ECLI:NL:RBMNE:2021:6985

ECLI:NL:RBMNE:2021:6985

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-09-2021
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer C/16/496118
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Echtscheiding met verdeling beperkte gemeenschap van goederen

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/496118 / FA RK 20-719 (echtscheiding)

C/16/499249 / FA RK 20-1835 (verdeling)

Beschikking van 9 september 2021

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. N.C. Bouman-de Vos,

tegen

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.E.W.C.M. Kneepkens.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de man met bijlagen 1 en 2, binnengekomen op 22 januari 2020;

het verweerschrift van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 25 maart 2020;

het verweerschrift van de man van 14 april 2020 op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, tevens aanvullend verzoekschrift, met bijlagen 3 tot en met 10;

het F-formulier van de vrouw van 7 december 2020 met bijlage;

de brief van de man van 11 januari 2021 met gewijzigd verzoek;

de brief van de vrouw van 1 februari 2021 met bijlage;

het F-formulier van de man van 9 juni 2021 met een vermeerdering verzoek en bijlagen 11 tot en met 26;

het F-formulier van de vrouw van 14 juni 2021 met bijlagen 1 tot en met 8;

het F-formulier van de man van 5 augustus 2021 met brief en bijlage 27.

Op 7 december 2020 heeft er een regiezitting plaatsgevonden. Nadien hebben partijen geen ondertekend ouderschapsplan overgelegd.

De verzoeken zijn verder besproken tijdens de mondelinge behandeling van 12 augustus 2021. Daarbij waren beide partijen met hun advocaten aanwezig. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is (na afmelding) niemand verschenen.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar getrouwd op [datum huwelijk] 2018 in [plaats] .

Partijen hebben beiden de Nederlandse en Turkse nationaliteit.

Het minderjarige kind van partijen is:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .

Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van 24 maart 2020 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen en:

- de volgende voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vastgesteld:

 [minderjarige] is op dinsdag van 09:00 tot 15:00 uur bij de man, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij en terugbrengt naar de parkeerplaats bij het werk van de vrouw;

 [minderjarige] is van woensdag 09:00 uur tot donderdag 15:00 uur bij de man, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij en terugbrengt naar de parkeerplaats bij het werk van de vrouw;

 [minderjarige] is in onderling overleg tussen partijen één dagdeel per weekend bij de man, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en terugbrengt naar het huis van de vrouw. De vrouw staat ervoor in dat haar ouders zich niet met de overdracht van [minderjarige] bemoeien;

beslist dat de man met ingang van 24 maart 2020 een bedrag van € 308,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

beslist dat de man met ingang van 24 maart 2020 een bedrag van € 159,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3. Verzoeken en verweer

De man verzoekt:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben;

III. een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] bij hem verblijft:

primair:

 in week 1 van dinsdag 8.00 uur tot woensdag 17.00 uur en op donderdag van 8.00 uur tot 15.00 uur;

 in week 2 op dinsdag van 8.00 uur tot 17.00 uur, op woensdag van 8.00 uur tot 17.00 uur en op zaterdag van 8.00 uur tot 17.00 uur;

subsidiair:

 in week 1 op dinsdag van 8.00 uur tot 17.00 uur, donderdag van 8.00 uur tot 17.00 uur en zaterdag van 9.00 uur tot zondag 15.00 uur

 in week 2 van dinsdag 8.00 uur tot woensdag 13.00 uur en op donderdag van 8.00 uur tot 17.00 uur;

en voor de zomer van 2021 te bepalen dat [minderjarige] gedurende twee weken na de datum van de mondelinge of schriftelijke uitspraak in de periode naar keuze van de man in augustus tot en met oktober, dan wel een door de rechtbank te bepalen periode, bij de man zal zijn voor primair een verblijf in Turkije subsidiair een verblijf in Nederland;

en een uitgebreide vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen;

IV. de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform het gestelde onder sub 7 en 8 in het verzoekschrift waarbij de man de echtelijke woning toebedeeld krijgt tegen een waarde van € 420.000,-;

V. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 6.540,-, zijnde de helft van de door de man sinds de peildatum betaalde aflossingen op de hypotheeklening, te vermeerderen met € 562,27 per maand vanaf juli 2021 tot aan de verdeling dan wel levering van de woning aan een derde.

