ECLI:NL:RBMNE:2022:6645

ECLI:NL:RBMNE:2022:6645, Rechtbank Midden-Nederland, 29-03-2022, C/16/522269 / FO RK 21-516

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 29-03-2022
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer C/16/522269 / FO RK 21-516
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Geschillen tussen twee moeders en twee vaders over co-ouderschap kind. Nietigheid erkenning, vervangende toestemming erkenning, voorlopige omgangsregeling met dwangsom, onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/522269 / FO RK 21-516

erkenning en omgang

Beschikking van 29 maart 2022

in de zaak van:

[A] en [B],

beiden wonende in [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

hierna samen te noemen: de vaders,

hierna apart te noemen: [A] en [B] ,

advocaat mr. D.J.I. Kroezen,

tegen

[C] en [D],

beiden wonende in [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

hierna samen te noemen: de moeders,

hierna apart te noemen: [C] en [D] ,

advocaat mr. J. Breeveld,

met als belanghebbende

mr. P.M.A.C. VAN DE WOUW,

kantoorhoudende in Utrecht,

als bijzondere curator over het kind [minderjarige].

1. De procedure

De rechtbank heeft op 1 december 2021 en 13 december 2021 eerdere (tussen)beschikkingen gegeven. Voor het verloop van de procedure tot 13 december 2021 verwijst de rechtbank naar die beschikkingen.

Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

de brief van 18 januari 2022 van de vaders, met bijlagen 21 t/m 24;

de brief van 4 februari 2022 van de moeder, met bijlagen 1 t/m 3;

het F-formulier van 7 februari 2022 van de moeders;

de brief van 7 februari 2022 van de vaders;

het e-mailbericht van 8 februari 2022 van de moeders.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 1 maart 2022. Daarbij waren aanwezig:

de vaders met mr. L.W. Castelijns (als vervanger voor haar kantoorgenoot mr. Kroezen),

de moeders met hun advocaat,

de bijzondere curator (op grond van artikel 1:212 BW),

de heer [E] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [plaats 2] ,

mevrouw J.M. Bult, als tolk Engels voor de vaders.

2. Waar het over gaat

De feiten

De vaders hebben een geregistreerd partnerschap sinds [2014] .

De moeders hebben een geregistreerd partnerschap sinds [2020] .

Partijen hebben afgesproken dat [C] zwanger zou worden (door inseminatie) van [A] . Het was de intentie van partijen om het kind in co-ouderschap op te voeden.

[C] is bevallen van een zoon:

[minderjarige] , geboren op [2021] in [plaats 3] .

[A] is de biologische vader van [minderjarige (voornaam)] .

[D] heeft [minderjarige (voornaam)] op [2021] erkend en is daardoor de juridische (mee)moeder van [minderjarige (voornaam)] . De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft Nederlands recht toegepast op de erkenning.

De moeders hebben het gezag over [minderjarige (voornaam)] . Dit betekent dat de moeders samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] mogen nemen.

[minderjarige (voornaam)] woont bij de moeders.

Partijen hebben een geschil over de erkenning van [minderjarige (voornaam)] en de omgang tussen [minderjarige (voornaam)] en de vaders.

De verzoeken

De vaders verzoeken de rechtbank (na wijziging) om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [D] te vernietigen;

vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [A] (nadat de beschikking tot vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan);

primair een uitgebreide opbouwende omgangsregeling te bepalen zoals opgenomen in hun brief aan de rechtbank van 9 november 2021 (pagina 3), dan wel een zorgregeling te bepalen die de rechtbank redelijk en passend acht;

subsidiair een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten naar:

o welke omgangsregeling het meest in het belang van [minderjarige (voornaam)] ;

o of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is;

een dwangsom op te leggen aan de moeders van € 500,- per dag(deel), voor iedere keer dat zij de omgangsregeling, zoals bepaald in de beschikking van 1 december 2021, niet nakomen;

drs. [F] te benoemen als bijzondere curator van [minderjarige (voornaam)] , op grond van artikel 1:250 BW, met de opdracht om te onderzoeken wat ervoor nodig is om de vaders en de moeders samen de ouders van [minderjarige (voornaam)] te laten zijn.

