Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 562018 / HA RK 23-169
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 26 september 2023
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] , Litouwen
(verder: verzoekster),
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het wrakingsverzoek van 28 augustus 2023,
- de schriftelijke reactie van mr. J.W. Wagenaar (verder: de rechter).
Het wrakingsverzoek is op 12 september 2023 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling zijn verzoekster, bijgestaan door een tolk, mevrouw L. Mitzman, (beiden via Teams) verschenen. De rechter is eveneens verschenen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter als behandelend voorzieningenrechter, in de zaak met het zaaknummer 559674 / KG ZA 23-389 (verder: de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een kort geding procedure waarin het – kort gezegd – draait om de medewerking aan de verkoop van de gezamenlijke woning van verzoekster en haar ex-partner. De ex-partner is de eisende partij in de hoofdzaak.
Verzoekster heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter zich partijdig heeft getoond door al een mening te hebben over de uitkomst van de hoofdzaak en partijen procedureel niet gelijk te behandelen. Verzoekster denkt dat de rechter haar met zijn mededeling, dat het risico bestaat dat er in drie verschillende landen drie verschillende procedures plaatsvinden over dezelfde kwestie, onder druk heeft willen zetten om akkoord te gaan met de verkoop van de woning. Bovendien blijkt volgens verzoekster uit deze mededeling dat er in de toekomst procedures in Nederland zullen plaatsvinden. Hierdoor heeft de rechter de indruk gewekt dat hij de vordering van de eisende partij zal toewijzen. Dat de rechter de vorderingen van de eisende partij steunde, blijkt volgens verzoekster ook uit de omstandigheid dat de rechter haar tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen heeft geprobeerd te overtuigen om in te stemmen met de verkoop van de woning. Dit terwijl er nog helemaal geen duidelijkheid is over de vraag of de rechter wel bevoegd is, nu er ook al procedures in Litouwen en België lopen en er nog niet inhoudelijk is geoordeeld over de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Verzoekster vraagt zich meer in het algemeen ook af waarom er gelet op deze bevoegdheidskwestie een zitting in de hoofdzaak plaatsvond. Volgens verzoekster heeft de rechter haar bovendien benadeeld door geen uitstel van de mondelinge behandeling toe te staan. Zij heeft hierdoor geen advocaat kunnen vinden die haar tijdens de zitting kon vertegenwoordigen. Daarnaast heeft de rechter de eisende partij bevoordeeld door hem toe te staan om tijdens de mondelinge behandeling nog een processtuk in te dienen waarin nieuwe juridische stellingen werden ingenomen. Verzoekster was toen niet in staat om hierop meteen te reageren. Ook hierdoor is zij benadeeld in haar procespositie.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn reactie vraagt hij zich in de eerste plaats af of het wrakingsverzoek tijdig is ingediend. Daarnaast wijst de rechter erop dat de beslissing op het verzoek om uitstel een procesbeslissing is. Het processtuk waarop verzoekster doelt dat tijdens de zitting door eiser werd overhandigd, betrof een pleitnota. Het toestaan daarvan is heel gebruikelijk en bovendien gaat het ook hier om een procesbeslissing. Procesbeslissingen kunnen in het algemeen geen grond voor wraking opleveren. Dat verzoekster van mening is dat zij zich niet goed kon verweren, omdat in de pleitnotitie door de eisende partij nieuwe argumenten naar voren werden gebracht, heeft verzoekster niet kenbaar gemaakt tijdens de zitting en kon de rechter zelf niet weten. Daarnaast heeft de rechter ter verkenning van de mogelijkheden voor het bereiken van een minnelijke regeling de verkoop van de woning ter sprake gebracht. Dit was weliswaar in lijn met hetgeen de eisende partij had gevorderd, maar uit het procesdossier bleek dat verzoekster dit in een eerdere procedure zelf ook had voorgesteld. Daarbij heeft de rechter inderdaad opgemerkt dat het risico bestaat dat er drie procedures gaan lopen in drie verschillende landen over hetzelfde onderwerp. Dit was feitelijk juist en dus niet misleidend. De rechter heeft hiermee nog geen oordeel gegeven over zijn bevoegdheid. Dat kon hij ook nog niet, omdat hij daar nog niet over uit was. Dat betekent volgens de rechter echter niet dat partijen niet zelf afspraken kunnen maken in het kader van een minnelijke regeling. Door tijdens de zitting te onderzoeken of dit mogelijk was, heeft de rechter niet de schijn van vooringenomenheid gewekt.
