ECLI:NL:RBMNE:2022:5904

ECLI:NL:RBMNE:2022:5904, Rechtbank Midden-Nederland, 22-12-2022, 22/2182 en 22/2192

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/2182 en 22/2192
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2024:7088
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0005537 BWBR0007119

Samenvatting

Kwalificatie verzoek eiser om een afzonderlijke woz-beschikking te nemen voor het mandelig aandeel in het openbare gebied rondom zijn appartementencomplex. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] (de heffingsambtenaar)

(gemachtigden: M.C.M. van Roon en M.H. Bouwmeester Berends).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 maart 2022 (de bestreden uitspraken op bezwaar).

Eiser heeft voor het jaar 2020 en het jaar 2021 een aanslag voor de OZB ontvangen voor zijn appartement aan de [adres] in [woonplaats] . De heffingsambtenaar heeft de waarde van deze woning op 1 januari 2019 vastgesteld op € 410.000,- en op 1 januari 2020 op € 437.000,-. Dit staat in de WOZ-beschikkingen van 31 januari 2020 en 30 januari 2021.

Met de bestreden uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de WOZ- beschikkingen van 31 januari 2020 en 30 januari 2021 ongegrond verklaard. Eiser is hiertegen in beroep gegaan.

De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 21 december 2022 op een hybride zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de heffingsambtenaar. Eiser was aanwezig in de zittingzaal en de gemachtigden van de heffingsambtenaar hebben de zitting bijgewoond via Teams.

Beoordeling door de rechtbank

Waar oordeelt de rechtbank over in deze procedure?

1. De rechtbank stelt het volgende voorop. In de stukken en op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij graag een oplossing wil voor zijn conflict met de gemeente, dat onder meer gaat over een kettingbeding in zijn koopakte die hij gedwongen heeft moeten aanvaarden, twee inpandige garages die niet zijn geleverd bij de koop en een afkoopsom voor het onderhoud van het mandelige terrein.

2. Het is duidelijk dat de punten die eiser noemt belangrijk zijn voor hem – hij procedeert om deze redenen al vele jaren –, maar de rechtbank kan daar in deze zaak geen oordeel over geven. De rechtbank kan in deze uitspraak alleen maar beoordelen of de bestreden uitspraken op bezwaar rechtmatig zijn, en die gaan over WOZ-waarde van de woning aan de [adres] .

Het oordeel van de rechtbank over de bestreden uitspraken op bezwaar

3. Eiser voert in de eerste plaats een procedureel punt aan. Volgens hem hebben de bestreden uitspraken op bezwaar geen juridische bewijskracht, omdat deze niet zijn gewaarmerkt (ondertekend). De rechtbank is het hier niet mee eens. De wet eist niet dat uitspraken op bezwaar worden gewaarmerkt. De bestreden uitspraken op bezwaar voldoen aan de eisen die de wet stelt aan een besluit. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de bestreden uitspraken op bezwaar door de heffingsambtenaar zijn genomen.

4. Eisers inhoudelijke beroepen richten zich niet tegen de waarde van de woning aan de [adres] , maar gaan over de vraag of de heffingsambtenaar voor de jaren 2020 en 2021 nog een afzonderlijke WOZ-beschikking had moeten nemen voor zijn mandelige aandeel in het gebied de [locatie] . Eiser is namelijk ook voor 1/736e deel mede-eigenaar van 18 mandelige percelen in dit gebied. Hij vindt dat de heffingsambtenaar in de WOZ-beschikkingen een duidelijke link moet leggen tussen de waarde van zijn appartement en de waarde van zijn mandelige aandeel in de [locatie] . Eiser wil daar dus aparte WOZ-beschikkingen voor.

5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat voor eisers mandelige aandeel in de [locatie] geen afzonderlijke WOZ-beschikking kan worden genomen. Dit aandeel is volgens de heffingsambtenaar geen afzonderlijk WOZ-object en de waarde ervan is (dus) betrokken bij de waardering van de woning aan de [adres] .

6. Ook op dit punt is de rechtbank het niet met eiser eens. De rechtbank stelt vast dat eiser al verschillende procedures bij deze rechtbank heeft gevoerd waarin de vraag aan de orde is geweest of voor zijn mandelige aandeel een afzonderlijke WOZ-beschikking moet worden genomen. De rechtbank heeft steeds geoordeeld dat eisers mandelige aandeel in de [locatie] moet worden gezien als onderdeel van de woning en dat de heffingsambtenaar geen afzonderlijke WOZ-beschikking kan nemen voor dat mandelige aandeel. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de uitspraken van de rechtbank op 16 maart 2021 bevestigd. Dit oordeel is onherroepelijk geworden na het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021. De rechtbank ziet geen reden om hier in deze procedure anders over te oordelen.

7. Eiser heeft er in de stukken en op de zitting op gewezen dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2013 de waarde van het mandelige gebied op € 10.700,- heeft vastgesteld, maar dit is voor deze procedure niet meer van belang. De heffingsambtenaar heeft op de zitting toegelicht dat er toen een waardering heeft plaatsgevonden, omdat een gedeelte van het mandelige aandeel pas in 2017 is geleverd. Deze zaak gaat over de belastingjaren 2020 en 2021.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2022.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?