De bijzondere curator heeft de rechtbank verzocht, namens [minderjarige (voornaam)] , om:

primair voor recht te verklaren dat de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [D] nietig is;

subsidiair de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [D] te vernietigen;

subsidiair de toestemming van [C] door de toestemming van de rechtbank te vervangen zodat [A] kan overgaan tot erkenning van [minderjarige (voornaam)] als zijn kind;

althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist en redelijk acht.

De moeders voeren verweer en verzoeken de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

primair de verzoeken van de vaders en de bijzondere curator af te wijzen;

de omgangsregeling tussen [minderjarige (voornaam)] en de vaders op te schorten voor de duur van een half jaar;

subsidiair een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten naar:

o de opvoedvaardigheden en competenties van de vaders en de vraag welke omgangsregeling op termijn passend zal zijn;

o de gevolgen van de vernietiging van de erkenning (door [D] ) en de toewijzing van de erkenning (door [A] ) voor de ontwikkeling van [minderjarige (voornaam)] .

De tussenbeschikking

In de beschikking van 1 december 2021 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vaders en [minderjarige (voornaam)] . De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige (voornaam)] met ingang van 15 december 2021 gedurende een dag (acht uur) per week bij de vaders verblijft, waarbij [minderjarige (voornaam)] wordt opgehaald en teruggebracht door een neutrale derde.

3. De beoordeling

Conclusie

De rechtbank zal toestemming verlenen aan [A] om [minderjarige (voornaam)] te erkennen. Daarvoor zal de rechtbank voor recht verklaren dat de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [D] nietig is. De rechtbank zal opdracht geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om (de latere vermelding betreffende) die erkenning door te halen.

Ook zal de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vaststellen tussen [minderjarige (voornaam)] en de vaders, op straffe van een dwangsom. De rechtbank zal de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) vragen om onderzoek te doen naar de definitieve omgangsregeling.

De rechtbank zal de verzoeken over de opschorting van de omgang en de benoeming van een bijzondere curator (op grond van artikel 1:250 BW) afwijzen.

Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.

Bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht

In de tussenbeschikking heeft de rechtbank al beoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om de verzoeken te beoordelen. Ook is Nederlands recht van toepassing op de verzoeken.

Erkenning

[C] heeft op [2021] toestemming gegeven voor de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [D] terwijl zij wist dat een van de vaders [minderjarige (voornaam)] wilde erkennen. Dit blijkt uit de correspondentie tussen partijen (producties 4, 5 en 8 bij het verzoekschrift van de vaders). Uit de jurisprudentie volgt dat [C] in die situatie slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning kon geven aan een ander dan de biologische vader. Dit betekent dat de toestemming van [C] alleen gevolg heeft indien de door de biologische vader gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd.

Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de biologische vader er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd.

De rechter kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.

Vaststaat dat [A] de biologische vader is van [minderjarige (voornaam)] . De rechtbank vindt het in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige (voornaam)] dat officieel wordt vastgelegd wie zijn biologische vader is. Niet is gebleken dat de erkenning door [A] de ontwikkeling van [minderjarige (voornaam)] zal schaden of de relatie tussen [C] en [minderjarige (voornaam)] zal verstoren.

Bij [C] is weliswaar sprake van (emotionele) weerstand tegen de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [A] , omdat zij geen goede verstandhouding meer heeft met [A] , maar dit is onvoldoende reden om het verzoek af te wijzen. Volgens de rechtbank zal de band tussen [minderjarige (voornaam)] en [C] niet veranderen door de erkenning. Enkel door de erkenning kan [A] geen invloed uitoefenen op het leven van [C] en [minderjarige (voornaam)] .

De rechtbank vindt de erkenning juist in het belang van [minderjarige (voornaam)] , want hieruit blijkt zijn ontstaansgeschiedenis en de intentie van alle betrokkenen destijds. De bijzondere curator is het hiermee eens. Het is in deze situatie passend dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid, door [A] te vermelden op de geboorteakte van [minderjarige (voornaam)] als zijn vader. De rechtbank vindt het belangrijk dat in officiële papieren staat wie de biologische vader is van [minderjarige (voornaam)] , zodat niemand daarover later kan twijfelen.

