[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland, de deken
(gemachtigde: mr. G.J. Verduijn).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar verzoek om handhavend op te treden tegen mr. [A] .
De deken heeft het verzoek van eiseres op 21 januari 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit van 22 april 2022 op het bezwaar van eiseres is de deken hierbij gebleven.
De deken heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de deken.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres heeft niet gesteld dat sprake is van overtreding van één van de hiervoor genoemde bepalingen. Zij heeft gevraagd om handhavend optreden wegens vermeende overtreding van het bepaalde in artikel 60ab van de Advocatenwet. Daarvoor staat de bestuursrechtelijke weg dus niet open. De belangen die dit artikel beoogt te beschermen kunnen alleen via de tuchtrechtelijke weg worden gehandhaafd. Op zitting heeft de gemachtigde van de deken ook toegelicht dat dit tuchtrechtelijke traject nog loopt en dat er een onderzoek plaatsvindt naar aanleiding van de klacht van eiseres. Na afronding van dit onderzoek en eventuele bemiddeling kan eiseres als zij dat wenst, de deken vragen om de klacht door te zenden aan de raad van discipline, die er dan over zal oordelen.
5. Bij tuchtrechtelijke handhaving is geen sprake van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Dit betekent dat de reactie van de deken van 21 januari 2022 op het verzoek van eiseres geen besluit is. Het bezwaar daartegen had de deken om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de deken het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2022;
- verklaart het bezwaar tegen de brief van 21 januari 2022 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de deken het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.