RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/495073 / FA RK 20-267 (echtscheiding met nevenvoorzieningen)
C/16/512159 / FA RK 20-6394 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Beschikking van 18 juni 2021
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. H.J. Scholten,
tegen
[de man] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.R.J. Mulder.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen op 30 december 2019;
het verweerschrift van de man met zelfstandige verzoeken en bijlagen 1 tot en met 16, binnengekomen op 16 maart 2020;
het aanvullende verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 en 2, binnengekomen op 12 mei 2020;
het F-formulier van de vrouw van 6 juli 2020 met bijlage;
de brief van de man van 7 juli 2020 met daarbij gevoegd een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan;
het aanvullende verweerschrift van de man met aanvullende verzoeken en bijlagen 17 tot en met 20, binnengekomen op 14 augustus 2020;
de brief van de man van 23 september 2020 met bijlage;
het F-formulier van de man van 24 september 2020 met bijlage;
het verweerschrift van de vrouw tegen de aanvullende verzoeken van de man, binnengekomen op 3 november 2020;
de brief van de man van 14 januari 2021;
de brief van de man van 1 februari 2021 met bijlagen 21 tot en met 30;
de brief van de vrouw van 6 mei 2021 met aanvullende verzoeken en drie ongenummerde bijlagen;
de twee brieven van de man van 6 mei 2021 met bijlagen 31 tot en met 45;
de brief van de man van 7 mei 2021 met bijlage 46.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 19 mei 2021. Hierbij waren beide partijen met hun advocaten aanwezig.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [trouwdatum] 1997 in [plaats 1] .
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
Partijen hebben samen drie meerderjarige kinderen:
[meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2000 in [geboorteplaats] ;
[meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2001 in [geboorteplaats] ;
[meerderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2003 in [geboorteplaats] .
Op 26 augustus 1997 hebben partijen bij een notaris huwelijkse voorwaarden laten maken en getekend. De huwelijkse voorwaarden sluiten iedere gemeenschap van goederen tussen partijen uit.
3. Verzoeken en verweer
De vrouw verzoekt:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. te bepalen dat de man een bedrag van € 11.383,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
III. te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] aan de man wordt toebedeeld tegen een nader door de rechtbank te benoemen onafhankelijk makelaar/taxateur te bepalen waarde, waarbij de man gehouden is de hypothecaire geldlening van Florius met nummer [nummer 1] , van € 492.000,- voor zijn rekening te nemen en ervoor zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening en onder de verplichting van de man de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw uit te keren, onder aftrek van haar lening van [bedrijf] BV van € 20.000,-;
IV. vast te stellen dat uit hoofde van artikel 9 jo. 7 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden tot de te verrekenen vermogensbestanddelen behoren hetgeen onder punt 12 tot en met 15 in de brief van de vrouw van 2 november 2020 is weergegeven en te bepalen dat de man dienovereenkomstig met de vrouw moet afrekenen;
V. te bepalen dat de fiscale aanslagen tot en met 2020, zolang partijen fiscaal partner zijn, gelijkelijk tussen partijen moeten worden gedeeld;
VI. te bepalen dat partijen de inboedel gelijkelijk dienen te verdelen, waartoe de man de vrouw in de gelegenheid moet stellen in het huis een opname te doen van de aanwezige inboedel en aan de hand daarvan een voorstel tot verdeling te doen, alsmede te bepalen dat de man aan de vrouw de helft van de opbrengst van de verkochte goederen, waaronder een bank, moet vergoeden;
VII. te bepalen dat de man de definitieve jaarstukken van [bedrijf] B.V. van 2019 en de definitieve jaarstukken van [bedrijf] B.V. en [bedrijf] B.V. van 2020 in het geding moet brengen;
VIII. partijen te gelasten over te gaan tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, met benoeming van een notaris en onzijdige personen als volgens de wet.
Nu de rechtbank, mede gelet op de verzoeken van de man, zal oordelen over de verdeling c.q. verrekening, gaat de rechtbank er vanuit dat het laatstgenoemde verzoek van de vrouw niet meer aan de orde is.
De man refereert zich ten aanzien van de verzochte echtscheiding en voert verweer tegen de overige verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt:
I. indien de rechtbank een bedrag aan partneralimentatie vaststelt, deze verplichting te limiteren tot 1 januari 2023;
II. het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] aan de man toe te wijzen gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
III. te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] , tegen een waarde van € 735.000,- aan de man wordt toegedeeld en geleverd en dat de man gehouden is de hypothecaire geldlening bij Florius met nummer [nummer 1] van € 492.000,-- voor zijn rekening te nemen, onder de verplichting van de man om aan de vrouw te voldoen de helft van de overwaarde minus de lening van de vrouw bij [bedrijf] BV van € 20.200,- per 31 december 2020 vermeerderd met de rente vanaf 1 januari 2021 en dat de levensverzekering bij Reaal met nummer [nummer 2] aan de man wordt toegedeeld en dat hij de helft van de waarde van € 25.594,50 aan de vrouw moet betalen;
IV. te bepalen dat ieder zijn of haar bankrekeningen behoudt, zonder nadere verrekening;
V. vast te stellen dat uit hoofde van artikel 9 jo. 7 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden jo. artikel 1:141 lid 1 BW tot de te verrekenen vermogensbestanddelen behoren:
a. de waarde van de aandelen bij [bedrijf] BV, per 10 september 2019 en dat de man, uit dien hoofde een bedrag van € 52.973,- aan de vrouw moet voldoen;
b. de polis bij ASR met nummer [nummer 3] ter zake waarvan de man aan de vrouw € 5.201,37 moet voldoen;
c. de waarde van de koopsompolis bij Reaal met nummer [nummer 4] op naam van de man, per 10 september 2019 ter zake waarvan de man € 948,55 aan de vrouw moet voldoen;
d. de waarde van de verzekering bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer 5] op naam van de man, per 10 september 2019 ter zake waarvan de man € 11.274,52 aan de vrouw moet voldoen;
e. de waarde van de Rabobank lijfrente met nummer [nummer 6] / [nummer 7] ter zake waarvan de man € 6.202,94 moet voldoen aan de vrouw;
f. de waarde van de polis bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer 8] op naam van de man ter zake waarvan de man € 19.080,80 aan de vrouw moet voldoen;
VI. te bepalen dat de man uit hoofde van het verrekenbeding aan de vrouw een bedrag van € 75.031,67 is verschuldigd;
VII. te bepalen dat de helft van de rekening-courantschuld bij [bedrijf] BV voor rekening van de vrouw komt, derhalve een bedrag van € 21.721,-.
4. De beoordeling
Echtscheiding
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De vrouw stelt namelijk dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Hoewel de man in zijn verweerschrift de hoop uitsprak dat de vrouw zou terugkomen van haar scheidingswens, heeft hij de duurzame ontwrichting niet betwist en zich gerefereerd aan dit verzoek van de vrouw. Dit betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Woning
De rechtbank zal het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toewijzen aan de man. Partijen zijn het daarover eens.
Partneralimentatie
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen, afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom.
De ingangsdatum
De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 2.930,- netto per maand. Dat heeft de rechtbank als volgt berekend. Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de zogeheten ‘Hof-norm’. De Hof-norm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Beide partijen hebben echter na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen de kosten niet meer met elkaar delen en daarom gaat de Hof-norm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is. De man heeft gezegd dat in dit geval de Hof-norm niet kan worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. Hij heeft alleen niet inhoudelijk gemotiveerd betwist waarom die vuistregel in deze situatie geen goed aanknopingspunt zou zijn. De rechtbank past daarom toch de Hof-norm toe.
De rechtbank moet eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw destijds een inkomen had van
€ 2.100,- bruto per maand en dat zij recht had op 8% vakantietoeslag. Uit de door de man overgelegde berekening (productie 37) volgt dat dit netto € 1.924,- per maand is. De vrouw heeft ook nog gesteld dat zij destijds tussen de € 700,- en € 800,- aan extra inkomsten had, maar dit heeft zij niet onderbouwd. Daarom zal de rechtbank hier geen rekening mee houden.
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 100.000,- bruto per jaar. De rechtbank heeft berekend dat dit netto € 4.475,- per maand is (bijlage 1). De rechtbank vindt het redelijk om van dit bruto inkomen uit te gaan omdat vaststaat dat de man in 2019 € 93.187,- bruto verdiende en in dat jaar ook eenmalig een bedrag van € 11.764,- aan dividend heeft uitgekeerd. Dit volgt uit de IB aangifte van 2019 (productie 21). In 2018 had de man een inkomen van € 100.328,- bruto per jaar en in 2017 van € 95.158,- bruto per jaar, zoals volgt uit de IB aangiften van 2017 en 2018 (productie 6). Dit betekent dat de man tijdens het huwelijk een gemiddeld inkomen had van ongeveer € 100.000,- bruto per jaar. Verder houdt de rechtbank rekening met de door de man gestelde premies van € 10.153,- per jaar voor inkomensvoorzieningen. De vrouw heeft de hoogte hiervan niet betwist en enkel ter zitting gezegd dat de man dit bedrag dubbel in zijn berekening heeft meegenomen. De rechtbank volgt de vrouw hierin niet.
De rechtbank houdt geen rekening met de door de vrouw gestelde neveninkomsten van de man van € 7.424,- per jaar, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat deze inkomsten in zijn onderneming terechtkomen. Dit maakt zijn inkomen dan ook niet hoger. Verder houdt de rechtbank ook geen rekening met de door de vrouw gestelde extra dividenduitkering van
€ 124.541,- per jaar. In het kader van de behoefte van de vrouw gaat het immers om wat partijen feitelijk te besteden hadden tijdens het huwelijk en niet om wat zij hadden kunnen verdienen, dan wel wat de man had kunnen uitkeren aan dividend.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen komt op grond van het voorgaande op € 6.399,- per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen van € 1.515,- per maand resteert een bedrag van € 4.884,- per maand. Volgens de Hof-norm, heeft de vrouw daar 60% van nodig, dat is € 2.930,- netto per maand.
De aanvullende behoefte
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 2.930,-) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank haar verzoek om partneralimentatie toewijzen.
Periode I: vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 31 december 2021
De rechtbank vindt dat de vrouw op dit moment behoefte heeft aan een bijdrage van de man van € 3.754,- bruto per maand. Anders dan de man stelt vindt de rechtbank dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij op dit moment niet in staat is om meer uren te werken. De vrouw heeft uitgelegd dat de echtscheiding en het verlies van contact met de kinderen een grote emotionele impact op haar hebben gehad. Desondanks heeft zij toch een certificaat trainer krachtwerk kunnen behalen wat haar meer kansen biedt op freelance opdrachten. Bovendien heeft de vrouw ondanks de coronacrisis het afgelopen jaar toch haar uren weten uit te breiden. De rechtbank vindt het daarom redelijk om voor nu uit te gaan van de feitelijke situatie.
De vrouw werkt momenteel 16 uur per week. Uit de overgelegde salarisspecificaties (productie 3) blijkt dat zij daarmee € 1.280,- bruto per maand verdient. De vrouw heeft daarnaast recht op 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 1.392,- per jaar. Uit bijgevoegde berekening volgt dat de vrouw een netto besteedbaar inkomen heeft van
€ 1.241- per maand (bijlage 2). Het netto-inkomen van de vrouw is minder dan haar huwelijksgerelateerde behoefte. De vrouw kan dus partneralimentatie vragen aan de man. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van € 3.754,- bruto per maand (bijlage 3) nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.
Periode II: vanaf 1 januari 2022
De rechtbank vindt dat de vrouw vanaf 1 januari 2022 meer moet kunnen verdienen dan wat zij nu verdient. De vrouw heeft namelijk een goede opleiding gedaan en geen zorg meer voor de kinderen. Ter zitting heeft de vrouw zelf ook verklaard dat zij een grote freelance opdracht had kunnen krijgen na haar training bij de Radboud Universiteit, maar dat deze toen niet door is gegaan door de coronacrisis. De rechtbank vindt het daarom net als de man redelijk om er vanuit te gaan dat de vrouw 32 uur per week kan werken en daarmee een inkomen kan genereren van € 29.120,- bruto per jaar. Uit de door de man overgelegde berekening (productie 37) volgt dat dit netto € 2.296,- per maand is. De vrouw heeft deze berekening niet betwist. Het netto-inkomen van de vrouw is minder dan haar huwelijksgerelateerde behoefte. De vrouw kan dus partneralimentatie vragen aan de man. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van € 1.240,- bruto per maand (bijlage 4) nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.
Geen limitering
De rechtbank zal het verzoek van de man om zijn bijdrage aan de vrouw te limiteren per 1 januari 2023 afwijzen en legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel komt.
Volgens de man moet de vrouw in staat worden geacht om per 1 januari 2023 in haar eigen behoefte te kunnen voorzien, gezien haar leeftijd, opleiding en ervaring. De vrouw is het hier niet mee eens. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de man heeft aangevoerd op dit punt te algemeen is en onvoldoende is, vanwege het ingrijpende en definitieve karakter van een dergelijke limitering.
De draagkracht van de man
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen van de man. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende onderbouwd dat hij zichzelf geen extra dividend (meer) kan uitkeren. Uit de overgelegde jaarstukken van de man blijkt dat het eigen vermogen van de onderneming van de man de afgelopen jaren substantieel is afgenomen. De man heeft voldoende uitgelegd dat hij ieder jaar verlies draait en dat het vermogen van de onderneming afneemt, zelfs nu de man geen salaris meer uitkeert aan de vrouw. Bovendien moet de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden de helft van het eigen vermogen van de onderneming afdragen aan de vrouw. De rechtbank vindt het redelijk dat de man ook nog een buffer overhoudt en ziet daarom geen ruimte voor een extra dividenduitkering zoals de vrouw heeft gesteld. De rechtbank houdt dan ook rekening met de feitelijke situatie waarbij de man een inkomen heeft van € 93.187,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de IB aangifte van 2019 (productie 21). De rechtbank heeft berekend dat de man van dit bruto inkomen een bedrag van € 5.714,- netto per maand overhoudt (bijlage 5).
De rechtbank houdt wederom geen rekening met de door de vrouw gestelde neveninkomsten van de man, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat deze inkomsten terechtkomen in zijn onderneming. Dit maakt zijn inkomen dan ook niet hoger.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welke kosten de man moet betalen uit dit netto-inkomen. De rechtbank houdt rekening met de volgende - onbetwiste - door de man gestelde lasten:
€ 3.685,- per jaar eigen woningforfait;
€ 20.664,- per jaar hypotheekrente;
€ 5.000,- per jaar premie lijfrente;
€ 5.447,- per jaar premie arbeidsongeschiktheidsverzekering;
€ 162,- per maand premie levensverzekering;
€ 142,- per maand premie zorgverzekering.
De rechtbank houdt geen rekening met een door de man te betalen zorgpremie voor [meerderjarige 1] en [meerderjarige 3] . De vrouw heeft immers onbetwist gesteld dat de kinderen daar zorgtoeslag voor ontvangen.
Anders dan de vrouw stelt, houdt de rechtbank wel rekening met een door de man te betalen de bijdrage in de kosten van de kinderen van € 1.750,- per maand. De vrouw heeft namelijk niet betwist dat de man deze bijdragen feitelijk aan de kinderen betaalt. Zij heeft alleen ter zitting gevraagd in hoeverre de man moet bijdragen in de kosten van de kinderen omdat zij een bijbaan hebben. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man een bijdrage moet leveren omdat de kinderen studeren en pas net meerderjarig zijn. De vrouw heeft niet gesteld of onderbouwd van welke andere bijdrage uitgegaan moet worden. Daarom volgt de rechtbank de man en gaat zij uit van een bijdrage in de kosten van de kinderen van
€ 1.750,- per maand in totaal.