Nu de rechtbank toestemming zal verlenen aan [A] om [minderjarige (voornaam)] te erkennen, is de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [D] nietig. [C] kon immers geen toestemming geven voor die erkenning, zoals hiervoor is overwogen.

Daarom zal de rechtbank voor recht verklaren dat de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [D] nietig is. Daarnaast zal de rechtbank opdracht geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente 2] om (de latere vermelding betreffende) die erkenning door te halen.

De rechtbank zal geen opdracht geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning van [minderjarige (voornaam)] door [A] te verwerken in de registers. De vervangende toestemming houdt in dat [A] zelf de erkenning kan regelen bij de gemeente, wanneer deze beschikking onherroepelijk is.

Omgang

De rechtbank is van oordeel dat de omgang tussen de vaders en [minderjarige (voornaam)] zo snel mogelijk moet worden hervat. Ook de Raad heeft dit geadviseerd tijdens de zitting. [minderjarige (voornaam)] is nu één jaar oud en het is belangrijk dat hij zich in deze fase ook veilig kan hechten aan de vaders. Daarom zal de voorlopige omgangsregeling worden hervat, met dien verstande dat de omgang de eerste twee keer vier uur zal duren in plaats van acht uur. Op die manier kan [minderjarige (voornaam)] weer wennen aan de vaders, die hij ruim drie maanden niet heeft gezien.

[minderjarige (voornaam)] is ontstaan vanuit de wens van partijen om samen een kind te verzorgen en op te voeden in co-ouderschap. [minderjarige (voornaam)] is genetisch voor 50% verwant aan de moeders ( [C] ) en voor 50% aan de vaders ( [A] ).

Tijdens de zwangerschap en daarna is de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord geraakt. Er is sprake van veel wantrouwen over en weer. Hierdoor is er geen co-ouderschap ontstaan, terwijl dit nog altijd de wens is van de vaders. In de praktijk zijn de moeders de hoofdopvoeders van [minderjarige (voornaam)] en hebben de vaders slechts af en toe omgang met [minderjarige (voornaam)] , steeds door tussenkomst van de rechtbank.

Sinds 15 december 2021 wordt de omgangsregeling niet meer nagekomen door de moeders, vanwege ziekte van [minderjarige (voornaam)] en een escalatie in het Whatsapp-contact van partijen. Inmiddels hebben de moeders uitgesproken dat zij niet meer naar co-ouderschap willen toewerken. Ook hebben zij verzocht om de omgang op te schorten voor de duur van een half jaar, omdat zij veel onrust en spanningen ervaren rondom het contact met de vaders.

Tijdens de vorige zitting, op 15 november 2021, hebben partijen afgesproken om in mediation gaan om hun communicatie te verbeteren en het vertrouwen in elkaar te herstellen. Nadien hebben de moeders hiervan afgezien. De rechtbank betreurt dit, want het is nodig dat partijen een manier vinden om met elkaar om te gaan en [minderjarige (voornaam)] samen groot te brengen.

De rechtbank begrijpt dat de moeders andere verwachtingen hadden en dat zij het zwaar hebben met de situatie, hetgeen blijkt uit de (individuele en relatie-) therapie die zij volgen. De oplossing is echter niet om de vaders weg te houden uit het leven van [minderjarige (voornaam)] . [minderjarige (voornaam)] heeft er, gelet op zijn ontstaansgeschiedenis, evenveel recht op om bij de vaders op te groeien als bij de moeders. Dit zou anders kunnen zijn wanneer de vaders over onvoldoende opvoedingsvaardigheden beschikken, maar dat is niet gebleken.

Daarom zal de rechtbank het verzoek tot opschorting van de omgang afwijzen en een voorlopige omgangsregeling vaststellen.

De rechtbank zal (opnieuw) bepalen dat [minderjarige (voornaam)] bij de omgang wordt opgehaald en teruggebracht door een neutrale derde. Tijdens de zitting is namelijk gebleken dat de moeders hieraan nog behoefte hebben.

