RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/516618 / FA RK 21-290 (echtscheiding)
C/16/521377 / FA RK 21-1041 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Beschikking van 9 september 2021
in de zaak van:
[de man] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.G. Ton,
tegen
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J. van Ommeren.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de man met bijlage 1, binnengekomen op 29 januari 2021;
het verweerschrift van de vrouw met zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 12 april 2021;
het verweerschrift van de man tegen de zelfstandige verzoeken van 10 mei 2021 met gewijzigde verzoeken en bijlagen 1 tot en met 3;
het F-formulier van de vrouw van 16 juli 2021 met bijlagen 1 tot en met 3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 12 augustus 2021. Daarbij waren beide partijen met hun advocaten aanwezig.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 2020 in [plaats] .
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
Op 30 maart 2020 hebben partijen bij een notaris huwelijkse voorwaarden laten maken en getekend.
3. Verzoeken en verweer
De man verzoekt:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] aan de man toekomt;
III. te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 6.000,- aan de man moet betalen in verband met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
De vrouw voert verweer. Zij verzoekt:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. te bepalen dat de man een bedrag van € 1.000,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
III. te bepalen dat de man een bedrag van € 1.000,- aan de vrouw moet betalen in verband met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en dat hij de vrouw haar gouden armband afgeeft.
4. De beoordeling
Echtscheiding
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Partijen zijn het er namelijk over eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dit betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Huurrecht
De rechtbank bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Partijen zijn het er namelijk over eens dat de man de huurovereenkomst voortzet.
Partneralimentatie
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 544,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het meer of anders verzochte wijst de rechtbank af. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
De rechtbank is het met de man eens dat de vrouw haar behoefte niet heeft onderbouwd. Zij heeft namelijk geen behoeftelijst opgesteld en ook geen berekening gemaakt van haar behoefte volgens de ‘Hof-norm’. Tegelijkertijd staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk een zelfstandige woonruimte had, wat verder gaat dan het wonen op een kamer bij familie zoals zij noodgedwongen nu moet doen. De rechtbank vindt het dan ook redelijk om er vanuit te gaan dat de vrouw een huwelijksgerelateerde behoefte had van tenminste de bijstandsnorm voor een alleenstaande, dat is € 1.179,- netto per maand.
De behoeftigheid
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen.
De rechtbank vindt dat de vrouw niet in staat is om dat bedrag volledig zelfstandig te verdienen. De vrouw ontvangt € 666,- netto per maand aan studiefinanciering. Dit betekent dat zij € 513,- netto per maand tekort komt. De vrouw kan dus partneralimentatie vragen aan de man. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van € 544,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien. Dit betekent dat de vrouw maximaal een bijdrage van € 544,- bruto per maand aan de man kan vragen.
De draagkracht van de man
De rechtbank stelt vast dat de man voldoende draagkracht heeft om die bijdrage te betalen. Hierna legt de rechtbank uit waarom.
Vast staat dat de man samen met zijn vader vennoot is van de onderneming ‘ [bedrijf] ’. Uit de IB aangifte van 2020 (productie 3 van de man) blijkt dat de totale winst uit onderneming in 2020 € 70.389,- was en dat de man een winstaandeel had van
€ 7.039,-. Dit betekent dat de man slechts 10% van de winst uit onderneming ontvangt, hoewel hij vijf dagen per week werkt. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een schijnconstructie die geen recht doet aan de werkelijkheid. De man werkt namelijk fulltime, terwijl hij onder het minimumloon betaalt krijgt. Dit wordt versterkt door de verklaring van de man ter zitting dat hij wordt onderhouden door zijn vader en dat zijn vader de overige kosten voor hem betaalt. De rechtbank gaat er dan ook net als de vrouw vanuit dat de man in staat is om 50% te verdienen, oftewel € 35.195,-. De man voert verder geen lasten op. Bij gebrek aan gegevens houdt de rechtbank rekening met € 500,- per maand aan huur. Uitgaande van deze gegevens, de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek heeft de rechtbank berekend dat de man een draagkracht heeft van € 958,- per maand. Die berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De ingangsdatum
De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente). De rechtbank gaat daarom van deze datum uit als ingangsdatum.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
De rechtbank zal beslissen dat de man de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Hierin hebben zij de algehele gemeenschap van goederen uitgesloten en zijn zij een finaal verrekenbeding overeengekomen dat inhoudt dat zij aan het einde van hun huwelijk hun privévermogens verrekenen alsof zij in wettelijke en dus beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd (artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden). Een dergelijk finaal verrekenbeding betreft een zogenoemde pseudo-gemeenschap. Van een verdeling of toedeling kan geen sprake zijn, want er is geen gemeenschap van goederen ontstaan. De goederen en schulden van de man zijn en blijven van de man en de goederen en schulden van de vrouw zijn en blijven van de vrouw. Wel kunnen er tussen partijen eenvoudige gemeenschappen zijn ontstaan, die verdeeld dienen te worden. Partijen gaan er beiden vanuit dat zij op basis van het finaal verrekenbeding met elkaar tot verrekening dienen over te gaan. Net als partijen neemt de rechtbank dit ook als uitgangspunt.
