RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/495919 / FA RK 20-637 (echtscheiding)
C/16/503198 / FA RK 20-3323 (verdeling)
Beschikking van 31 augustus 2021
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende in [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K. van der Meij,
tegen
[de man] ,
wonende in [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J. van Elk.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen op 20 januari 2020;
het gewijzigde verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen op 25 februari 2020;
het verweerschrift van de man, binnengekomen op 26 februari 2020;
het aanvullende verweerschrift van de man met zelfstandige verzoeken en bijlagen 1 tot en met 17, binnengekomen op 2 juni 2020;
het aanvullende verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 35, binnengekomen op 17 juli 2020;
de brief van de vrouw van 14 augustus 2020 met aanvullend verzoek en bijlagen;
het aanvullende verweerschrift van de man met zelfstandige verzoeken en bijlagen 18 tot en met 27, binnengekomen op 12 oktober 2020;
het F-formulier van de vrouw van 16 maart 2021 met daarbij het formulier verdelen en verrekenen en bijlagen 36 tot en met 41;
de brief van de man van 17 juni 2021 met bijlagen 28 tot en met 41;
de brief van de vrouw van 25 juni 2021 met bijlage 42.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 30 juni 2021. Hierbij waren beide partijen met hun advocaten aanwezig.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd op [2009] in [plaats 2] .
De man heeft de Belgische nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2020 voorlopige voorzieningen getroffen en bepaald dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke huurwoning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 1] , met het bevel dat de vrouw de woning moet verlaten en verder niet mag betreden.
Bij beschikking van 27 augustus 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om wijziging van de voorlopige voorzieningen afgewezen.
3. Verzoeken en verweer
De vrouw verzoekt de rechtbank:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. het huurrecht van de echtelijke huurwoning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 1] aan de vrouw toe te wijzen.
De man voert verweer. Hij verzoekt de rechtbank:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. het huurrecht van de echtelijke huurwoning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 1] aan de man toe te wijzen.
Verder hebben partijen beiden verzocht om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal hier nader op ingaan bij de beoordeling van de verdeling.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen en het Nederlands recht is van toepassing op deze verzoeken.
Echtscheiding
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Huurrecht echtelijke huurwoning
De rechtbank bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurster zal zijn van de woning in [plaats 1] . Partijen hebben allebei om het huurrecht van de woning verzocht. De rechtbank vindt dat het belang van de vrouw bij het huurrecht van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
Beide partijen stellen dat zij een groot belang hebben bij het huurrecht van de woning. Zij hebben hun persoonlijke redenen om in de woning te willen blijven en stellen beiden dat zij geen andere woning kunnen betrekken. Op dit moment heeft de vrouw een studio in [plaats 3] , maar zij stelt dat zij hier maar tot 17 september 2021 kan blijven. De man stelt dat hij geen netwerk heeft waar hij op terug kan vallen en dat hij ook bij zijn familie in België niet terecht kan. Beide partijen hebben dit echter niet aangetoond. Zij hebben naar het oordeel van de rechtbank ook geen van beiden een zwaarwegende reden gegeven waarom het huurrecht aan één van hen moet worden toegekend. De rechtbank concludeert dat partijen in die zin een nagenoeg gelijk belang hebben bij het huurrecht van de woning. Dit maakt een belangenafweging in deze zaak zeer ingewikkeld. De rechtbank kent in dit geval doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de vrouw meer binding heeft met de woning. Zij woonde al in de woning met haar vorige echtgenoot en het is ook het ouderlijk huis van haar kinderen. Verder heeft de vrouw ook haar sociale netwerk in de omgeving van de woning en de man heeft dat niet. Bovendien kan de man in principe overal werken als verkeersregelaar. De rechtbank overweegt dat de voorlopige voorziening een tijdelijke spoedmaatregel was voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Van de man kan nu worden verwacht dat hij op zoek gaat naar vervangende woonruimte.
Verdeling gemeenschap van goederen
Vaststelling huwelijksgoederengemeenschap
Niet is gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd vóór 1 januari 2018. De rechtbank stelt dan ook vast dat tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen bestaat (naar oud recht). Tussen partijen is in geschil de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.
Peildatum voor de omvang en samenstelling
De rechtbank stelt voorop dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 20 januari 2020.
Peildatum voor de waardering
Bij de bepaling van de waarde van de goederen geldt in beginsel als peildatum het tijdstip van de verdeling, maar uit hetgeen partijen zijn overeengekomen en uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan dient te worden afgeweken.