3. De beoordeling
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
Artikel 37 lid 1 Rv bepaalt dat dit verzoek wordt gedaan zodra de in artikel 36 Rv bedoelde feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek op 28 augustus 2023 ingediend, dus een week na de zitting van 21 augustus 2023. De wrakingskamer constateert dat de bezwaren van verzoekster betrekking hebben op wat vóór en tijdens de zitting van 21 augustus 2023 is voorgevallen. Verzoekster heeft over dit tijdsverloop desgevraagd uitgelegd dat zij geen juridische bijstand had en daarom niet wist wat voor rechten zij had. Zij heeft daarom enige tijd nodig gehad om daar onderzoek naar te doen. Daarnaast spreekt zij de Nederlandse taal niet en had zij daarom tijd nodig om haar wrakingsverzoek te kunnen vertalen. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster daarmee het tijdsverloop voldoende heeft verklaard en haar verzoek tijdig heeft ingediend als bedoeld in artikel 37 lid 1 Rv, zodat zij in het wrakingsverzoek kan worden ontvangen.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
De beslissingen tot het houden van een zitting, om verzoekster geen uitstel toe te staan voor die zitting en om de pleitnota van de eisende partij als processtuk toe te voegen aan het dossier zijn procesbeslissingen. Een als negatief ervaren procesbeslissing is geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die de betreffende beslissing heeft genomen. Alleen als de motivering van die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid, kan dit tot een ander oordeel leiden. Daarvan is hier geen sprake, zoals hierna zal worden toegelicht.
Als de rechtbank een aanvraag voor het houden van een kort geding ontvangt, is het gebruikelijk dat er een zitting plaatsvindt. Indien er bevoegdheidsvragen spelen, zal dit tijdens de zitting worden besproken en neemt de voorzieningenrechter daarover in zijn vonnis een beslissing. In het geval een partij om uitstel van de zitting verzoekt, zal de voorzieningenrechter de belangen van deze partij en die van de wederpartij tegen elkaar moeten afwegen. Dat heeft de rechter hier ook gedaan. Uit de motivering van zijn beslissing om geen uitstel te verlenen, blijkt dus geen vooringenomenheid. Het is ook gebruikelijk dat er tijdens de zitting pleitnotities worden voorgedragen en aan het procesdossier worden toegevoegd. Dat de wederpartij van verzoekster hierin nieuwe argumenten naar voren bracht waardoor verzoekster zich in haar verdediging geschaad voelde, maakt dit oordeel niet anders. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt namelijk niet dat verzoekster dit tijdens de zitting kenbaar heeft gemaakt. Dat de rechter dit zelf had kunnen weten, heeft zij niet gesteld.
Het behoort daarnaast tot de taak van de rechter om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor het treffen van een schikking. De rechter heeft daarbij in het algemeen de vrijheid om partijen voorstellen te doen en hen daarbij een spiegel voor te houden. Dit geldt ook als nog niet duidelijk is dat de rechter bevoegd is om over een vordering te oordelen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter ruim de tijd heeft genomen om te verkennen of er tussen partijen een gesprek mogelijk was over het bereiken van een minnelijke regeling. Hij heeft daarbij laten weten dat dit los stond van de vraag of hij bevoegd was. Dat de rechter daarbij de verkoop van de gezamenlijke woning als optie heeft genoemd, is niet onbegrijpelijk. Uit het procesdossier blijkt namelijk dat beide partijen (op enig moment) de woning wilden verkopen. De opmerking van de rechter, dat het risico bestond dat er over hetzelfde onderwerp drie verschillende procedures in drie verschillende landen aanhangig zouden zijn, is feitelijk juist en niet misleidend. Uit het proces-verbaal blijkt daarnaast dat de rechter zijn pogingen om partijen met elkaar in gesprek te brengen heeft gestaakt op het moment dat hem duidelijk werd dat verzoekster niet bereid was om afspraken te maken. Dat de rechter verzoekster onder druk heeft gezet om dit toch te doen, kan niet worden afgeleid uit het proces-verbaal.
Van vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden van vooringenomenheid bij de rechter, is de wrakingskamer al met al niet gebleken. De rechterlijke onpartijdigheid lijdt dan ook geen schade. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking daarom ongegrond verklaren.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht,
andere betrokken partijen, en aan de teamvoorzitter van het team, waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 559674 / KG ZA 23-389 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mr. J.G. Nicholson en mr. A.F. Hermans als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.