Peildatum voor de verrekening
Als peildatum voor de samenstelling van het te verrekenen vermogen dient op grond van artikel 9.2 van de huwelijkse voorwaarden te worden gehanteerd de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, dat is 29 januari 2021.
Peildatum voor de waardering
Bij de bepaling van de waarde van de goederen geldt voor zover die in de verrekening moeten worden betrokken in beginsel dezelfde datum. Voor zover deze verdeeld zouden moeten worden omdat het een eenvoudige gemeenschap betreft geldt in beginsel als peildatum het tijdstip van de verdeling, maar uit hetgeen partijen zijn overeengekomen en uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan dient te worden afgeweken.
Bestanddelen
De rechtbank zal in het hiernavolgende de verschillende vermogensbestanddelen van partijen bespreken en de verzoeken die zij daarover over en weer hebben gedaan. Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen genoemd:
de inboedel;
de sieraden, waaronder een gouden armband;
de bankrekeningen.
Inboedel
De rechtbank stelt vast dat geen van partijen exact heeft aangegeven welke inboedelgoederen tot wiens eigendom behoren en welke goederen van partijen gezamenlijk zijn. De rechtbank kan alleen goederen verdelen die partijen in gemeenschappelijk eigendom hebben. Omdat de rechtbank niet kan vaststellen welke goederen gemeenschappelijk zijn, kan de rechtbank geen beslissing op dit punt nemen. Verder geldt over het algemeen dat inboedelgoederen zeer weinig waarde hebben. Partijen hebben niet per goed aangegeven van wie het goed is en wat daarvan de waarde is. Alles wat partijen daarover aanvoeren is een slag in de lucht en niet onderbouwd. De rechtbank kan daarom geen verrekenvordering vaststellen. Voor zover er inboedelgoederen zijn die wel gemeenschappelijk zijn, zal de rechtbank die toedelen aan degene die onder zich heeft, onder vergoeding van de helft van de waarde op de peildatum aan de wederpartij.
Afgifte gouden armband
De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw toewijzen. Tussen partijen staat immers vast dat het gaat om een vrouwensieraad. Op basis van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden wordt dit sieraad dan ook vermoed eigendom van de vrouw te zijn. De rechtbank zal daarom de man bevelen de gouden armband aan de vrouw af te geven.
Overige sieraden
Tussen partijen is in geschil of de overige sieraden gemeenschappelijk eigendom zijn of alleen aan de vrouw toebehoren. Voor zover het gaat om de sieraden die de vrouw heeft gekregen van de man als geschenk, behoren die alleen aan haar toe en worden deze ook niet verrekend omdat giften buiten de verrekening vallen. Voor zover het gaat om sieraden die partijen van bruiloftsgasten en of familie hebben gekregen, geldt dat onduidelijk is aan wie van partijen de sieraden zijn geschonken. De vrouw stelt dat de sieraden alleen aan haar zijn geschonken en de man stelt dat zij aan hun beiden zijn geschonken. Voor zover het gezamenlijke sieraden zijn, zal de rechtbank die toedelen aan de partij die deze onder zich heeft, onder vergoeding van de helft van de waarde op de peildatum aan de wederpartij. Doordat de waarde van de sieraden door geen van partijen is onderbouwd, kan de rechtbank bij gebrek aan gegevens geen waarde vaststellen en dus ook geen verrekenvordering vaststellen. Deze verzoeken wijst de rechtbank daarom af.
Bankrekeningen
De man heeft in zijn verzoek genoemd dat hij van mening is dat de bestaande bankrekeningen die op naam van de man staan, toekomen aan de man en de bankrekeningen die op naam van de vrouw staan, toekomen aan de vrouw. Dit is echter geen expliciet verzoek en is ook niet opgenomen in het petitum. Bij gebrek aan gegevens kan de rechtbank geen verrekenvordering vaststellen. De rechtbank wijst daarom, voor zover aanwezig, dit verzoek van de man af.
5. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen gehuwd op [datum huwelijk] 2020 in [plaats] ;
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurder is van de woning aan de [adres] in [woonplaats] ;
beslist dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 544,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
beslist dat de man deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
bepaalt dat de inboedelgoederen die partijen gemeenschappelijk in eigendom hebben, worden toegedeeld aan degene bij wie de inboedelgoederen zich feitelijk bevinden, onder vergoeding van de helft van de waarde op de peildatum aan de wederpartij;
beveelt dat de man aan de vrouw de gouden armband afgeeft;
bepaalt dat de sieraden die partijen gemeenschappelijk in eigendom hebben, worden toegedeeld aan degene bij wie de sieraden zich feitelijk bevinden, onder vergoeding van de helft van de waarde op de peildatum aan de wederpartij;
verklaart de beslissing onder punt 5.2 tot en met 5.7 tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, kinderrechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2021.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.