De vrouw vindt dat de verzoeken van de man moeten worden afgewezen. Zij verzoekt de rechtbank om:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. een zorgregeling te bepalen waarbij de man zorgcontacten heeft met [minderjarige] gedurende de drie dagen dat de vrouw werkt, als ook één wisselend dagdeel in het weekend, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling;

III. vast te stellen dat de man vanaf heden € 489,25 per maand aan de vrouw moet betalen aan kinderalimentatie en € 1.250,- bruto per maand aan partneralimentatie;

IV. te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] wordt verkocht en geleverd aan een derde;

V. te bepalen dat de in deze te wijzen beschikking in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van het onroerend goed noodzakelijke toestemming en/of handelingen van de man;

VI. te bepalen dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;

VII. te bepalen dat de makelaarskosten en eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning worden betaald uit de verkoopopbrengst van de woning en dat indien dit onvoldoende blijkt, deze kosten bij helfte worden gedeeld;

VIII. te bepalen dat de man binnen vier dagen na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging, door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat hij niet meewerkt en € 200,- per dag dat de bezichtiging later is dan binnen de vier dagen;

IX. te bepalen dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning, op straffe van een dwangsom;

X. te bepalen dat de man ervoor zorg draagt dat de woning net en bezemschoon wordt opgeleverd;

XI. te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft van

€ 30.000,- te voldoen uit de overwaarde van de woning;

XII. te bepalen dat de banksaldi bij helfte worden gedeeld;

XIII. te bepalen dat de man de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld ex artikel 1:164 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op grond waarvan de man een vergoeding aan de vrouw dient te betalen van € 25.000,-.

4. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen en het Nederlands recht is daarop van toepassing.

Het ouderschapsplan

Het is partijen nog niet gelukt een ouderschapsplan te maken. In een ouderschapsplan staan de afspraken over de kinderen, zoals wanneer de kinderen bij wie zijn en hoe partijen elkaar op de hoogte houden over de kinderen. Als partijen geen ouderschapsplan hebben gemaakt, neemt de rechtbank geen beslissing totdat partijen zo’n plan hebben gemaakt. De rechtbank kan daarop een uitzondering maken als niet van partijen kan worden verwacht dat zij samen een ouderschapsplan maken.

De rechtbank bepaalt dat de partijen ontvankelijk zijn in hun verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken inhoudelijk worden behandeld. De rechtbank vindt namelijk dat van partijen niet kan worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken. Partijen kunnen het niet eens worden over de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats en de vakantieregeling. In deze beschikking zal de rechtbank zoveel mogelijk in het belang van [minderjarige] voorzien door te beslissen op de nevenverzoeken. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen zich blijven inzetten om te komen tot een betere onderlinge communicatie.

De echtscheiding

De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken, omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.

Hoofdverblijfplaats

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vaststellen bij de vrouw. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige] omdat hij het grootste gedeelte van de tijd bij de vrouw doorbrengt. De rechtbank merkt daarbij op dat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats niets afdoet aan het feit dat de ouders samen het gezag hebben. Dat betekent dat de ouders nog steeds samen de belangrijke beslissingen moeten nemen en dat zij elkaar moeten blijven informeren over [minderjarige] .

Zorgregeling

De rechtbank zal de volgende zorgregeling vaststellen tussen de man en [minderjarige] :

iedere week van dinsdag 9:00 uur tot woensdag 17:00 uur;

om de week van vrijdagochtend van 10:00 uur tot zondagavond 18:00 uur;

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] weer terugbrengt naar de vrouw;

en waarbij de overdracht plaatsvindt bij de ouders thuis.

Deze zorgregeling vindt de rechtbank het meest in het belang van [minderjarige] . Volgens partijen is er op dit moment veel onrust rondom de omgang omdat er veel wisselingen zijn. Ook ontstaat er veel spanning door de slechte verhouding tussen partijen, waar ook de familie van partijen een aandeel in heeft. De vrouw heeft verklaard dat [minderjarige] erg prikkelbaar is na een overdracht. In bovengenoemde zorgregeling heeft de rechtbank daarom het aantal wisselmomenten beperkt. Verder heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen dat het voor een jong kind erg belangrijk is dat er frequent contact plaatsvindt met beide ouders. Bovengenoemde zorgregeling is dan ook toekomstbestendig.

