RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2021 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4260
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. S.G. Blasweiler),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ) en [eiser 2] (hierna: [eiser 2] ) tegen het besluit op bezwaar van 15 september 2021.
Overwegingen
1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht(Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De rechtbank overweegt allereerst dat het beroep is ingediend namens [eiser 2] en [eiser 1] , maar dat het besluit op bezwaar van 15 september 2021 alleen gericht is aan [eiser 2] . [eiser 1] kan daarom niet in beroep tegen het besluit op bezwaar. Zijn beroep is dus kennelijk niet-ontvankelijk.
3. Over het beroep van [eiser 2] overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft in het besluit van 15 september 2021 zijn bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen bezwaargronden heeft ingediend. Daarmee voldoet het bezwaar niet aan de wettelijke vereisten.
4. Een bezwaarschrift moet voldoen aan de eisen genoemd in artikel 6:5 van de Awb. In dat artikel staat, voor zover hier relevant, dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten. Het bezwaarschift kan niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5. [eiser 2] heeft op 15 juni 2021 een zogenoemd pro-forma bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift bevat geen gronden van bezwaar. Bij e-mail van 23 juli 2021 heeft verweerder [eiser 2] hierop gewezen en hem in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken alsnog de gronden van het bezwaar in te dienen, uiterlijk op 3 september 2021. Op 29 september 2021 zijn de gronden van het bezwaar per e-mail ontvangen. Dat is dus te laat.
6. [eiser 2] heeft in beroep aangevoerd dat hij de e-mail van 23 juli 2021 nooit heeft ontvangen. Daarnaast was hij nog in afwachting van stukken die hij op 5 juli 2021 bij verweerder heeft opgevraagd, waarvan hij een deel niet had ontvangen. Deze stukken waren nodig om de gronden van bezwaar te formuleren. Veder stelt [eiser 2] zich op het standpunt dat door hem geen toestemming is gegeven om de bezwaarschriftenprocedure per e-mail te laten verlopen.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het administratief systeem van de Gemeente Utrecht blijkt dat de e-mail van 23 juli 2021 daadwerkelijk is verzonden naar het e-mailadres van de gemachtigde van [eiser 2] . Dit mocht ook via e-mail verstuurd worden, omdat eiser het pro-forma bezwaarschrift niet alleen per post, maar ook per e-mail aan verweerder heeft gestuurd en hij het verzoek om aanvullende stukken alleen per e-mail heeft gestuurd.
8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. Er moet vanuit worden gegaan dat de e-mail op 23 juli 2021 door [eiser 2] is ontvangen, nu uit de verzendadministratie van verweerder voldoende duidelijk blijkt dat de e-mail die dag aan het e-mailadres van de gemachtigde is gestuurd. De enkele stelling van [eiser 2] dat hij de e-mail niet ontvangen heeft is onvoldoende, hij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Ook mocht verweerder er vanuit gaan dat (de gemachtigde van) [eiser 2] per e-mail bereikbaar was, omdat hij het pro-forma bezwaarschrift ook per e-mail heeft verstuurd en via deze weg om aanvullende stukken heeft gevraagd. Verzending van een brief per gewone post kon daarom op grond van artikel 2:13, eerste lid, van de Awb achterwege blijven. Dat [eiser 2] niet in staat was bezwaar te maken zonder de opgevraagde stukken heeft hij op geen enkele manier onderbouwd.
9. Verweerder heeft dus het bezwaar van [eiser 2] niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.
10. Eisers krijgen allebei geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover dat is ingediend door [eiser 1] niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover dat is ingediend door [eiser 2] ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van E. Mulder, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.