ECLI:NL:RBMNE:2023:7794

ECLI:NL:RBMNE:2023:7794, Rechtbank Midden-Nederland, 22-09-2023, FT HO 23/689

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-09-2023
Datum publicatie 29-12-2025
Zaaknummer FT HO 23/689
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

WHOA. Beslissing over homologatie akkoord.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

vonnis

Afdeling Toezicht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: FT HO 23/689

Vonnis op het verzoek tot homologatie van een akkoord ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) van 22 september 2023

in de zaak van:

de besloten vennootschap

[verzoekster] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: “ [verzoekster] ”,

advocaat: mr. J. van den Dolder te Oud-Beijerland.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 12 april 2023,

het stemverslag, gedeponeerd ter griffie op 11 augustus 2023,

het verzoekschrift van 11 augustus 2023,

de beschikking van 14 augustus 2023.

Het verzoek tot homologatie is op 21 augustus 2023 via een videoverbinding behandeld in aanwezigheid van :

de heer. [persoon1] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ,

de heer [persoon2] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ,

de heer [persoon3] , adviseur van [bedrijf] ,

mevrouw mr. J. van den Dolder, voornoemd,

mevrouw [persoon4] , Belastingdienst.

de heer [persoon5] , Belastingdienst.

mr. Van den Dolder heeft op 22 augustus 2023 op verzoek van de rechtbank een tweetal leningsovereenkomsten tussen [onderneming] B.V. en [verzoekster] nagestuurd.

2. De feiten

In de beschikking van 12 april 2023 op het aspectenverzoek werden feiten vastgesteld. In deze uitspraak worden die feiten deels herhaald en aangevuld, voor zover dat van belang is voor de beslissing.

De onderneming

[verzoekster] exploiteert een ICT consultancy bedrijf. [verzoekster] levert in opdracht diensten zoals het implementeren van kunstmatige intelligentie, beeldherkenning, robotisering in klantcontact en optimalisatie van klantcontacten door contact centers, video assistants en telefoonsystemen.

Bestuurder van [verzoekster] is de besloten vennootschap [onderneming1] B.V. Deze vennootschap wordt bestuurd door de besloten vennootschappen [onderneming2] B.V. en [onderneming3] B.V., waarvan respectievelijk de heer [persoon2] en de heer [persoon1] bestuurders zijn.

De aandelen in het kapitaal van [verzoekster] worden gehouden door [onderneming1] voor een gedeelte van 72,25%. De aandelen in het kapitaal van [onderneming1] worden voor gelijke delen gehouden door [onderneming2] B.V. en [onderneming3] B.V, de vennootschappen van de heren [persoon2] en [persoon1] . De overige aandelen, zijnde 27,75%, worden gehouden door [onderneming] B.V., een vennootschap waarvan de heer [onderneming] bestuurder en enig aandeelhouder is.

Oorzaken en achtergronden

[verzoekster] is getroffen door de COVID-19 maatregelen. Hierdoor werden overheidsaanbestedingen uitgesteld en bleef de omzet van [verzoekster] achter. Aanvankelijk waren 70 werknemers in dienst in 2020. Inmiddels heeft [verzoekster] het aantal werknemers teruggebracht naar 40.

[verzoekster] heeft een tweetal leningsovereenkomsten gesloten met [onderneming] B.V. De eerste leningsovereenkomst is gesloten op 4 juni 2019 voor een totaalbedrag van € 200.000,-- De tweede leningsovereenkomst is gesloten op 2 juli 2020 voor een totaalbedrag van € 100.000,-- Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van de geldleningen verkreeg [onderneming] B.V. een pandrecht op inventaris, voorraden, vervoermiddelen, IE, know-how en vorderingen van [verzoekster] .

De totale schuldenlast van [verzoekster] bedroeg eind 2022 ongeveer € 5,2 miljoen, bestaande uit € 3,5 miljoen aan belastingschulden, € 300.000 aan aandeelhoudersleningen en ongeveer € 1,4 miljoen aan handelscrediteuren.

Het akkoord

Op 9 september 2022 heeft [verzoekster] een startverklaring gedeponeerd (artikel 370 lid 1 Fw). [verzoekster] heeft ervoor gekozen 9 september 2022 als datum in het akkoord te hanteren waarop haar schuldpositie wordt gefixeerd. De op die datum bestaande schulden worden meegenomen in het akkoord.

Ter onderbouwing van het eerder ingediende aspectenverzoek heeft [verzoekster] verwezen naar een door [bedrijf] opgesteld “Waarderingsrapport inzake reorganisatiewaarde”, ondertekend op 11 december 2022. In dit rapport heeft [bedrijf] de reorganisatiewaarde vastgesteld op een bedrag van € 1.450.000. De liquidatiewaarde van de activa van [verzoekster] werd ten tijde van het aspectenverzoek door [persoon6] bepaald op € 634.235,54. Deze waarderingen zijn ten tijde van het aspectenverzoek gedeeld met de schuldeisers en met de rechtbank en zijn ten grondslag gelegd aan beschikking van 12 april 2023

In een op 10 juli 2023 ondertekend “Waarderingsrapport inzake reorganisatiewaarde” heeft [bedrijf] de reorganisatiewaarde bepaald op een bedrag van € 1.186.000. Het verschil tussen de waarde van 10 juli 2023 en de waarde in het op 11 december 2022 ondertekende rapport wordt veroorzaakt door een te verwachten aanslag vennootschapsbelasting van ongeveer € 390.904,--. Deze vennootschapsbelastingschuld ontstaat door de kwijtscheldingswinst die [verzoekster] zal genieten als gevolg van de totstandkoming van het akkoord. Abusievelijk was deze vennootschapsbelasting aanvankelijk meegenomen onder het akkoord als een te herstructureren schuld. Omdat deze vordering na fixatiedatum zal ontstaan, zal deze vordering door [verzoekster] integraal moeten worden voldaan. Uit bijlage 9 bij het voorstel voor een akkoord volgt dat op 24 juli 2023 de vereffeningswaarde per 1 september 2023 bepaald is op een bedrag van € 645.349,54.

[verzoekster] heeft in het kader van het akkoord haar schuldeisers ingedeeld in zes klassen. [verzoekster] beschrijft de klassenindeling als volgt:

Klasse

Bedrag (€)

1. Preferent: Belastingdienst

3.517.616,64

2. Preferent: [onderneming] B.V.

312.777,18

3. Preferent: lening Holding [onderneming4] B.V.

62.500,00

4. MKB schuldeisers

127.943,40

- [onderneming5] B.V.

64.191,40

- Overige MKB-schuldeisers

62.619,18

5. Concurrente schuldeisers:

1.019.912,66

- lening COLRU

532.376,71

- RC vordering Holding [onderneming4] B.V.

75.000

- handelscrediteuren

14.897,00

- UWV (NOW)

115.373,00

- [onderneming5] B.V./ [onderneming11] B.V.

282.265,95

6. Concurrent gelieerde partijen

171.843,75

- lening [onderneming1]

171.843,75

. Onder het akkoord wordt aan de schuldeisers het volgende aangeboden:

Klasse

Aanbod

Bedrag (€)

1. Preferent: Belastingdienst

17%

597.994,83

2. Preferent: [onderneming] B.V.

100%

312.777,181

3. Preferent: lening [onderneming4]

100%

62.500,00

4. MKB schuldeisers

20%

- [onderneming5] B.V.

12.828,282

- MKB-schuldeisers

12.523,843

5. Concurrente schuldeisers:

- lening COLRU

11%

58.561,44

- RC vordering [onderneming4]

11%

8.250,00

- handelscrediteuren

11%

1.638,67

- UWV (NOW)

11%

12.691,03

- [onderneming5] B.V./ [onderneming11] B.V.

11%

31.049,254

6. Concurrent gelieerde partijen

- lening [onderneming1]

0%

-

1.Uitgestelde betaling. Aflossingsvrije lening. Achterstelling ten behoeve van nieuwe financier [onderneming6] . Pandrecht debiteuren vrijgegeven.