Conclusie
Uit bijgevoegde berekening (bijlage 5) volgt dat de man op basis van voornoemde gegevens geen draagkracht heeft om een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw af.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden in een uitsluiting van de algehele gemeenschap van goederen. Voorts zijn partijen in artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding overeengekomen, inhoudende de verplichting tussen partijen dat zij elk kalenderjaar hetgeen van hun netto inkomen in de zin van artikel 7 lid 8, na aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de kosten van de huishouding of op andere wijze aan beiden is ten goede gekomen, overblijft, onderling te verrekenen.
Tussen partijen is in geschil de verrekening. Partijen hebben verder nog een aantal goederen in gemeenschappelijk eigendom.
De eenvoudige gemeenschappen
Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen in gemeenschappelijk eigendom:
de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] , met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening;
de inboedel van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] .
a.) De woning
Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over wat er moet gebeuren met de woning. Partijen zijn het erover eens dat de voormalige echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] aan de man zal worden toebedeeld onder de voorwaarde dat hij hiertoe financieel in staat is en de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De man dient drie makelaar-taxateurs aan te wijzen en de vrouw dient daaruit één makelaar-taxateur te kiezen. Met deze makelaar-taxateur zal een afspraak worden gemaakt om een bindende taxatie uit te voeren. Vervolgens dient de over- dan wel onderwaarde bij helfte te worden verdeeld dan wel te worden gedragen. Indien sprake is van overwaarde, dient de man de helft daarvan aan de vrouw te betalen, onder aftrek van de lening van de vrouw bij [bedrijf] BV van € 20.200,- per 31 december 2020 vermeerderd met de rente (1%) vanaf 1 januari 2021, waarbij een betalingsregeling bespreekbaar is.
Voor het geval de hiervoor beschreven wijze van verdelen niet kan plaatsvinden omdat de man (voor de door de makelaar-taxateur vastgestelde waarde) niet de financiering kan verkrijgen waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dient de woning te worden verkocht aan een derde. Partijen zullen zich in dat geval gezamenlijk wenden tot de eerder gekozen makelaar-taxateur, die de verkoop van de woning zal begeleiden en een laat- en vraagprijs zal bepalen. Ingeval van verkoop van de woning aan een derde heeft ieder van partijen recht op de helft van de overwaarde daarvan, indien sprake is van onderwaarde, dient deze bij helfte door partijen te worden gedragen. Met de verkoopopbrengst van de echtelijke woning dient dan de hypothecaire geldlening te worden afgelost en dienen de verkoopkosten te worden voldaan. De alsdan resterende onder- of overwaarde wordt door partijen bij helfte gedragen dan wel gedeeld.
De rechtbank zal deze overeenstemming van partijen vastleggen in de beslissing.
b.) De inboedel
Partijen zijn het erover eens dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. Daarbij hebben zij afgesproken dat de vrouw samen met buurvrouw [A] door de woning mag gaan zonder dat de man daarbij aanwezig is en dat de vrouw op basis daarvan een voorstel doet aan de man voor de verdeling. De rechtbank zal overeenkomstig deze afspraak van partijen beslissen.
De verrekening
Partijen hebben tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Artikel 1:141 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de verplichting tot verrekening in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen van iedere echtgenoot wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 BW vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
Voor de beoordeling van de verzoeken van partijen dient te worden vastgesteld of de aanwezige vermogensbestanddelen van de man en de vrouw tot het te verrekenen vermogen behoren. Vervolgens moet de waarde van het totale te verrekenen vermogen van de man worden bepaald en de waarde van dat van de vrouw. De verrekenvordering beloopt de helft van het verschil van de saldi van beide te verrekenen vermogens en komt toe aan de partij die het laagste saldo aan te verrekenen vermogen heeft.
De rechtbank kan in dit geval echter niet de omvang van de verrekenvordering vaststellen, omdat ten aanzien van een aantal vermogensbestanddelen geen concrete bedragen zijn gesteld. De rechtbank zal in dit geval dus alleen per vermogensbestanddeel beoordelen of dit tot het te verrekenen vermogen behoort en - voor zover dit kan en is verzocht - de wijze van waardering en wijze van verrekenen vaststellen. Het is vervolgens aan partijen zelf om daar in onderling overleg een waarde aan te koppelen en op basis daarvan te komen tot een verrekenvordering.