Verder vindt de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] dat de overdracht op een parkeerplaats plaatsvindt. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de overdracht in het vervolg bij de ouders thuis plaatsvindt. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders om dit zonder spanningen te laten plaatsvinden. Verder is de rechtbank van oordeel dat het halen en brengen van [minderjarige] ter uitvoering van de zorgregeling een gezamenlijk verantwoordelijkheid van de ouders is en dat dit halen en brengen gelijk, dus bij helfte tussen partijen verdeeld moet worden. De rechtbank bepaalt daarom dat de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en dat de man [minderjarige] weer naar de vrouw terugbrengt.

Vakanties en feestdagen

De vrouw heeft geen (inhoudelijk) verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om een uitgebreide vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen. De rechtbank zal daarom zijn verzoek toewijzen conform de brief van 11 januari 2021. Dit houdt – kort gezegd – in dat partijen de vakanties en feestdagen bij helfte verdelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de zomervakantie van 2021 al voorbij is.

Vervangende toestemming vakantie Turkije

De rechtbank zal de man vervangende toestemming verlenen – welke toestemming die van de vrouw vervangt – om met [minderjarige] in de periode van augustus 2021 tot en met oktober 2021 tien dagen op vakantie te gaan naar Turkije. De rechtbank vindt het namelijk in het belang van [minderjarige] dat hij op vakantie kan naar Turkije met zijn vader om familie te bezoeken. De rechtbank is het met de vrouw eens dat twee weken voor een jong kind te lang is, daarom verleent de rechtbank toestemming voor een vakantie van tien dagen.

Kinderalimentatie

De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 224,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Het meer of anders verzochte wijst de rechtbank af. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.

De ingangsdatum

Partijen hebben niets gesteld met betrekking tot de ingangsdatum van de kinderalimentatie. De rechtbank zal daarom de kinderalimentatie in laten gaan met ingang van de datum van deze beschikking.

De behoefte van [minderjarige]

De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op € 457,- per maand en zal hierna uitleggen hoe zij aan dit bedrag komt. In de beschikking voorlopige voorzieningen van 24 maart 2020 is de rechtbank uitgegaan van een behoefte van [minderjarige] van € 425,- per maand. De vrouw stelt dat de behoefte destijds te laag is vastgesteld omdat er vanuit wordt gegaan dat de vrouw niet werkte op het moment dat partijen uit elkaar gingen, terwijl zij wel een uitkering ontving. De man heeft dit niet betwist. Uit de IB aangifte van 2019 blijkt inderdaad dat de vrouw eenmalig een WW-uitkering heeft ontvangen van € 180,- en een Ziektewetuitkering van € 1.007,-. De rechtbank zal daarom de behoefte van [minderjarige] op dit punt corrigeren. De rechtbank houdt geen rekening met het inkomen bij [bedrijf] B.V. omdat de vrouw heeft verklaard dat het contract bij [bedrijf] al was beëindigd voor de geboorte van [minderjarige] . Uit bijgevoegde berekening (bijlage 1) volgt dat de vrouw in 2019 een netto besteedbaar inkomen had van € 99,- per maand. Uit de beschikking van 24 maart 2020 blijkt dat de man in 2019 een netto besteedbaar inkomen had van € 3.252,- per maand, zodat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 3.351,- per maand bedroeg.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige] werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van € 3.351,-, gemiddeld € 433,- per maand uitgaven voor hun kind. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 457,- per maand.

De draagkracht van de man

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 940,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Partijen zijn het eens dat voor het inkomen van de man uitgegaan moet worden van een bedrag van € 63.504,- bruto per jaar inclusief vakantietoeslag. Verder is niet in geschil dat rekening gehouden moet worden met € 4.592,- per jaar aan pensioenpremie en € 550,- per jaar aan aanvullende pensioenpremie. Uit bijvoegde berekening (bijlage 2) volgt dat het netto besteedbaar inkomen van de man € 3.347,- per maand bedraagt.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 3.347 =) € 1.004,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.000,- per maand. Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (3.347 – 1.000 – 1.004 =) € 1.343,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 940,- per maand. De overige 30% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’).

