RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/507873 / FA RK 20-4889
C/16/514471 / FA RK 20-7224
Beschikking van 18 oktober 2021
in de zaak van:
[de man] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.X.C. Peters,
tegen
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats 2] , gemeente Utrechtse Heuvelrug ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C.E. van de Pas-Rutgers van der Loeff.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de man met bijlagen 1 tot en met 4, binnengekomen op 13 augustus 2020;
het verweerschrift van de vrouw met zelfstandige verzoeken en bijlagen 1 tot en met 18, binnengekomen op 17 december 2020;
de brief van de vrouw van 4 januari 2021 met bijlage 19;
de brief van de vrouw van 13 januari 2021 met bijlage 7a, 7b, 11 en 20 tot en met 24;
het verweerschrift van de man met aanvullende verzoeken van 10 februari 2021 met bijlagen 5 tot en met 36;
het verweerschrift van de vrouw met aanvullende verzoeken van 2 april 2021 met bijlagen 25 tot en met 38;
de brief van de man van 2 september 2021 met wijziging verzoeken en bijlagen 37 tot en met 49;
de brief van de vrouw van 3 september 2021 met bijlagen 39 tot en met 51;
de brief van de vrouw van 15 september 2021 met bijlagen 52 tot en met 56.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 16 september 2021. Hierbij waren beide partijen met hun advocaten aanwezig.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 1988 in [plaats] , Irak.
Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
Partijen hebben vier meerderjarige kinderen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 18 augustus 2020, die later is hersteld bij beschikking van 25 september 2020, voorlopige voorzieningen getroffen en het volgende bepaald:
dat de vrouw vanaf 15 juli 2020 een bedrag van € 1.955,- bruto per maand aan de man moet betalen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.
3. Verzoeken en verweer
De man verzoekt:
de scheiding van tafel en bed uit te spreken tussen partijen;
te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 2.787,- bruto per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud, vanaf het moment van inschrijving van de scheiding van tafel en bed in het huwelijksgoederenregister;
te bepalen dat de vrouw de gelegenheid krijgt de onverdeelde helft van de man in de woning over te nemen tot uiterlijk drie maanden na inschrijving van scheiding van tafel en bed in het huwelijksgoederenregister, onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijkheid van de hypotheek bij de ABN AMRO Bank en onder de voorwaarde van uitkering van de helft van de overwaarde van de woning aan de man, waarbij de waarde van de woning wordt vastgesteld per datum verdeling door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige;
te bepalen dat de waarde van de spaarpolis bij ABN AMRO Levensverzekering bij helfte wordt gedeeld en wordt ingelost op de hypotheek per datum van overdracht van de woning of per datum verkoop van de woning aan derden;
te bepalen dat indien de vrouw de woning niet binnen een door de rechtbank gestelde termijn overneemt en onder de door de rechtbank te stellen voorwaarden, de woning wordt verkocht door een door de rechtbank aan te wijzen makelaar en te bepalen dat beide partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de verkoop, daaronder begrepen dat aanwijzingen van de makelaar worden opgevolgd ten behoeve van een spoedige verkoop, daaronder begrepen dat de vrouw medewerking verleent aan door de makelaar te houden bezichtigingen, zonder aanwezigheid van de vrouw of anderen dan geïnteresseerde belanghebbenden;
te bepalen dat de vrouw aan de man betaalt een bedrag van € 189,60 ter zake de door de man betaalde kosten onroerende zaak belasting en heffingen;
te bepalen dat de gezamenlijke bankrekeningen bij ABN AMRO Bank aan de vrouw worden toebedeeld, met verrekening van de banksaldi per datum indiening verzoekschrift (23 augustus 2020) en te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 5.000,-;
voorwaardelijk, in het geval de vrouw een verrekenvordering mocht instellen ter zake de door de vrouw betaalde hypotheektermijnen (rente en premies), te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding dient te voldoen aan de man van € 500,- per datum van indiening van het verzoekschrift.