De peildatum
Partijen zijn het eens dat voor de peildatum uitgegaan moet worden van 10 september 2019. Uit praktisch oogpunt wordt voor de waardebepaling van de aandelen van [bedrijf] BV en de rekening-courantschuld 31 december 2019 als peildatum aangehouden. De rechtbank zal partijen hierin volgen.
Voor het vaststellen van het te verrekenen vermogen en de verrekening gaat de rechtbank uit van de volgende vermogensbestanddelen:
Aan de zijde van de man:
de aandelen van [bedrijf] BV;
de rekening-courantschuld bij [bedrijf] BV;
de volgende levens- en lijfrenteverzekeringen:
1. de verzekering bij ASR met nummer [nummer 3] ;
2. de koopsompolis bij Reaal met nummer [nummer 9] (en tevens nummer [nummer 4] / [nummer 4] );
3. de verzekering bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer 5] ;
4. de Rabobank lijfrente met nummer [nummer 6] / [nummer 7] ;
5. de polis bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer 8] ;
te ontvangen of af te dragen inkomstenbelasting tot 31 december 2019.
Aan de zijde van de vrouw:
de lening bij [bedrijf] BV van € 20.200,- per 31 december 2020 vermeerderd met de rente vanaf 1 januari 2021.
c.) De aandelen van [bedrijf] BV
De vrouw heeft op grond van de huwelijkse voorwaarden recht op de helft van de waarde van de aandelen van de onderneming van de man. In geschil tussen partijen is de waarde daarvan en de wijze van berekening van de waarde.
De man gaat uit van het eigen vermogen van de BV op 31 december 2019 van
€ 199.294 en stelt dat dit eigen vermogen bij helfte dient te worden gedeeld minus de belastingclaim van 26,9%. Verder stelt de man dat de vrouw hiervan al een bedrag van
€ 22.289,47 heeft ontvangen.
De vrouw gaat uit van een waardebepaling van de aandelen op basis van de volgende bij elkaar op te tellen elementen:
het eigen vermogen van de BV;
twee keer de gemiddelde jaarwinst bij salaris DGA;
de meerwaarde van de inventaris (pm);
de meerwaarde van de auto’s, die volgens de vrouw € 36.083,- is.
Verder is de vrouw van mening dat onvoldoende gegevens zijn overgelegd om tot een waardering te kunnen komen. Zij verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen die de waarde van de aandelen in de BV kan vaststellen en daarbij ook rekening kan houden met eventuele goodwill of stille reserves.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen en zal dit verzoek van de vrouw afwijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is het bij een onderneming zoals die van de man passend om voor de waardering uit te gaan van de intrinsieke waarde. Het gaat immers in deze situatie om een kleine persoonsgebonden onderneming die enkel bestaat uit de man. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van de aanwezigheid van goodwill, nu de waarde van de onderneming (nagenoeg) volledig bestaat uit de capaciteiten en de kwaliteiten van de man. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van de man en zal de waarde van de onderneming(en) vaststellen aan de hand van de intrinsieke waarde.
De intrinsieke waarde van de onderneming bestaat in ieder geval uit het eigen vermogen en de stille reserves. Uit de jaarstukken van 2020 (productie 38) volgt dat het eigen vermogen van [bedrijf] BV op 31 december 2019 € 199.294,- bedroeg. De rechtbank neemt dit bedrag dan ook als uitgangspunt.