Verzoeken
Ter zitting hebben (de advocaten van) partijen hun verzoeken gewijzigd in die zin dat het uitgangspunt is datgene wat in de formulieren ‘verdelen en verrekenen’ van beide partijen staat genoemd. Het meer of anders verzochte beschouwt de rechtbank dan ook als ingetrokken. Beide partijen verzoeken de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. Zij hebben hierover stellingen ingenomen. De rechtbank zal die stellingen hieronder per onderwerp bespreken.
Omvang van de huwelijksgoederengemeenschap
Partijen hebben in de stukken en ter zitting de volgende vermogensbestanddelen aan de orde gesteld:
a. de inboedel, waaronder:
de kluis van het merk Deraat;
de kluis van het merk Regent;
[.] ;
het horloge van het merk Frédérique Constant;
de auto van het merk Opel type Corsa met kenteken [kenteken] ;
de volgende bankrekeningen:
[rekeningnummer 1] ;
[rekeningnummer 2] ;
[rekeningnummer 3] ;
[rekeningnummer 4] ;
[rekeningnummer 5] ;
[rekeningnummer 6] ;
[rekeningnummer 7] ;
[rekeningnummer 8] ;
[rekeningnummer 9] ;
de volgende verzekeringen:
Nationale Nederlanden met nummer [nummeraanduiding 1] ;
Nationale Nederlanden met nummer [nummeraanduiding 2] ;
Fidea met nummer [nummeraanduiding 3] ;
de erfenis van de man;
de vordering op [A] ;
de vordering op [B] ;
de vordering op [C] .
Ten aanzien van de inboedel
De rechtbank stelt vast dat beide partijen inboedellijsten hebben overgelegd die niet op elkaar aansluiten. Partijen verschillen van mening over welke goederen waar zijn, wie welke goederen heeft meegenomen en of de goederen er nog zijn. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat de goederen worden toegedeeld aan degene bij wie de inboedelgoederen zich feitelijk bevinden, zonder nadere verrekening. Dit geldt ook voor de kluis van het merk Deraat, de kluis van het merk Regent, [.] en het horloge van het merk Frédérique Constant.
Het verzoek van de vrouw om een verrekenvordering vast te stellen wijst de rechtbank af. Uit productie 27 en 28 van de vrouw blijkt namelijk dat zij het merendeel van de inboedel uit de echtelijke woning heeft meegenomen. Uit productie 26 van de man blijkt dat de man ook een gedeelte van de inboedel onder zich heeft. Beide partijen hebben dus een gedeelte van de inboedel onder zich. Doorgaans heeft een inboedel niet veel waarde. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een verrekenvordering.
Ten aanzien van de auto
De vrouw had op de peildatum (en heeft nog steeds) een auto van het merk Opel type Corsa (kenteken [kenteken] ) onder zich. Partijen zijn het erover eens dat de auto wordt toegedeeld aan de vrouw onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man. In geschil is de waarde van de auto. De vrouw gaat uit van een waarde van
€ 4.792,- en de man van € 8.945,-. De rechtbank zal de man volgen in zijn standpunt. Gelet op wat uit de koerslijst komt op internet voor deze auto, vindt de rechtbank de door de man gestelde waarde van € 8.945,- zeker niet te hoog. Bij de bepaling van de waarde van de goederen geldt in beginsel als peildatum het tijdstip van de verdeling. Partijen zijn het er altijd over eens geweest dat de auto aan de vrouw zou worden toegedeeld. Dit is feitelijk ook zo uitgevoerd vanaf het uiteengaan van partijen in januari 2020. De rechtbank sluit daarom voor de waardebepaling aan bij de peildatum (20 januari 2020). De rechtbank merkt daarbij op dat als de vrouw de auto niet wil of kan overnemen voor de hiervoor genoemde waarde, zij de auto ook kan verkopen.
Ten aanzien van de bankrekeningen
Voor de tot de huwelijksgemeenschap behorende bankrekeningen geldt het volgende. Een bankrekening met een positief (credit-)saldo betreft een vordering jegens de bank. Voor wat betreft de verdeling dient deze vordering daarin te worden betrokken voor de waarde daarvan op het moment van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Bepalend is dus het saldo van de bankrekening op het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding, dus op 20 januari 2020.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende rekeningen worden toegedeeld aan de vrouw onder verdeling van het saldo op de peildatum bij helfte:
[rekeningnummer 1] met een saldo van € 8,11 op de peildatum;
[rekeningnummer 2] met een saldo van € 7.075,95 op de peildatum;
[rekeningnummer 3] met een saldo van € 73,- op de peildatum;
[rekeningnummer 4] met een saldo van € 0,- op de peildatum;
[rekeningnummer 5] met een saldo van € 7.036,- op de peildatum.