De draagkracht van de vrouw

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 178,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen.

Uit de loonstroken van de vrouw (productie 2 van de vrouw) blijkt dat zij een inkomen heeft van € 950,- bruto per maand op basis van een werkweek van gemiddeld 20 uur. De vrouw stelt dat zij op basis van dit inkomen een draagkracht heeft van € 25,- per maand. De man betwist dit en stelt dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij tenminste 30 uur per week werkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw deze stelling onvoldoende onderbouwd betwist. De rechtbank houdt daarom rekening met de verdiencapaciteit van de vrouw en gaat er vanuit dat de vrouw in staat is om 30 uur per week te werken. Het uurloon van de vrouw bedraagt € 10,96 bruto, zodat de rechtbank uitgaat van een bruto maandinkomen van € 1.315,-. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag, € 32,- per maand aan te betalen pensioenpremie, een te ontvangen kindgebonden budget van € 4.446,- per jaar en een inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 1.361,- per jaar. De rechtbank heeft berekend dat de vrouw bij dit inkomen een netto besteedbaar inkomen heeft van € 1.791,- per maand (bijlage 3).

Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 1.791=) € 537,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.000,- per maand. Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (1.791 – 537 – 1.000 =) € 254,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 178,- per maand. De overige 30% mag de vrouw vrij besteden (de ‘vrije ruimte’).

De verdeling van de kosten

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 940,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 178,- per maand. Samen hebben zij dus een draagkracht van € 1.118,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 457,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (940/1.118 x 457 =) € 384,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (178/1.118 x 457 =) € 73,- per maand dragen.

De zorgkorting

Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. [minderjarige] verblijft gemiddeld 2,5 dag per week bij de man. Daarnaast verblijft [minderjarige] de helft van de vakanties en feestdagen bij de man. Volgens de Expertgroep Alimentatie past daarbij een zorgkorting van 35% van de behoefte, dus € 160,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (384 - 160 =) € 224,- per maand moet betalen.

De alimentatie moet vooruit worden betaald

De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Partneralimentatie

De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 416,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Het meer of anders verzochte wijst de rechtbank af. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

De ingangsdatum

De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente). De rechtbank zal daarom van deze ingangsdatum uitgaan.

De huwelijksgerelateerde behoefte

Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.

De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 2.367,- netto per maand. Dat heeft de rechtbank als volgt berekend.

Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de zogeheten ‘Hof-norm’. Die Hof-norm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de Hof-norm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.

De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. De rechtbank gaat net als bij de kinderalimentatie er vanuit dat de man een netto besteedbaar inkomen had van € 3.252,- per maand. Er is in de beschikking van 24 maart 2020 geen rekening gehouden met inkomensgegevens aan de zijde van de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat hier wel rekening mee gehouden moet worden. Uit de IB-aangifte van 2019 volgt dat de vrouw in 2019 € 4.630,- heeft verdiend bij [bedrijf] B.V. Verder heeft de vrouw ook eenmalig een WW-uitkering ontvangen van € 180,- en een Ziektewetuitkering van € 1.007,-. Uit bijgevoegde berekening volgt dat de vrouw daarmee een netto besteedbaar inkomen had van € 485,- per maand (bijlage 4). Het netto besteedbaar gezinsinkomen komt daarmee op € 3.737,- per maand. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de Hof-norm dus 60% nodig. Dat was € 2.242,- netto per maand in 2019. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 2.367,- netto per maand.

De behoeftigheid

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 2.367,-) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen. De rechtbank vindt hier dat de vrouw niet in staat is om dat bedrag volledig zelfstandig te verdienen. Zij heeft behoefte aan een bijdrage van de man van € 1.759,- bruto per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij dat vindt.

Net als bij de kinderalimentatie is de rechtbank van oordeel dat de vrouw in staat is om 30 uur per week te werken en daarmee € 1.315,- bruto per maand te verdienen. De rechtbank verwijst voor de motivering hiervan naar punt 4.19. Het netto-inkomen van de vrouw bedraagt € 1.420,- per maand (bijlage 5), wat minder is dan haar huwelijksgerelateerde behoefte. De vrouw kan dus partneralimentatie vragen aan de man. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van € 1.759,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.