De vrouw stelt dat er een verschil zit in de boekwaarde en de werkelijke waarde van de inventaris, de Mazda en de Porsche. Ten aanzien van de inventaris overweegt de rechtbank dat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom de werkelijke waarde meer zou zijn dan de boekwaarde, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat. Ten aanzien van de Mazda overweegt de rechtbank dat de man heeft verklaard dat deze auto is verkocht voor
€ 12.000,- inclusief btw. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank van dit bedrag uit zal gaan voor de werkelijke waarde. Ten aanzien van de Porsche stelt de man dat de werkelijke waarde € 21.535,- bedraagt en de vrouw dat deze € 31.213,- bedraagt. Omdat geen van partijen heeft gesteld of onderbouwd waarom de rechtbank van het ene of het andere bedrag uit moet gaan, zal de rechtbank het gemiddelde nemen, dat is € 26.374,-. De werkelijke waarde van beide auto’s bedraagt daarmee (€ 38.374,- minus 16,5% btw =)
€ 32.042,- in totaal. Tussen partijen staat vast dat de boekwaarde van beide auto’s per 31 december 2019 € 9.187,- was. Het verschil van de boekwaarde en de werkelijke waarde van de auto’s (€ 22.855,-) telt de rechtbank op bij het eigen vermogen, zodat het totale eigen vermogen neerkomt op een bedrag van € 222.149,-. De rechtbank corrigeert dit bedrag vervolgens met de door de vrouw gestelde latente belastingclaim van 26,25% zoals die gold eind 2019 over (222.149 – 18.000 =) € 53.589.- Gelet hierop stelt de rechtbank de waarde van (de aandelen van) [bedrijf] BV vast op € 168.560,-. Partijen dienen deze waarde bij helfte te delen.
De man stelt dat de vrouw hiervan in 2020 al een bedrag van € 22.289,47 heeft ontvangen als salaris, zodat dit bedrag van de helft van € 168.560,- afgetrokken moet worden. De rechtbank volgt de man hierin niet. De man heeft namelijk dit bedrag als salaris aan de vrouw uitgekeerd en zelfs een arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit deze betalingsverplichting blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom de vrouw dit bedrag terug zou moeten betalen en waarom zij daar geen recht op zou hebben.
d.) De rekening-courantschuld
Tussen partijen staat vast dat de rekening-courant schuld bij de BV van de man op de peildatum € 43.442,- bedroeg en dat deze onder het te verrekenen vermogen valt. Partijen dienen de waarde hiervan bij helfte te delen.
e.) De levens- en lijfrenteverzekeringen
De vrouw heeft (ter zitting) voorgesteld dat een aantal polissen die op naam staan van de man aan de vrouw worden overgedragen. Dit is echter niet door de vrouw verzocht, zodat de rechtbank dit niet kan beslissen. Omdat de vrouw geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de door de man voorgestelde wijze van verdeling van de polissen, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en de volgende levens- en lijfrenteverzekeringen meenemen in de verrekening:
1. de verzekering bij ASR met nummer [nummer 3] tegen een waarde van
€ 10.402,74;
2. de koopsompolis bij Reaal met nummer [nummer 9] (en tevens nummer [nummer 4] / [nummer 4] ) tegen een waarde van € 1.897,10;
3. de verzekering bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer 5] tegen een waarde van
€ 22.549,04;
4. de Rabobank lijfrente met nummer [nummer 6] / [nummer 7] tegen een waarde van € 12.405,88;
5. de polis bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer 8] tegen een waarde van
€ 38.161,60.
f.) Te ontvangen of af te dragen inkomstenbelasting
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de fiscale aanslagen tot en met 2020, zolang partijen fiscaal partner zijn, gelijkelijk tussen partijen moeten worden gedeeld. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen tot en met 31 december 2019. Zolang partijen nog fiscaal partner zijn en zij hun belastingaangifte gezamenlijk doen, betekent dit namelijk dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor alle te ontvangen of af te dragen inkomstenbelasting. Partijen kunnen zich dan niet beroepen op artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden. Omdat de rechtbank geen zicht heeft op de totale heffingen/teruggaven, kan de rechtbank hier geen precieze bedragen aan koppelen.
Ook na het uiteengaan van partijen kunnen partijen nog gezamenlijk draagplichtig zijn voor alle te ontvangen of af te dragen inkomstenbelasting, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat partijen in 2020 ook nog fiscaal partner waren. De rechtbank wijst dan ook dit gedeelte van het verzoek af en gaat er vanuit dat partijen ieder voor zich aangifte doen over 2020.
g.) De lening van de vrouw bij [bedrijf] BV
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw een lening bij [bedrijf] BV heeft van € 20.200,- per 31 december 2020 en dat deze onder het te verrekenen vermogen valt. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Conclusie
Gelet op vorenstaande dienen de volgende vermogensbestanddelen in de verrekening te worden betrokken. Voor zover de rechtbank daar een waarde aan kan geven, zal de rechtbank de waarde ervan noemen.