Verder zijn partijen het erover eens dat de volgende rekeningen worden toegedeeld aan de man onder verdeling van het saldo op de peildatum bij helfte:
[rekeningnummer 6] met een saldo van € 2.852,86 op de peildatum;
[rekeningnummer 7] met een saldo van € 4.150,49 op de peildatum;
[rekeningnummer 8] met een onbekend saldo op de peildatum;
[rekeningnummer 9] met een saldo van € 889,97 op de peildatum.
De rechtbank zal dit zo beslissen.
Ten aanzien van de verzekeringen bij Nationale Nederlanden
Partijen zijn het eens dat de verzekeringen bij Nationale Nederlanden worden toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding van de helft van de waarde op de peildatum aan de man. De rechtbank zal dit zo beslissen.
Ten aanzien van de Fidea spaarpolis
Tussen partijen staat vast dat de man na de peildatum een bedrag van € 11.930,54 uitgekeerd heeft gekregen uit hoofde van de Fidea spaarpolis en dat hij de helft van dit bedrag moet vergoeden aan de vrouw, te weten € 5.965,27. De rechtbank zal dit zo beslissen.
Ten aanzien van de erfenis van de man
De rechtbank merkt op dat een erfenis die (één van) partijen tijdens het huwelijk heeft ontvangen in de huwelijksgoederengemeenschap valt, tenzij de erflater een uitsluitingsclausule in zijn of haar testament heeft opgenomen. Vast staat dat de moeder van de man in 2020 is overleden. De man heeft niet gesteld dat er sprake was van een uitsluitingsclausule. Ook heeft de man niet gesteld dat hij de nalatenschap heeft verworpen. Dit betekent dat het bedrag dat de man eventueel (na de peildatum) uit de erfenis van zijn moeder heeft ontvangen dan wel waar hij recht op heeft, in de huwelijksgoederengemeenschap valt en dus bij helfte verdeeld moet worden.
Volgens de man zijn de liquide middelen van de erflaatster verdeeld onder de zeven erfgenamen. De man heeft zijn deel reeds voor de peildatum ontvangen, zodat dit in de
Te verdelen banksaldi tot uitdrukking is gekomen en de rechtbank hierover geen separate beslissing hoeft te nemen. Het onroerend goed en de daarbij behorende grond in België moeten daarentegen nog wel worden verdeeld onder de erfgenamen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de man de helft van de netto-opbrengst hiervan aan de vrouw moet vergoeden. Partijen zijn het hierover eens.
Ten aanzien van de vordering op [A]
De rechtbank zal de vordering op [A] van € 30.684,91 toedelen aan de vrouw en bepalen dat de vrouw de helft daarvan, te weten € 15.342,45, aan de man moet vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit waarom.
Tussen partijen staat vast dat er bedragen zijn overgemaakt naar [A] (de zoon van de vrouw) en dat dit een lening betrof. De vrouw stelt dat de lening is kwijtgescholden tijdens het huwelijk en dat de man hiermee heeft ingestemd. De man betwist dit. Hij stelt dat de vrouw het geld heeft weggesluisd naar haar zoon. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar een verklaring (productie 15 van de vrouw) die ook is ondertekend door de man, maar het is niet duidelijk op welke schenking deze verklaring ziet. De rechtbank neemt daarom aan dat de vordering tussen partijen in stand is gebleven en deelt de vordering toe aan de vrouw, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man.
Ten aanzien van de vordering op [B]
De rechtbank zal de vordering op [B] van € 21.391,71 toedelen aan de man en bepalen dat de man de helft daarvan, te weten € 10.695,85, aan de vrouw moet vergoeden. Partijen zijn het hierover eens.
Ten aanzien van de vordering op [C]
De rechtbank zal de vordering op [C] toedelen aan de man zonder nadere verrekening en hierna uitleggen waarom.
