via Suwinet. Het is niet zo dat verweerder maandelijks een ‘update’ krijgt van de Belastingdienst met daarin de inkomsten van eiseres. Dat de gegevens toegankelijk waren voor verweerder, betekent daarom nog niet dat verweerder ook daadwerkelijk met deze gegevens bekend was. De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 november 2017 af dat wel sprake is van daadwerkelijke bekendheid wanneer verweerder Suwinet heeft geraadpleegd. Dat is in deze zaak echter niet het geval. Dat verweerder door Suwinet te raadplegen al eerder bekend had kunnen zijn met de gegevens, betekent niet dat verweerder ook daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering. De rechtbank gaat dan ook uit van een daadwerkelijke bekendheid op de datum van de (eerste) interne melding aan de Divisie Handhaving op
21 februari 2017. Nu verweerder binnen vijf jaar na die datum heeft teruggevorderd, slaagt het beroep op verjaring niet.
Voor zover eiseres heeft opgemerkt dat haar werkzaamheden als trouwambtenaar bekend waren bij verweerder, aangezien bij de toekenning van de WIA-uitkering door een medewerker met de naam [medewerker van verweerder] is meegedeeld dat zij haar inkomsten niet door hoefde te geven, overweegt de rechtbank het volgende. In tegenstelling tot wat verweerder in bezwaar heeft overwogen, is in beroep gebleken dat er inderdaad iemand bij verweerder werkt met de naam [medewerker van verweerder]. In het kader van de verjaring is echter slechts van belang wanneer verweerder op de hoogte was van de (hoogte van) de inkomsten van eiseres. Op dat moment wordt het namelijk pas voor verweerder voldoende duidelijk dat en hoeveel hij kan terugvorderen. Dat eiseres destijds heeft verteld dat zij werkte als trouwambtenaar maakt niet dat verweerder daarmee ook automatisch op de hoogte was van de inkomsten van eiseres en van een eventueel recht op terugvordering.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.