ECLI:NL:RBMNE:2021:6982

ECLI:NL:RBMNE:2021:6982

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 28-04-2021
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer C/16/500855
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Echtscheiding met verdeling

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/500855 / FA RK 20-2535 (echtscheiding)

C/16/507969 / FA RK 20-4933 (verdeling)

Beschikking van 28 april 2021

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P.L.J. Woesthoff,

tegen

[de man] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.T. Maanicus.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 9, binnengekomen op 10 april 2020;

de brief van de vrouw van 7 mei 2020 met bijlagen 10 tot en met 13;

het verweerschrift van de man met zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 25 augustus 2020;

het F-formulier van de vrouw van 21 september 2020;

het verweerschrift van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man met bijlagen 8 en 9, binnengekomen op 13 oktober 2020;

de brief van de vrouw van 5 november 2020 met bijlage 10;

de brief van de vrouw van 18 maart 2021 met bijlagen 10 tot en met 14;

de brief van de man van 19 maart 2021 met bijlagen 1 tot en met 3;

de brief van de man van 24 maart 2021 met bijlagen 4 tot en met 9;

de brief van de vrouw van 29 maart 2021 met bijlage 15.

De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. De rechtbank heeft op 29 maart 2021 van hen beiden een brief ontvangen.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 31 maart 2021. Hierbij waren aanwezig:

beide partijen met hun advocaten;

de heer [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [trouwdatum] 2008 in [plaats 1] , Spanje.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] , Spanje;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 2] , Spanje;

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2011 in [geboorteplaats 2] , Spanje;

[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2014 in [geboorteplaats 2] , Spanje.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

Bij beschikking van 26 augustus 2020 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen en:

de minderjarige kinderen aan de vrouw toevertrouwd;

bepaald dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, met bevel dat de man de woning moet verlaten en niet meer mag betreden;

als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen om de week van vrijdag tot dinsdag naar school bij de man verblijven;

bepaald dat de man een bedrag van € 153,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen;

bepaald dat de man een bedrag van € 148,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen.

Bij vonnis in kort geding van 4 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Lelystad de man veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis kopieën van de boekhouding over 2019 en kopieën van de bankafschriften van 2019 verbonden aan de onderneming [bedrijf] aan de vrouw te overleggen.

Bij beschikking van 10 december 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI) tot 10 december 2021.

3. Verzoeken en verweer

De vrouw heeft in haar inleidend verzoekschrift verzocht:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;

III. te bepalen dat aan de vrouw het voortgezet uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] toekomt, gedurende zes maanden na de echtscheiding;

IV. te bepalen dat de man een bedrag van € 153,30 per kind per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

V. te bepalen dat de man een bedrag van € 148,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

VI. “partijen te veroordelen om tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan en te bepalen dat deze uiterlijk binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, moet zijn gerealiseerd. Hiertoe zullen zij meewerken aan de levering van de goederen die aan de één zijn toegedeeld, doch die zich nog onder de andere bevinden. De partij die hiermee in gebreke is, is zonder nadere ingebrekestelling is vereist, een direct opeisbare boete verschuldigd van € 100,- per dag dat hij in gebreke blijft, onverminderd het recht van de andere partij de werkelijk geleden schade te vorderen.”

De man heeft in zijn verweerschrift zelfstandige verzoeken gedaan, onder meer over de draagplicht van de schulden, de verkoop van de woning en voorts verzocht om de verdeling vast te stellen volgens een nader in te dienen voorstel. Dit nadere voorstel is echter niet ingediend. Verder is de echtelijke woning inmiddels verkocht. De man heeft zijn petitum opnieuw geformuleerd in de brief van 19 maart 2021, waarbij de verzoeken over de (verkoop van de) woning zijn komen te vervallen en het verzoek om de verdeling vast te stellen niet langer wordt gehandhaafd.

Het gewijzigde petitum van de man houdt in dat hij verzoekt om:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. te bepalen, althans voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de schulden aan de hypotheekverstrekker, Havenstad Gerechtsdeurwaarders en de Belastingdienst;

III. te bepalen dat na verkoop en levering van de echtelijke woning uit de netto verkoopopbrengst (na betaling van de makelaars- en overige verkoopkosten) de volledige schulden aan de hypotheekverstrekker (uitstaande hoofdsom en achterstallige termijnen), Havenstad Gerechtsdeurwaarders en de Belastingdienst worden afgelost;

IV. te bepalen dat de vrouw haar volledige medewerking dient te verlenen aan het aflossen van de onder II. genoemde schulden uit de verkoopopbrengst en dat het aflossen van die schulden direct na levering van de woning aan de kopers plaatsvindt alsmede daarbij te bepalen dat de notaris meewerkt aan betaling direct na transport en levering van de woning aan de kopers, waartoe partijen hem gezamenlijk opdracht zullen verstrekken;

V. te bepalen, althans voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de belastingaanslagen over 2019 en daarbij de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van deze aanslagen aan de man;

VI. te bepalen, althans voor recht te verklaren dat indien en voor zover er na aflossing van de schulden uit de verkoopopbrengst van de woning nog een bedrag resteert dan wel een schuld overblijft, partijen dit bedrag bij helfte dienen te verdelen dan wel te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze restschuld en dat zij gehouden zijn ieder de helft van de restschuld voor hun rekening te nemen en deze te voldoen.

4. De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

De rechtbank vindt dat zij kan beslissen op de verzoeken van partijen. Het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing, tenzij hierna uitdrukkelijk anders is vermeld.

Echtscheiding

Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. In de wet staat dat je mag scheiden als het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dit betekent dat het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. Partijen stellen dat dit zo is.

In de wet staat verder dat partijen een ouderschapsplan moeten opstellen als zij willen scheiden. De rechtbank stelt vast dat partijen geen door hen beiden ondertekend ouderschapsplan hebben overgelegd. Partijen stellen dat van hen niet gevergd kan worden om een ouderschapsplan op te stellen omdat de communicatie tussen hen ernstig is verstoord. De kinderen zijn onlangs onder toezicht gesteld door de kinderrechter omdat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Op grond van deze informatie komt de rechtbank tot de conclusie dat een ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. Partijen zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan.

Hoofdverblijfplaats kinderen

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van de kinderen vaststellen bij de vrouw omdat partijen het hierover eens zijn en niet is gebleken dat dit verzoek in strijd is met de belangen van de kinderen.

Zorgregeling

De rechtbank stelt vast dat partijen ten aanzien van de zorgregeling geen formeel verzoek hebben ingediend. Zij hebben wel beiden mondeling ter zitting een verzoek gedaan ten aanzien van de zorgregeling. De rechtbank overweegt dat de verzoeken van partijen in beginsel schriftelijk ingediend hadden moeten worden. Omdat partijen echter beiden een mondeling verzoek hebben gedaan en geen van partijen zich hiertegen heeft verzet, zal de rechtbank de verzoeken toch in behandeling nemen en hierop beslissen. De rechtbank vindt het namelijk in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt op dit punt.

Partijen zijn het erover eens dat vanaf het moment dat de man in [plaats 3] woont, de kinderen om het weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de man zullen verblijven, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. De rechtbank zal deze afspraak vastleggen in de beslissing omdat niet is gebleken dat deze afspraak in strijd is met de belangen van de kinderen.

De man zou daarnaast graag willen dat de kinderen iedere woensdagmiddag uit school bij hem verblijven. De vrouw is het hier niet mee eens. Partijen hebben afgesproken op de zitting dat zij samen met de GI hierover in overleg zullen gaan. De rechtbank zal dan ook beslissen dat partijen met de GI in gesprek zullen gaan over een eventuele verdere uitbreiding van de zorgregeling op de woensdag.

Kinderalimentatie

De man heeft ter zitting verklaard dat hij het eens is met dit verzoek van de vrouw. De rechtbank zal dan ook beslissen dat de man een bedrag van € 153,30,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Partneralimentatie

De man is ter zitting ook akkoord gegaan met het verzoek van de vrouw om een bedrag van € 148,- bruto per maand aan partneralimentatie op te leggen. De rechtbank zal dan ook beslissen dat de man € 148,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Voor zover uit de producties van de vrouw en de door de vrouw zelf geschreven stukken zou moeten worden afgeleid dat er een hoger bedrag aan partneralimentatie moet worden toegekend, merkt de rechtbank op dat de vrouw haar verzoek niet heeft gewijzigd en dat de rechtbank gebonden is aan de verzoeken van partijen. Een eventuele mondelinge verhoging van de gevraagde bijdrage ter zitting is in strijd met de goede procesorde, omdat de wederpartij zich daar niet of onvoldoende op heeft kunnen voorbereiden.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

De rechtbank zal het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toewijzen aan de vrouw tot de datum van de levering van de woning, te weten 2 augustus 2021. Partijen zijn het daarover eens.

Verdeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Partijen hadden ten tijde van de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de Nederlandse nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.

Partijen hebben na de huwelijksvoltrekking hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, te weten Spanje. Zowel Spanje als Nederland zijn echter zogenoemd nationaliteitslanden in de zin van artikel 5 van het Verdrag. Op grond daarvan werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.

Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap

Gesteld noch gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd vóór 1 januari 2018. De rechtbank stelt dan ook vast dat tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen bestaat (naar oud recht). Tussen partijen is in geschil de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

Peildatum voor de omvang en samenstelling

De rechtbank stelt voorop dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 10 april 2020. De vrouw heeft gesteld dat uitgegaan moet worden van een andere peildatum, namelijk de datum van feitelijk uiteengaan van partijen op 1 december 2019. Van dit wettelijke uitgangspunt kan niet worden afgeweken, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank gaat daarom uit van 10 april 2020 als peildatum voor de omvang van de gemeenschap.

Peildatum voor de waardering

Als peildatum voor de waardering geldt als hoofdregel de datum van feitelijke verdeling, in de regel de datum van de beschikking, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken. Van dat laatste is niet gebleken. De peildatum voor de waardering speelt overigens geen rol in het geschil tussen partijen.

De rechtbank overweegt verder dat zij gebonden is aan de verzoeken van partijen. Omdat de man zijn verzoek tot vaststelling van de verdeling niet langer handhaaft ligt het niet op de weg van de rechtbank de verdeling vast te stellen. Het verzoek van de vrouw komt in de essentie er op neer dat zij vraagt om partijen te veroordelen tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan en die uit te voeren. Dit is geen verzoek om de wijze van verdeling door de rechter te laten vaststellen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling afwijzen wegens gebrek aan belang. Uit niets blijkt immers dat de man zijn medewerking niet wil verlenen aan de boedelscheiding. Integendeel, over het grootste punt dat partijen verdeeld houdt, de draagplicht voor de schulden, heeft hij het oordeel van de rechtbank gevraagd. Voor de in 4.17 onder a tot en met c genoemde boedelbestanddelen verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover in 4.18 tot en met 4.22 heeft overwogen.

Bestanddelen

Partijen hebben (in de stukken en ter zitting) de volgende vermogensbestanddelen aan de orde gesteld:

de inboedel;

de raceauto’s;

de borg van de huurwoning van de man;

e schuld aan de Belastingdienst van circa € 45.000,- op de peildatum;

de schuld aan Havenstad Gerechtsdeurwaarders van circa € 21.154,- op de peildatum;

de schuld aan de hypotheekverstrekker (thans uitbesteed aan Hypocasso) die op 24 maart 2021 circa € 341.229,- bedroeg, te vermeerderen met de sindsdien niet betaalde hypotheektermijnen;

de belastingaanslagen over 2019.

Ten aanzien van de inboedel

De man heeft ter zitting verklaard dat de inboedel in onderling overleg al is verdeeld. De vrouw heeft dit niet betwist. De rechtbank is niet gebleken dat één van partijen zodanig waardevolle zaken onder zich heeft dat om die reden compensering van de ander moet plaatsvinden. De rechtbank acht het daarom redelijk dat de inboedelgoederen die partijen nu onder zich hebben aan hen worden toegedeeld zonder nadere verrekening. De rechtbank zal deze beslissing niet opnemen in het dictum van deze beschikking omdat partijen hierover geen formeel verzoek hebben ingediend.

Ten aanzien van de raceauto’s

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de raceauto’s aan de vrouw worden toebedeeld, zonder nadere verrekening met de man. Deze afspraak bindt partijen, maar zal niet in het dictum van deze beschikking worden opgenomen omdat partijen hierover geen formeel verzoek hebben ingediend.

