RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de minister voor Rechtsbescherming, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2978
(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
(gemachtigde: mr. K.W. Hau).
Procesverloop
In het besluit van 12 april 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor de functie van onderhoudskundige bij [bedrijf] afgewezen.
In het besluit van 29 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
5. Aan het objectieve criterium is dan ook voldaan en verweerder heeft dat voldoende gemotiveerd.Het subjectieve criterium
6. Eiser is het er verder niet mee eens dat verweerder het verscherpt toetsingskader van toepassing acht, omdat evident geen sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het verscherpt toetsingskader, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd, wel van toepassing is, omdat eiser eenmaal in de twintig jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling is veroordeeld wegens een zedendelict en er sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Omdat het verscherpt toetsingskader van toepassing is wordt de VOG alleen afgegeven als de weigering ervan evident disproportioneel is.
7. De rechtbank geeft eiser ook hierin geen gelijk. Zoals hiervoor al is overwogen is niet uitgesloten dat eiser in een één-op-één situatie komt met een (afhankelijk) klein kind. Dan kan een gezags- of afhankelijkheidsrelatie ontstaan. En eiser is in de twintig jaar voorafgaand aan de beoordeling van deze aanvraag veroordeeld wegens een zedendelict. Daarom heeft verweerder het verscherpte toetsingskader van toepassing mogen achten. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de weigering van de VOG aan eiser niet evident disproportioneel is.
8. Verweerder heeft hiervoor allereerst gekeken naar de strafrechtelijke afdoening van het gepleegde delict. Verweerder is van mening dat de strafrechter eiser het zedendelict, gelet op de onvoorwaardelijke veroordeling tot een werkstraf van 180 uur, niet licht heeft aangerekend. Er is dan ook geen sprake van een licht feit volgens verweerder. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat het slachtoffer minderjarig was en eiser meerderjarig ten tijde van het delict. Ook het tijdsverloop heeft verweerder (nog) niet in het voordeel van eiser laten spreken, omdat eisers veroordeling ruim binnen de termijn van twintig jaar valt. Op zitting is door verweerder toegelicht dat in beginsel na 15 jaar het tijdsverloop in het voordeel van de aanvrager gaat spreken en zover is het nog niet voor eiser. Dat eiser na zijn veroordeling niet meer met justitie in aanraking is geweest, vindt verweerder positief, maar verandert hier niets aan. Verweerder heeft ook nog meegewogen dat niet gezegd is dat eiser geen VOG voor een andere functie zou kunnen krijgen en ook niet dat hij nooit meer voor hetzelfde doel als bij deze aanvraag een VOG kan krijgen. De rechtbank oordeelt dat verweerder dit mede van belang heeft kunnen achten. De rechtbank begrijpt uiteraard dat het voor eiser belangrijk is om een VOG te krijgen en dat de afwijzing daarvan grote gevolgen voor hem heeft, maar toch vindt zij dat verweerder – alles overziend – het belang om kwetsbare personen in de samenleving te beschermen hier belangrijker heeft mogen vinden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder tot deze afweging en uitkomst heeft kunnen komen.Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.