2. Dit deel van de reorganisatiewaarde in depot tot uitkomst lopende procedure

3. Betaling ineens binnen 1 maand na homologatie

4. Dit deel van de reorganisatiewaarde in depot tot uitkomst lopende procedure..

De Belastingdienst (Klasse 1 - preferent) zou in een hypothetisch faillissement een bedrag van € 261.081,94 ontvangen. Dit bedrag wordt onder het akkoord volledig voldaan. Over het totaal van zijn vordering ontvangt de Belastingdienst een uitkering van 17% (€ 597.994,83). Dit bedrag zal ineens binnen 1 maand na homologatie worden voldaan. De vennootschapsbelasting (over de kwijtscheldingswinst) zal in 12 maandelijkse termijnen na het opleggen van de definitieve aanslag aan de Belastingdienst worden voldaan.

[onderneming] B.V. (Klasse 2 - preferent) zou op basis van haar zekerheidsrechten een bedrag ontvangen van € 312.777,18 in faillissement. Dit bedrag wordt onder het akkoord volledig voldaan in de vorm van een aflossingsvrije lening. Aan [onderneming] B.V. zal een rente van 6% per jaar tot 2025 worden vergoed. [onderneming] B.V. zal voor wat betreft haar pandrechten van rang wisselen ten behoeve van [onderneming6] , de nieuwe financier.

Holding [onderneming4] B.V. (Klasse 3 – preferent) zou ingeval van faillissement op basis van haar zekerheidsrechten op de IP Business Manager een bedrag van € 62.500 ontvangen. Dit bedrag wordt onder het akkoord binnen 1 maand na homologatie ineens voldaan. Voor wat betreft haar ongesecureerde vordering van € 75.000 ontvangt Holding [onderneming4] B.V een uitkering van 11% in Klasse 5 -concurrent.

De MKB-schuldeisers (Klasse 4 – MKB) zouden in faillissement geen uitkering ontvangen. Zij ontvangen onder het akkoord een uitkering van 20%. Dit bedrag wordt onder het akkoord binnen 1 maand na homologatie ineens voldaan.

De concurrente schuldeisers (Klasse 5 – concurrent) zouden in faillissement geen uitkering ontvangen. Zij ontvangen onder het akkoord in beginsel een uitkering van 11%. Dit bedrag wordt eveneens binnen 1 maand na homologatie ineens voldaan. De uitkering aan de concurrente schuldeisers kan toenemen afhankelijk van de uitkomst van de lopende procedure tussen [verzoekster] en [onderneming5] B.V. en [onderneming11] B.V. Er is voor gekozen een eventueel in verband daarmee vrij te vallen bedrag volledig toe te kennen aan de schuldeisers in Klasse 5 en niet (mede) aan de schuldeisers in Klasse 4, omdat deze laatste toch al een uitkering van 20% ontvangen.

De aan [verzoekster] gelieerde partij (aandeelhouder [onderneming1] ) is in een aparte klasse ingedeeld omdat zij afstand doet van haar vordering.

Een deel van de schuldeisers is niet bij het akkoord betrokken. Het betreft schuldeisers die voor de voorzetting van de onderneming essentieel zijn (leasemaatschappij, essentiële ICT infrastructuur, leveranciers van kennisbanktechnologie, dataservers en provider van telefoonverbindingen).

Tot slot behouden de aandeelhouders [onderneming1] en [onderneming] B.V. hun aandelenbelang. De lening die door [onderneming1] is verstrekt wordt kwijtgescholden (zie onder 2.17).