Ten aanzien van de borg van de huurwoning van de man

De vrouw heeft ter zitting verzocht om de man te verplichten de helft van de borg van de huurwoning aan de vrouw te betalen. De vrouw heeft echter geen formeel verzoek hierover ingediend. Tussen partijen staat wel vast dat de borg € 4.000,- bedraagt en dat de man dit heeft betaald voor de peildatum uit de middelen die tot de gemeenschap behoren. Op het moment dat de man zijn huurovereenkomst beëindigt komen die middelen weer vrij. De rechtbank is dan ook van oordeel dat partijen dit bedrag bij helfte moeten delen, maar zal dit niet opnemen in het dictum van deze beschikking omdat partijen hierover geen formeel verzoek hebben ingediend.

Ten aanzien van de schulden en de belastingaanslagen

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat alle schulden die er op de peildatum zijn in beginsel door ieder voor de helft moeten worden gedragen. Dit volgt uit artikel 1:100 BW, tenzij dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit is ook het standpunt van de man en de grondslag van zijn verzoeken. Indien de gemeenschap niet toereikend is om de schulden van de gemeenschap te voldoen geldt sinds 1 januari 2018 een lichtere toets om van deze hoofdregel af te wijken. Het criterium is dan dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. Niet is gesteld of gebleken dat de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden te voldoen. Dit betekent dat het oude strengere criterium (de onaanvaardbaarheidstoets) van toepassing is. De vrouw heeft verzocht om van de hoofdregel af te wijken, maar zij heeft naar het oordeel van de rechtbank daartoe onvoldoende aangevoerd. Het gaat om hele reguliere schulden, zoals een schuld bij de Belastingdienst en een schuld die ten tijde van de huwelijkssluiting al bestond. De enkele stelling van de vrouw dat het niet eerlijk is dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor huwelijkse schulden, is onvoldoende.

De rechtbank zal dan ook de verzoeken van de man die zien op (de draagplicht van) de schulden toewijzen, zoals in het dictum van deze beschikking is vermeld, behalve voor zover dit ziet op het verplichten van de notaris om mee te werken aan de betaling van de schulden uit de verkoopopbrengst van de woning. De notaris is namelijk geen partij in deze procedure, dus hem kunnen geen verplichtingen worden opgelegd. In plaats daarvan zal de rechtbank bepalen dat de vrouw moet gedogen dat de notaris dit doet.

Proceskosten

De rechtbank zal de kosten van deze procedure compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [trouwdatum] 2008 in [plaats 1] , Spanje;

stelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] vast bij de vrouw;

stelt de volgende zorgregeling vast vanaf het moment dat de man in [plaats 3] woont:

de kinderen verblijven om het weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de man, waarbij de man de kinderen haalt en brengt;

partijen zullen in overleg met de GI de verdere uitbreiding van de zorgregeling op de woensdagmiddag bespreken;

beslist dat de man een bedrag van € 153,30,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ;

beslist dat de man vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 148,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

beslist dat de man de kinder- en partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

beslist dat de vrouw met uitsluiting van de man het recht heeft om in de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats 1] te wonen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot de datum van de levering van de woning, te weten 2 augustus 2021;

bepaalt dat ieder van partijen (tegenover elkaar) voor de helft draagplichtig is voor

de schulden aan de hypotheekverstrekker, Havenstad Gerechtsdeurwaarders en de Belastingdienst (als genoemd onder 4.17. d, e. en f.);

bepaalt dat de vrouw moet gedogen dat direct na verkoop en levering van de echtelijke woning uit de netto verkoopopbrengst (na betaling van de makelaars- en overige verkoopkosten) rechtstreeks de volledige schulden aan de hypotheekverstrekker (uitstaande hoofdsom en achterstallige termijnen), Havenstad Gerechtsdeurwaarders en de Belastingdienst worden afgelost;

bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de belastingaanslagen over 2019 en veroordeelt de vrouw tot betaling van de helft van deze aanslagen aan de man, indien en zodra de man deze belastingschuld daadwerkelijk heeft betaald;

bepaalt dat indien en voor zover er na aflossing van de schulden uit de verkoopopbrengst van de woning nog een bedrag resteert dan wel een schuld overblijft, partijen dit bedrag bij helfte dienen te verdelen dan wel dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze restschuld en dat zij gehouden zijn ieder de helft van de restschuld voor hun rekening te nemen en deze te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft;

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.E. Broersma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?