[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: J. van Nassou).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 6 september 2022.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2023 met toestemming van partijen via Teams op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres heeft op 30 april 2022 een aanvraag ingediend voor de eenmalige energietoeslag. In het primaire besluit van 17 juni 2022 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat zij student is. In de destijds geldende beleidsregels had verweerder bepaald dat studenten werden uitgesloten voor de eenmalige studententoeslag.
3. In het bestreden besluit overweegt verweerder dat eiseres als student toch aanspraak kan maken op de energietoeslag. In zoverre is haar bezwaar gegrond. Vervolgens beslist verweerder dat eiseres geen recht heeft op energietoeslag, omdat de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen van eiseres (€ 1.342,28) boven het normbedrag (€ 1.245,-) uitkomt. De volledige studiefinanciering is namelijk een voorliggende voorziening. Dat eiseres feitelijk niet het volledige bedrag voor een uitwonende student leent, maakt dit niet anders.
Beroepsgronden eiseres
4. Eiseres is het er niet mee eens dat wordt gekeken naar hoeveel studiefinanciering zij kan lenen in plaats van hoeveel zij daadwerkelijk leent. Eiseres werkt hard om ervoor te zorgen dat zij zonder schulden haar opleiding afrondt. Daar is zij trots op. Eiseres heeft het gevoel dat zij wordt gestraft omdat ze niet maximaal leent. Haar energiekosten zijn met € 84,- per maand gestegen en daarbij is alles duurder geworden. Door uit te gaan van het maximale leenbedrag komen veel studenten volgens eiseres niet in aanmerking voor de eenmalige energietoeslag. Als wordt uitgegaan van het bedrag dat zij daadwerkelijk leent, inclusief haar stagevergoeding en inkomen uit haar werk, dan bedraagt haar inkomen in totaal € 864,99 en dat is onder het normbedrag om in aanmerking te komen voor de energietoeslag. Eiseres vindt dat ze daarom recht heeft op de energietoeslag.
Oordeel van de rechtbank
5. Het beroep slaagt niet. Verweerder is terecht uitgegaan van het maximale bedrag studiefinanciering dat eiseres kan lenen in plaats van hoeveel zij daadwerkelijk leent. Dit is immers zo bepaald in de wet en jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter in zaken zoals deze. Dat eiseres een goede reden heeft om niet maximaal te lenen, maakt dat eiseres een lagere draagkracht heeft, maar dit hoeft in dit geval niet te worden opgelost door de Participatiewet. De Participatiewet heeft namelijk het karakter van een laatste vangnet waar in principe alleen recht op bestaat als iemand niet kan beschikken over andere middelen. Eiseres kan dat in haar geval wel, namelijk door meer te lenen. Het maximale leenbedrag als uitgangspunt kan ertoe leiden dat sommige studenten niet in aanmerking komen voor de eenmalige energietoeslag, bijvoorbeeld omdat ze naast hun studiefinanciering (teveel) verdienen aan hun bijbaan. Maar dit is voor niet-studenten niet anders. Verweerder kijkt namelijk naar het in aanmerking te nemen inkomen. Als iemand over inkomen beschikt of kan beschikken boven het normbedrag, dan heeft hij of zij in principe geen recht op de eenmalige energietoeslag. Niet in geschil is dat het maandinkomen van eiseres boven het vastgestelde normbedrag ligt als wordt uitgegaan van het maximale bedrag studiefinanciering waar eiseres aanspraak op kan maken. Dit betekent dat eiseres niet in aanmerking komt voor de energietoeslag. Verweerder was dus bevoegd om de aanvraag van eiseres af te wijzen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft gekregen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.