RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2021 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3216-V
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend op 4 september 2020. In de uitspraak van 22 februari 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 februari 2021 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant geen kopie van het besluit heeft overlegd en dat de door opposant naar voren gebrachte omstandigheden, de medische situatie van opposant, niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een geldige reden waarom opposant geen kopie van het besluit waar hij het niet mee eens is heeft ingediend.. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 22 februari 2021 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 22 februari 2021 niet juist omdat hij vanwege aanhoudende stress zijn volledigheid in geschift en aangifte onvolledig was. Opposant stel dat zijn zaak nogal omslachtig is omdat zijn gezondheid niet alleen lichamelijk maar ook mentaal van sterke invloed is op de wijze waarop hij gewend is om te reageren.
4. Iemand die in beroep gaat dient een omschrijving te geven van het besluit waartegen het beroep is gericht en zo mogelijk een kopie van dit besluit in te dienen. Dit staat in artikel 6:5 van de Awb. De rechtbank stelt vast dat opposant in zijn beroepsschrift van 4 september 2020 de datum 18 augustus 2020 en kenmerk [nummer 1] [nummer 2] van de beslissing heeft vermeld. Hiermee heeft opposant voldaan aan artikel 6:5 van de Awb en heeft de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 22 februari 2021.
5. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 22 februari 2021 vervalt
(artikel 8:55, lid 9, Awb).
6. Het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Opposant krijgt hierover nog bericht.
7. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposant. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: