[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: J. Hillenaar).
Inleiding
Eiser is eigenaar van een monumentale woning aan [adres] in [plaats] . In dit pand heeft eiser interne werkzaamheden laten uitvoeren. Na een binnengekomen melding heeft een toezichthouder van het college op 11 mei 2020 een controle uitgevoerd naar de uitgevoerde werkzaamheden. Tijdens deze controle is een mondelinge bouwstop opgelegd omdat eiser voor de werkzaamheden volgens het college niet beschikte over een daartoe vereiste omgevingsvergunning. De mondelinge opgelegde bouwstop van 11 mei 2020 is op 13 mei 2020 schriftelijk aan eiser bevestigd.
In de bouwstop wordt eiser verplicht om de werkzaamheden in het pand te staken en gestaakt te houden. Als eiser zich niet houdt aan de bouwstop en de werkzaamheden in het pand voorzet, dan verbeurt eiser een eenmalige dwangsom van € 10.000,-.
In het besluit van 18 december 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Op 17 december 2021 (het herstelbesluit) heeft het college een herstelbesluit genomen waarin werkzaamheden aan [adres] weer gedeeltelijk worden toegestaan door het college. Het herstelbesluit is genomen vanwege een door eiser ingediend herstelplan.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Omvang van het geding
4. De rechtbank toetst in deze procedure aan de hand van dit toetsingskader of het college op 12 mei 2020 mocht besluiten om de bouwstop aan eiser op te leggen. Mocht het college een bouwstop opleggen?
5. Bij het college is een melding binnengekomen over mogelijke illegale werkzaamheden in het pand aan [adres] . [adres] is een rijksmonument in [plaats] . Naar aanleiding van deze melding hebben toezichthouders een controle uitgevoerd in het pand. Bij deze controle is door toezichthouders geconstateerd dat een deel van de tussenwand in de gang naar de woonkamer was gesloopt. Ook verlaagde plafonds waren gesloopt. Zowel de gesloopte tussenmuur als de gesloopte plafonds hebben monumentwaarden die beschermd worden. Eiser beschikte niet over een omgevingsvergunning om de uitgevoerde werkzaamheden te verrichten. De toezichthouders hebben om die reden kort na de uitgevoerde controle telefonisch een bouwstop opgelegd aan eiser. De bouwstop heeft betrekking op de activiteiten bouwen en het wijzigen van een rijksmonument.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser een omgevingsvergunning nodig heeft voor de activiteit wijzigen van een rijksmonument. Ook is niet in geschil dat eiser op het moment van de werkzaamheden niet beschikte over deze omgevingsvergunning. Dat betekent dat het college bevoegd was om een bouwstop op te leggen vanwege overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo. Gelet op het spoedkarakter van de bouwstop – zoals is overwogen in rechtsoverweging drie – hoefde het college bij het opleggen van deze bouwstop geen onderscheid te maken tussen activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en omgevingsvergunningsvrije activiteiten. Het college mocht naar het oordeel van de rechtbank een bouwstop opleggen voor het gehele project. Dat wil zeggen voor alle werkzaamheden die op dat moment plaatsvonden in [adres] . Dat later in het herstelbesluit blijkt dat de bouwstop ook is opgelegd voor werkzaamheden die zonder omgevingsvergunning uitgevoerd mochten worden, betekent – gelet op rechtsoverweging drie – niet dat deze geen onderdeel van de opgelegde bouwstop mochten uitmaken. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het college terecht een bouwstop heeft opgelegd, kunnen de hiertegen gerichte beroepsgronden niet slagen. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het herstelbesluit
7. Het beroep van eiser is, gelet op overweging twee, van rechtswege mede gericht tegen het herstelbesluit. In het herstelbesluit heeft het college de bouwstop opgeheven voor zover de bouwstop zag op vergunningsvrije werkzaamheden. Volgens eiser gaat het herstelbesluit niet ver genoeg. De bouwstop moet voor meer werkzaamheden worden opgeheven.
8. De rechtbank heeft in overweging zes geoordeeld dat de bouwstop terecht is opgelegd. Het herstelbesluit dat voorligt, strekt tot gedeeltelijke wijziging van de bouwstop. De gronden van eiser zijn niet gericht tegen de vergunningsvrije activiteiten die geen onderdeel meer uitmaken van de bouwstop, maar uitsluitend op de werkzaamheden die na het herstelbesluit nog onderdeel uitmaken van de bouwstop. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd welke werkzaamheden nog meer geen onderdeel meer uit mogen maken van de bouwstop. Ook heeft eiser nagelaten te onderbouwen om welke reden deze niet nader genoemde werkzaamheden geen onderdeel meer uit mogen maken van de bouwstop. Dat betekent dat de beroepsgrond tegen het herstelbesluit niet slaagt. Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond. Conclusie
9. Het beroep tegen de bouwstop is ongegrond. Het college was bevoegd om een bouwstop op te leggen voor het gehele project.
10. Ook het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het herstelbesluit onrechtmatig is.
11. Omdat beide beroepen ongegrond zijn, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 9 februari 2022 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.