RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2150
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2023 december in de zaak tussen
(gemachtigde: D.A.N. Bartels MRE)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats], verweerder
(gemachtigde: M. Boerlage).
Procesverloop
In de beschikking van 31 juli 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres
[adres] in [plaats] (niet-woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 2.368.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019.
Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 22 maart 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 13 maart 2023. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, M. Boerlage, vergezeld door [taxateur 1] en [taxateur 2] (taxateurs).
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. Het beroep is ingesteld door Bartels.
2. De rechtbank heeft bij brief van 27 mei 2021 Bartels bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem daarom in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de volgende stukken alsnog toe te sturen:- een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen;- een uittreksel uit het handelsregister (eventueel meerdere uittreksels van bovenliggende rechtspersonen) waaruit blijkt wie als bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen;- een kopie van de statuten.
3. In de brief is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
4. Bartels heeft bij brief van 21 juni 2021 gereageerd op de brief van 27 mei 2021 en heeft de volgende stukken overgelegd:- een ondertekende volmacht, gedateerd “februari/maart/april 2021”, waarin [A] Bartels machtigt om (onder meer) beroep in te stellen;- een uittreksel uit het handelsregister van 21 juni 2021, waaruit blijkt dat de bestuurders van [eiseres] B.V. zijn: [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [B] ;- een kopie van de statuten van [naam] B.V. van 30 november 1984;- een uittreksel uit het handelsregister van [naam] B.V.
5. De rechtbank kan niet vaststellen dat [A] bevoegd bestuurder is en gerechtigd is om namens eiseres beroep in te stellen. Hij is anders dan [B] in persoon geen bestuurder en uittreksels uit het handelsregister van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. ontbreken. Daardoor is ook niet aangetoond dat Bartels bevoegd is om namens eiseres beroep in te stellen.
6. Bartels heeft op de zitting betwist dat hij de brief van 27 mei 2021 heeft ontvangen, maar die betwisting vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Bartels heeft met de brief van 21 juni 2021 immers de door de rechtbank gevraagde – maar incomplete – stukken toegestuurd, kort na de brief van de rechtbank. Dat Bartels de brief van 21 juni 2021 op eigen initiatief na zijn controle van het dossier heeft gestuurd volgt de rechtbank daarom niet. Met de brief van 27 mei 2021 is Bartels in de gelegenheid is gesteld het geconstateerde verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Bartels heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiseres] B.V. beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiseres] B.V. immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop het proces-verbaal van deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit proces-verbaal is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.