De vrouw voert verweer. Zij verzoekt:
I. te bepalen dat de vrouw na scheiding van tafel en bed bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de inboedel daarvan behorende zaken;
II. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag betaalt van € 324.135,97 ter zake de bruidsgave;
III. te bepalen dat de eenvoudige gemeenschap van de woning als volgt wordt verdeeld:
a. de woning wordt aan de vrouw toebedeeld, onder ontslag van de man van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, met de bepaling dat de vrouw de aflossing van de hypothecaire lening in zijn geheel op zich neemt. Onder vergoeding van de man van de waarde van de woning volgens het taxatierapport van [taxateur] na aftrek van de hypotheekschuld;
b. subsidiair: de waarde van de woning wordt bepaald door een nieuwe taxatie met een waarde peildatum exact tussen 21 juli 2020 en 23 september 2020 door een taxateur die zal worden aangewezen door de rechtbank, welke taxatie door NWWI dient te worden gevalideerd, waarna als waarde van de woning voor de verdeling het gemiddelde zal worden genomen van de taxaties van [taxateur] en de nieuwe taxatie;
c. meer subsidiair: de waarde van de woning wordt bepaald door een nieuwe taxatie met een waarde peildatum exact tussen 21 juli 2020 en 23 september 2020 door een taxateur die zal worden aangewezen door de rechtbank, welke taxatie door NWWI dient te worden gevalideerd en als waarde wordt opgenomen voor de verdeling;
IV. te bepalen dat het spaarsaldo van de rekening met nummer [rekeningnummer] bij de ABN AMRO aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening;
V. te bepalen dat de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen van partijen aan de vrouw toekomen, zonder nadere verrekening.
4. Beoordeling
Echtscheiding
De man heeft bij brief van 2 september 2021 het verzoek tot echtscheiding ingetrokken. De rechtbank hoeft op dit verzoek en de daarbij behorende nevenverzoeken dan ook geen beslissing meer te nemen.
Scheiding tafel en bed
Conclusie
De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot scheiding van tafel en bed en partijen daarom ook niet-ontvankelijk verklaren in hun (zelfstandige) verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het wettelijk kader en het beginsel van een goede procesorde
De wet biedt ruimte om verzoeken dan wel de gronden die daaraan zijn verbonden te wijzigen en of te vermeerderen zolang er nog geen eindbeslissing is gegeven. Dit volgt uit artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In het geval van een verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv van toepassing. Toepassing van dit artikel brengt mee dat een verandering of vermeerdering buiten beschouwing kan worden gelaten op de grond dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het beginsel van een goede procesorde brengt met zich mee dat, in dit geval, het verzoek tijdig en zoveel mogelijk met stukken wordt onderbouwd, zodat de wederpartij en de rechter (en eventuele andere betrokkenen) voorafgaand aan de zitting op de hoogte zijn van de stellingen van de procespartij zodat zij daar op de zitting op kunnen reageren of zich tegen kunnen verweren.
De rechtbank vindt dat de wijziging van het verzoek van de man in strijd is met het beginsel van een goede procesorde. De man heeft namelijk pas op 2 september 2021 zijn verzoek gewijzigd, terwijl de procedure al ruim een jaar liep. Ook was dit erg kort voor de zitting en lang na indiening van het verweerschrift van de vrouw (dat was op 17 december 2020). Verder is de rechtbank van oordeel dat het gelet op de aard en de omvang van het verzoek gaat om een ingrijpende wijziging. De man wenst immers niet langer de echtscheiding, maar verzoekt de scheiding van tafel en bed uit te spreken. Dit onderwerp werkt door in de nevenverzoeken, met name ten aanzien van de bruidsgave waarbij mogelijk deskundigen moeten worden ingeschakeld. De rechtbank volgt de vrouw dat zij hierover redelijkerwijs niet tijdig een (schriftelijk) standpunt heeft kunnen formuleren met onderbouwing en dat indien het gewijzigde verzoek wordt behandeld haar belangen onevenredig worden geschaad. Daarbij heeft ook de rechtbank zich gelet op de genoemde omstandigheden niet voldoende kunnen voorbereiden voor de geplande zitting.
De nevenvoorzieningen
De rechtbank kan ingeval de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, bepaalde nevenvoorzieningen treffen (artikel 827 Rv). Omdat de man zijn verzoek om het uitspreken van de echtscheiding heeft ingetrokken en het verzoek om het uitspreken van de scheiding van tafel en bed niet-ontvankelijk wordt verklaard, is er geen grondslag meer voor de nevenvoorzieningen die door partijen zijn verzocht. Deze verzoeken worden ook niet-ontvankelijk verklaard.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot scheiding van tafel en bed;
verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun (zelfstandige) verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. V.E. van der Does, rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2021.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.