Partijen hebben € 40.000,- geleend aan [C] (de broer van de vrouw) om zijn dochter te kunnen laten studeren in Amerika. Dit is vastgelegd in een notariële akte. Uit de stukken van de deurwaarder (productie 37 van de vrouw) kan worden afgeleid dat de vordering in delen is afgelost. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vordering (deels) is afgelost en voor het overige oninbaar is omdat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat haar broer failliet is verklaard. De rechtbank zal de vordering, voor zover daar nog een deel van openstaat, dan ook toedelen aan de man zonder nadere verrekening. Indien en voor zover de man erin slaagt het nog openstaande deel van de vordering te innen, dan mag hij dat houden.
Over en weer niets meer te vorderen
De rechtbank zal vaststellen dat partijen na uitvoering van het bovenstaande ten aanzien van de huwelijksgoederengemeenschap over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.
Opheffing conservatoire beslagen
De man heeft verzocht alle door de vrouw opgelegde conservatoire beslagen op te heffen. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, behalve ten aanzien van de beslagen op het onroerend goed in België. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Op grond van artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) kan de rechtbank een conservatoir beslag opheffen als het beslag niet nodig is.
De rechtbank heeft zoals hiervoor besproken alles tussen partijen verdeeld. De door de vrouw opgelegde beslagen zijn dus niet langer nodig. Dit geldt niet voor de beslagen op het onroerend goed in België. Daar moet het beslag op blijven liggen ter waarborging dat de vrouw de helft van het erfdeel van de man krijgt.
Proceskosten
De rechtbank zal bepalen dat partijen hun eigen proceskosten moeten betalen. Dit is namelijk gebruikelijk in procedures waarin partijen elkaars ex-partners zijn.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding en het huurrecht van de echtelijke woning. Ten aanzien van het huurrecht is namelijk een voorlopige voorziening getroffen en de echtscheiding kan op grond van de wet niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [2009] in [plaats 2] ;
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster is van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 1] ;
stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen als volgt vast:
bepaalt dat de inboedelgoederen worden toegedeeld aan degene bij wie de inboedelgoederen zich feitelijk bevinden, zonder nadere verrekening;
deelt toe aan de vrouw de auto van het merk Opel type Corsa met kenteken [kenteken] , tegen betaling van de helft van de waarde van de auto aan de man, te weten (8.945/2)
€ 4.472,50;
de rechtbank beslist met betrekking tot de banksaldi op de bankrekeningen van partijen als volgt:
[rekeningnummer 1] wordt toegedeeld aan de vrouw onder verdeling van het saldo van € 8,11 op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 2] wordt toegedeeld aan de vrouw onder verdeling van het saldo van € 7.075,95 op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 3] wordt toegedeeld aan de vrouw onder verdeling van het saldo van € 73,- op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 4] wordt toegedeeld aan de vrouw onder verdeling van het saldo van € 0,- op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 5] wordt toegedeeld aan de vrouw onder verdeling van het saldo van € 7.036,- op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 6] wordt toegedeeld aan de man onder verdeling van het saldo van € 2.852,86 op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 7] wordt toegedeeld aan de man onder verdeling van het saldo van € 4.150,49 op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 8] wordt toegedeeld aan de man onder verdeling van het saldo op de peildatum bij helfte;
[rekeningnummer 9] wordt toegedeeld aan de man onder verdeling van het saldo van € 889,97 op de peildatum bij helfte;
deelt toe aan de vrouw de verzekeringen bij Nationale Nederlanden met nummers
[nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] , onder vergoeding van de helft van de waarde op de peildatum aan de man;
bepaalt dat de man een bedrag van € 5.965,27 aan de vrouw moet betalen ter zake van de Fidea spaarpolis;
bepaalt dat de man de helft van de netto-opbrengst van zijn erfdeel in de nalatenschap van zijn moeder (ten aanzien van het onroerend goed en de daarbij behorende grond in België) aan de vrouw moet betalen;
deelt de vordering van partijen op [A] toe aan de vrouw tegen een bedrag van € 30.684,91 onder de verplichting van de vrouw om de helft daarvan te vergoeden aan de man, te weten € 15.342,45;
deelt de vordering van partijen op [B] toe aan de man tegen een bedrag van € 21.391,71 onder de verplichting van de man om de helft daarvan te vergoeden aan de vrouw, te weten € 10.695,85;
deelt de vordering van partijen op [C] toe aan de man zonder nadere verrekening;
stelt vast dat partijen na uitvoering van het bovenstaande ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben;
heft alle door de vrouw gelegde conservatoire beslagen op, behalve ten aanzien van de beslagen op het onroerend goed in België;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht van de echtelijke woning;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.