De draagkracht van de man

Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de man een bedrag van € 416,- bruto per maand kan betalen. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van dezelfde gegevens als onder punt 4.16.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welke kosten de man moet betalen uit dit inkomen. Over de volgende lasten van de man bestaat geen discussie:

€ 128,- per maand premie ziektekostenverzekering;

€ 74,- per maand premie aanvullende ziektekostenverzekering;

€ 32,- per maand eigen risico;

€ 91,- per maand aflossing schuld DUO.

In geschil zijn de woonlasten, de premie arbeidsongeschiktheid en de aflossing van de schulden. Omdat het onzeker is of de man de echtelijke woning kan overnemen of dat hij een woning zal moeten gaan huren, kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen hoe hoog de woonlasten van de man zullen zijn. De rechtbank houdt daarom – bij gebrek aan wetenschap – rekening met forfaitaire woonlasten van 30% van zijn netto besteedbaar inkomen, dat is

€ 1.004,- per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met € 17,- per maand aan premie arbeidsongeschiktheid. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd waarom de rechtbank van een ander bedrag uit zou moeten gaan. Tot slot houdt de rechtbank conform het uitgangspunt van de Expertgroep Alimentatienormen rekening met de advocaatkosten van de man van

€ 114,- per maand.

Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van € 1.077,- netto per maand over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak 60% beschikbaar voor partneralimentatie, oftewel € 646,- netto per maand. De overige 40% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Rekening houdend met de kosten van [minderjarige] van € 384,- per maand komt daarmee de draagkracht van de man op een bedrag van € 416,- bruto per maand. Dit volgt uit de berekening die als bijlage 6 bij deze beschikking is opgenomen.

De alimentatie moet vooruit worden betaald

De rechtbank zal beslissen dat de man de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.

Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap

Niet gesteld of gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd na 1 januari 2018. De rechtbank stelt dan ook vast dat tussen partijen een beperkte gemeenschap van goederen bestaat. Dit betekent dat alleen hetgeen de echtgenoten tijdens het huwelijk hebben opgebouwd, alsmede de goederen die vóór het huwelijk aan hen gezamenlijk toebehoren, tot de huwelijksgemeenschap behoren. Het voorhuwelijks vermogen, alsmede schenkingen en erfenissen blijven privé vermogen.

Peildatum voor de omvang en samenstelling

De gemeenschap van goederen is ontbonden op het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding op 22 januari 2020. Dat is ook de peildatum waarop moet worden vastgesteld wat de omvang van de gemeenschap is.

Peildatum voor de waardering

Als peildatum voor de waardering geldt als hoofdregel de datum van feitelijke verdeling, in de regel de datum van de beschikking, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken. De rechtbank zal dan ook van deze laatste datum uitgaan, tenzij hierna anders wordt vermeld.

Bestanddelen

Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd:

de echtelijke woning in [woonplaats] met daarop rustende hypothecaire geldlening;

de bankrekeningen;

de schuld aan het bedrijf van de vader van de man;

e sieraden.

Verder stelt de man een vergoedingsrecht te hebben op de vrouw wegens betaalde hypotheekaflossingen (e) en stelt de vrouw dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man wegens benadeling van de gemeenschap (f).

a) De woning en de hypotheek

De man wil de echtelijke woning toebedeeld krijgen tegen een waarde van

€ 420.000,-. Hij stelt dat voor de waarde van de woning op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum uitgegaan moet worden dan van de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank volgt de man hierin niet en zal, net zoals de vrouw stelt, uitgaan van de datum van feitelijke verdeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan naar de eisen van redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum uitgegaan zou moeten worden. De man heeft gesteld dat de vrouw de procedure heeft vertraagd, maar daar hebben beiden partijen een aandeel in gehad. Partijen hebben immers geen door hen beiden ondertekend ouderschapsplan overgelegd. Verder is het feit dat de vrouw maar één maand in de woning heeft gewoond en het feit dat de man alle lasten van de woning heeft gedragen na het uiteengaan van partijen, ook onvoldoende om van een andere datum uit te gaan. De man heeft immers ook het uitsluitend woongenot gehad van de woning. De rechtbank gaat daarom uit van een waarde van de woning van tenminste € 464.000,- (de WOZ-waarde). De man heeft ter zitting verklaard dat hij maximaal € 430.000,- kan betalen. Dit betekent dat de man de woning niet kan financieren en dat de woning aan een derde moet worden verkocht. De rechtbank zal daarom de verzoeken van de vrouw onder punt IV, V, VI, VII, VIII en X toewijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vrouw heeft verklaard dat de man mag meebieden op de woning en dat als hij € 1,- meer biedt dan het hoogste bod, de woning aan hem wordt toebedeeld. Het verzoek van de vrouw onder IX. wijst de rechtbank af omdat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom de man niet bij de bezichtigingen aanwezig zou mogen zijn.

