RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2023 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/5290
mr. [eiser] , veronderstellenderwijs handelend namens [A] , eiser(es),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Procesverloop
In de uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het
bezwaar van eiser(es) niet-ontvankelijk verklaard.
Verweerder heeft op 27 juli 2022 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft middels een MS-Teams verbinding plaatsgevonden op 4 september 2023. Eiser(es) is zelf niet verschenen, maar mr. [eiser] wel. Namens verweerder is
mr. [B] verschenen.
Overwegingen
1. Het beroep is door mr. [eiser] ( [eiser] ) veronderstellenderwijs ingesteld namens [A] (hierna: [A] ). Bij het beroepschrift is geen toereikende machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Zo’n vereiste is het overleggen van een machtiging als de rechtbank daarom verzocht heeft. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
2. Bij aangetekende brief van 17 februari 2022 heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een machtiging in te dienen, waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens [A] beroep in te stellen en in beroep op te treden. Bij brief van 17 maart 2022, ontvangen door de rechtbank op 22 maart 2022, heeft [eiser] een machtiging overgelegd met enkel een handtekening. Het is de rechtbank niet duidelijk door wie deze machtiging is opgesteld.
3. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd. [eiser] heeft geen reden gegeven waarom hij die niet heeft opgestuurd. [eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat de machtiging al bij de inhoudelijke stukken van verweerder zou zitten. De rechtbank merkt op dat dat die machtiging identiek is aan de machtiging in beroep en dat ook verweerder het ontbreken van de juiste machtiging ten grondslag heeft gelegd aan de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Zoals de meervoudige kamer van deze rechtbank op 25 juni 2020 heeft beslist, is het niet aanleveren van een toereikende machtiging een reden om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb). Om die reden komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de inhoudelijke geschilpunten.
5. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.
Overschrijding redelijke termijn
6. [eiser] heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) als partijen in deze zaak aangemerkt. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft de minister daarom niet uitgenodigd voor de zitting.
7. Het is niet uitgesloten dat in een procedure over een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding kan worden toegekend voor geleden immateriële schade. Op grond van
artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten belastinggeschillen immers binnen een redelijke termijn worden berecht. Er geldt dat wel als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd. Aan die voorwaarde is niet voldaan als geen machtiging is overlegd. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016. Uit dat arrest volgt dat er in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.
8. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. De rechtbank heeft het beroepschrift van eiser(es) ontvangen op 14 januari 2022. Op het moment van deze uitspraak is er dus meer dan anderhalf jaar verstreken.
9. De hiervoor onder 8. genoemde termijn geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlenging van die termijnen wordt gerekend de invloed van eiser(es) en/of haar gemachtigde op de duur van het proces. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen, dat de redelijke termijn moet worden verlengd. De rechtbank legt dat hierna uit.
10. Wat betreft de schadevergoeding, oordeelt de rechtbank dat de vertraging aan eiser(es) is toe te rekenen. Gelet op de vertraging die is ontstaan wegens het niet tijdig indienen van een volmacht en wegens het indienen van een verzoek om betalingsonmacht, waarvan het de gemachtigde op voorhand duidelijk zou moeten zijn dat deze zou worden afgewezen, is een termijnoverschrijding van ruim twee maanden toe te rekenen aan eiser(es). De rechtbank is daarom van oordeel dat door de handelwijze van de gemachtigde van eiser(es) de procedure met ruim twee maanden is vertraagd.
11. Gelet op de door de gemachtigde van eiser(es) veroorzaakte vertraging in de procedure van circa twee maanden, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn dienovereenkomstig moet worden verlengd. Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank zal het verzoek om immateriële schadevergoeding daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.