Aan de zijde van de man:
de waarde van de aandelen van [bedrijf] BV van € 168.560,-;
de rekening-courant schuld van € 43.442,-;
een bedrag van € 85.416,36.- ter zake de waarde van de levens- en lijfrenteverzekeringen ten name van de man.
Op het te verrekenen vermogen aan de kant van de man strekt in mindering:
- de inkomstenbelasting die de man over de periode tot 31 december 2019 verschuldigd was.
Aan de zijde van de vrouw:
Op het te verrekenen vermogen aan de kant van de vrouw strekt in mindering:
de inkomstenbelasting die de vrouw over de periode tot 31 december 2019 verschuldigd was;
de lening van de vrouw bij [bedrijf] BV van € 20.200,-.
De rechtbank kan geen verrekenvordering vaststellen omdat partijen ten aanzien van een aantal vermogensbestanddelen onvoldoende gesteld hebben over de waarde daarvan. De rechtbank kan daarom alleen de wijze van verrekening vaststellen. De rechtbank zal bepalen dat de verrekenvordering bedraagt de helft van het verschil van de saldi van beide te verrekenen vermogens en komt toe aan de partij die het laagste saldo aan te verrekenen vermogen heeft.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. De echtscheiding kan namelijk op grond van de wet niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [trouwdatum] 1997 in [plaats 1] ;
beslist dat de man met uitsluiting van de vrouw het recht heeft om in de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] te wonen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt:
ten aanzien van de onroerende zaak aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] :
de man dient drie makelaar-taxateurs aan te wijzen en de vrouw dient daaruit één makelaar-taxateur te kiezen;
met deze makelaar-taxateur zal een afspraak worden gemaakt om een bindende taxatie uit te voeren;
de man krijgt na taxatie de tijd om te onderzoeken of hij de woning kan en wil overnemen voor de taxatiewaarde onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;
indien de man de woning kan en wil overnemen krijgt hij vervolgens een termijn om de financiering en de overdracht te realiseren;
indien sprake is van overwaarde, dient de man de helft daarvan aan de vrouw te betalen, onder aftrek van de lening van de vrouw bij [bedrijf] BV van € 20.200,- per 31 december 2020 vermeerderd met de rente vanaf 1 januari 2021, waarbij een betalingsregeling bespreekbaar is;
indien sprake is van onderwaarde, dient de vrouw de helft daarvan aan de man te betalen;
indien de man de woning niet kan of wil overnemen en/of de vrouw niet kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire geldlening zal de woning verkocht worden aan een derde, partijen zullen zich in dat geval gezamenlijk wenden tot de eerder gekozen makelaar-taxateur, die de verkoop van de woning zal begeleiden en een laat- en vraagprijs zal bepalen;
ingeval van verkoop van de woning aan een derde heeft ieder van partijen recht op de helft van de overwaarde daarvan, indien sprake is van onderwaarde, dient deze bij helfte door partijen te worden gedragen;
ten aanzien van de inboedel:
partijen zullen de inboedel in onderling overleg verdelen;
waarbij de vrouw samen met buurvrouw [A] en zonder dat de man in de woning aanwezig is, door de woning mag gaan en op basis daarvan een voorstel doet aan de man voor de verdeling;
stelt de wijze van verrekening tussen partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden vast, in die zin dat de verrekenvordering de helft van het verschil van de saldi van de beide te verrekenen vermogens bedraagt en toekomt aan de partij die het laagste saldo aan te verrekenen vermogen heeft, waarbij de te verrekenen vermogens door partijen dienen te worden vastgesteld zoals vermeld in rechtsoverweging 4.46;
met betrekking tot de aanslag IB
partijen moeten alle heffingen en/of teruggaven ter zake van de inkomstenbelasting die betrekking hebben op de periode tot aan 31 december 2019 bij helfte dragen dan wel bij helfte delen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. P.J. Elferink, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2021.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.