b) De bankrekeningen

De man heeft een rekening met nummer [rekeningnummer 1] op zijn naam staan en op naam van de vrouw staat de rekening met nummer [rekeningnummer 2] . Partijen zijn het erover eens dat iedere partij de eigen rekeningen behoudt, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dit zo beslissen en het verzoek van de man hierover toewijzen.

c) De schuld aan het bedrijf van de vader van de man

De rechtbank zal bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de vader van de man van in totaal € 33.035,-. De man neemt deze schuld voor zijn rekening, waardoor de vrouw de helft van de waarde moet vergoeden aan de man. Hierna legt de rechtbank waarom zij deze beslissing neemt.

De man stelt dat partijen twee leningen hebben gesloten bij zijn vader voor de financiering en of verbouwing van de woning. Eén van € 42.010,- en één van € 13.000,- voor de stukadoor. De vrouw heeft de gestelde lening van € 13.000,- niet betwist. Zij dacht alleen dat het ging om een gift van de vader aan partijen, maar daar heeft de vrouw geen bewijs van overgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het ging om een lening. Er zit namelijk ook een schuldbekentenis in het dossier van 3 juni 2021 die van voor het uiteengaan van partijen is.

Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat er in de periode van 3 april 2018 tot 14 februari 2020 een geldstroom van € 42.010,- van de BV van de vader van de man, naar de man is gegaan. Dit was tijdens het huwelijk van partijen. Deze overschrijvingen hebben bovendien plaatsgevonden naast de betalingen van het salaris van de man die corresponderen met de overgelegde loonstroken. In diezelfde periode is er ook een geldstroom van € 21.975,- van de man naar de BV van de vader van de man gegaan. Dit wordt ook steeds als lening aangeduid. Dit betekent dat er een netto schuld overblijft van € 33.035,- in totaal. De vrouw betwist dat sprake is van een lening omdat er soms verkeerde vermeldingen staan bij de overschrijvingen. De rechtbank vindt het enkele feit dat er bij stortingen soms ‘terugbetaling lening’ staat en bij terugbetalingen ‘lening’ onvoldoende om er niet vanuit te gaan dat sprake is van een lening, omdat duidelijk is dat er meer geld van de BV van de vader van de man naar de man is gegaan, dan andersom.

Het voorgaande betekent dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de vader van de man van in totaal € 33.035,-. De man heeft verklaard dat hij deze schuld voor zijn rekening neemt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van de waarde daarvan moet vergoeden aan de man.

d) De sieraden

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om vast te stellen dat zij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 30.000,-, afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Tussen partijen staat vast dat er sieraden zijn verkocht ter financiering en of verbouwing van de woning. De man heeft de gestelde waarde niet betwist, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat de sieraden (voor een deel) zijn verkocht voor € 30.000,-.

De vrouw stelt dat de sieraden van haar alleen waren. De man betwist dit en stelt dat de sieraden van partijen gemeenschappelijk waren. De rechtbank zal het standpunt van de man hierin volgen. Partijen hebben immers de Nederlandse nationaliteit, zijn in Nederland getrouwd en wonen en werken in Nederland. In Nederland is het gebruikelijk dat cadeaus die bij een gelegenheid van een huwelijk worden gegeven, aan een bruidspaar gezamenlijk worden geschonken. In dit geval geldt dit ook omdat partijen van beide families van beide kanten sieraden van hele hoge waarde hebben gekregen. Daarnaast is er ook geld gegeven door gasten. Dat geld is vervolgens aangewend om de bruiloft van partijen (deels) van te financieren. De rechtbank vindt het onder die omstandigheden onaannemelijk dat de sieraden uitsluitend aan de vrouw zouden zijn geschonken. Dit betekent dat de vrouw geen vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap.

e) Hypotheekaflossingen

De rechtbank zal bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van

€ 6.540,-, zijnde de helft van de door de man sinds de peildatum betaalde aflossingen op de hypotheeklening, te vermeerderen met € 562,27 per maand vanaf juli 2021 tot aan de verdeling dan wel levering van de woning aan een derde.