Dwangsom

De rechtbank zal een dwangsom verbinden aan de nakoming van de voorlopige omgangsregeling. Hiervoor ziet de rechtbank aanleiding, omdat de huidige omgangsregeling maar eenmaal is nagekomen. Weliswaar kan de omgang een keer niet doorgaan vanwege ziekte, maar daarna moet de omgang zo snel mogelijk worden hervat. Dit is niet gebeurd. Daarbij komt dat de moeders tijdens de zitting duidelijk hebben gemaakt dat zij op dit moment niet achter de omgang staan. Daarom vindt de rechtbank een waarborg nodig, in de vorm van een dwangsom, zodat het contact tussen [minderjarige (voornaam)] en de vaders zal worden hersteld.

Raadsonderzoek

De rechtbank zal de Raad vragen om op korte termijn onderzoek te doen naar de (definitieve) omgang tussen [minderjarige (voornaam)] en de vaders, en dit onderzoek zo nodig uit te breiden met een beschermingsonderzoek.

De reden voor het Raadsonderzoek is dat de rechtbank zich zorgen maakt over de leefsituatie van [minderjarige (voornaam)] . De verstandhouding tussen de moeders en de vaders is ernstig verstoord, waardoor er geen sprake is van gezamenlijk ouderschap. Ook geven de moeders aan dat zij veel spanningen ervaren waar [minderjarige (voornaam)] ook last van heeft. Inmiddels is [minderjarige (voornaam)] één jaar oud en de situatie lijkt steeds meer te escaleren. De rechtbank ziet dit niet op korte termijn veranderen nu er geen mediation zal plaatsvinden. Daarom heeft de rechtbank behoefte aan meer informatie over (de leefsituatie van) partijen en de draagkracht van [minderjarige (voornaam)] en partijen.

De rechtbank zal de (verdere) beslissing over de omgang aanhouden voor de duur van vier maanden, in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek.

Bijzondere curator

De rechtbank zal geen bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW benoemen.

Partijen zijn het er niet over eens of de benoeming van zo’n bijzondere curator nodig is. Ook is er discussie over de door de vaders voorgestelde deskundige. De rechtbank vindt het momenteel niet van toegevoegde waarde om een bijzondere curator te benoemen, omdat er op korte termijn een onderzoek door de Raad zal plaatsvinden.

Uitvoerbaar bij voorraad

Er is verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen ten aanzien van de erkenning en toewijzen ten aanzien van de omgang. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.

4. De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de erkenning van [minderjarige], geboren op [2021] in [plaats 3] , door [D] nietig is;

geeft opdracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente 2] om de latere vermelding betreffende de erkenning van [minderjarige] door [D], behorende bij de geboorteakte met nummer [nummer] van het jaar 2021, door te halen;

verleent aan [A], geboren op [1984] in [plaats 4] , India,

toestemming om te erkennen:

[minderjarige] , geboren op [2021] in [plaats 3] ;

stelt de volgende voorlopige omgangsregeling vast:

[minderjarige (voornaam)] zal op 6 april 2022 en 13 april 2022 gedurende vier uur bij de vaders verblijven, waarbij [minderjarige (voornaam)] wordt opgehaald en teruggebracht door een neutrale derde;

[minderjarige (voornaam)] zal met ingang van 20 april 2022 gedurende een dag (acht uur) per week bij de vaders verblijven, waarbij [minderjarige (voornaam)] wordt opgehaald en teruggebracht door een neutrale derde;

veroordeelt de moeders tot betaling van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) aan de vaders, wanneer de moeders deze omgangsregeling niet nakomen, tot een maximum van € 10.000,-;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om op korte termijn te onderzoeken:

welke omgangsregeling het meest in het belang van [minderjarige (voornaam)] is;

of uitbreiding van het onderzoek met een beschermingsonderzoek nodig is;

verklaart deze beschikking ten aanzien van 4.4., 4.5. en 4.6. uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de (verdere) beslissing over de omgang pro forma aan tot 29 juli 2022,

in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming,

met verzoek aan de Raad om voor deze datum te rapporteren en te adviseren,

met verzoek aan de advocaten om vervolgens te reageren op de inhoud van het Raadsrapport,

waarna de rechtbank zal beoordelen of een nadere zitting nodig is of dat een beslissing kan worden gegeven.

wijst de overige verzoeken af.

Dit is de beslissing van mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Verouden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?