De rechtbank wijst dit verzoek van de man toe, omdat bij aflossing van de hypotheek sprake is van vermogensvorming en de man na de peildatum vanuit zijn vermogen heeft afgelost op de hypotheekschuld. Die schuld komt voor rekening van beide partijen en kan niet verrekend worden met een gebruiksvergoeding. De vrouw heeft dit namelijk niet verzocht en een gebruiksvergoeding wordt doorgaans weggestreept tegen rente en kosten, en niet tegen aflossingen omdat deze vermogensvormend zijn.

f) Benadeling gemeenschap

De rechtbank wijst dit verzoek van de vrouw af omdat dit onvoldoende is onderbouwd. De vrouw stelt dat de man de gemeenschap heeft benadeeld met € 50.000,-, zodat hij € 25.000,- aan de vrouw moet betalen. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat hiervan sprake is geweest. De vrouw stelt dat de vader van de man gemachtigd is op de bankrekening van de man en dat de bankrekeningen van de vader van de man en van de man zelf veel verschuivingen vertonen. De vrouw heeft haar stelling echter op geen enkele manier onderbouwd. In punt 46 van het verweerschrift van de vrouw van 18 maart 2020 verzoekt zij inzage in de bankschriften van de man vanaf in ieder geval 20 juni 2019. Dit verzoek komt echter niet terug in het petitum. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit overigens ook een ‘fishing expedition’ zijn.

5. De beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum huwelijk] 2018 in [plaats] ;

stelt de hoofverblijfplaats van [minderjarige] vast bij de vrouw;

stelt de volgende zorgregeling vast tussen de man en [minderjarige] :

iedere week van dinsdag 9:00 uur tot woensdag 17:00 uur;

om de week van vrijdagochtend van 10:00 uur tot zondagavond 18:00 uur;

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] weer terugbrengt naar de vrouw;

en waarbij de overdracht plaatsvindt bij de ouders thuis;

stelt de vakantie- en feestdagenregeling vast conform de aangehechte bijlagen;

verleent toestemming aan de man – welke toestemming die van de vrouw vervangt – om met [minderjarige] in de periode van augustus 2021 tot en met oktober 2021 tien dagen op vakantie te gaan naar Turkije;

beslist dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van

€ 224,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;

beslist dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 416,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

beslist dat de man de kinder- en partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

gelast de wijze van verdelen van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap als volgt:

de man behoudt, zonder nadere verrekening:

- de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] ;

de vrouw behoudt, zonder nadere verrekening:

- de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] ;

beslist dat de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] wordt verkocht en geleverd aan een derde;

beslist dat deze beschikking voor zover nodig in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van het onroerend goed noodzakelijke toestemming en/of handelingen van de man;

beslist dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;

beslist dat de makelaarskosten en eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning worden betaald uit de verkoopopbrengst van de woning en dat indien dit onvoldoende blijkt, deze kosten tussen partijen bij helfte worden gedeeld;

beslist dat de man binnen vier dagen na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging, door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat hij niet meewerkt en € 200,- per dag dat de bezichtiging later is dan binnen de vier dagen;

beslist dat de man ervoor zorg draagt dat de woning net en bezemschoon wordt opgeleverd;

beslist dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de vader van de man van in totaal € 33.035,-. De man neemt deze schuld voor zijn rekening. De vrouw moet de helft van de waarde vergoeden aan de man;

beslist dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 6.540,-, zijnde de helft van de door de man sinds de peildatum betaalde aflossingen op de hypotheeklening, te vermeerderen met € 562,27 per maand vanaf juli 2021 tot aan de verdeling dan wel levering van de woning aan een derde;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, kinderrechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.E. Broersma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?