[verzoekster] heeft met [onderneming6] overeenstemming bereikt over het verstrekken van de voor het akkoord benodigde financiering van € 500.000 in de vorm van een kortlopende geldlening voor maximaal 6 maanden. Tot zekerheid voor de nakoming van deze geldlening, verkrijgt [onderneming6] een eerste pandrecht op debiteurenvorderingen, voorraden en inventaris. Aanvullend heeft [onderneming6] het volgende bedongen: (i) achterstelling van de leningen van [onderneming] B.V.; (ii) borgstelling van € 100.000,-- door de heer [persoon1] gedekt door een hypothecaire inschrijving; (iii) borgstelling van € 50.000,-- door de heer [persoon2] gesecureerd met een bankgarantie; (iv) verpanding van IP-rechten; en (v) verpanding van aandelen in het kapitaal van [verzoekster] . De lening van [onderneming6] zal binnen 6 maanden na homologatie worden afgelost door een factoringfaciliteit toegezegd door [onderneming7] B.V. [onderneming7] B.V verstrekt een debiteurenfinanciering waarbij de hoogte van de financiering afhankelijk is van de te bevoorschotten debiteuren van [verzoekster] . [verzoekster] zal debiteurenvorderingen aan [onderneming7] cederen ten behoeve van de factoringfinanciering. [onderneming] B.V. verstrekt een krediet van € 300.000 zodat [verzoekster] tezamen met de financiering vanuit [onderneming6] de uitkeringen onder het akkoord kan doen. [onderneming] B.V. wisselt met haar pandrechten van rang ten opzichte van [onderneming6] . Met de aflossing van de financiering bij [onderneming6] geeft [onderneming6] de pandrechten vrij, zodat alle pandrechten tweede in rang van [onderneming] B.V. wederom pandrechten eerste in rang worden.

De stemming

Op 20 maart 2023 heeft [verzoekster] alle schuldeisers in kennis gesteld van de behandeling van het aspectenverzoek, zij heeft het verzoekschrift met hen gedeeld en hen uitgenodigd om eventuele opmerkingen op het concept akkoord aan te geven. [verzoekster] heeft op 25 juli 2023 het definitieve akkoord aan alle schuldeisers per email en aangetekende post aangeboden. De schuldeisers hebben 14 dagen te tijd gehad om hun stem kenbaar te maken. De stemperiode liep af op 7 augustus 2023 om 23.59 uur. Van de stemming is op 8 augustus 2023 een stemverslag opgemaakt dat op 10 augustus 2023 is gedeeld met de schuldeisers. Het stemverslag is op 11 augustus 2023 gedeponeerd bij de griffie van deze rechtbank. In klasse 2 – MKB heeft één schuldeiser tegen gestemd. Drie schuldeisers in klasse 4-MKB hebben niet gestemd. In klasse 5 – concurrenten heeft één schuldeiser niet gestemd.

3. Het standpunt van [verzoekster]

heeft verzocht om goedkeuring van het aangeboden akkoord en heeft dit als volgt toegelicht.

Het akkoord is door [verzoekster] op redelijke wijze voorbereid en aan de betrokken belanghebbenden voorgelegd, zodanig dat geen van de in artikel 384 Fw genoemde omstandigheden aan het verzoek tot homologatie in de weg kan staan. [verzoekster] heeft alle betrokken belanghebbenden gedurende de voorbereiding van het traject regelmatig per email en telefonisch geïnformeerd over de voortgang en actuele ontwikkelingen. Op 20 maart 2023 heeft zij alle betrokken belanghebbenden in kennis gesteld van de behandeling van het aspectenverzoek, het verzoekschrift gedeeld en heeft zij hen uitgenodigd eventuele opmerkingen ten aanzien van het concept-akkoord aan te geven. Naar aanleiding van de uitkomst van het aspectenverzoek en de reacties heeft [verzoekster] het akkoordvoorstel aangepast. De gesprekken met de Belastingdienst hebben enige tijd gevergd. Ook heeft de invulling van de financiering de nodige tijd gevergd.

[verzoekster] is niet in staat de volledige reorganisatiewaarde uit te keren. Het aan te bieden bedrag zal worden gebaseerd op het maximale bedrag dat gefinancierd kan worden. [onderneming6] in combinatie met [onderneming7] B.V. en [onderneming] B.V zullen gezamenlijk een financiering verstrekken voor € 800.000,--. Dit onderdeel is in het aspectenverzoek aan de orde geweest.

Elke klasse heeft voor het akkoord gestemd. Tijdens de stemperiode gaven twee schuldeisers, [onderneming8] en [onderneming9] , aan dat het bedrag waartoe zij tot de stemming waren toegelaten verhoogd moest worden. Beide schuldeisers hadden niet eerder bezwaar gemaakt. [verzoekster] heeft deze schuldeisers alsnog toegelaten tot de stemming voor de hogere pre-fixatievorderingen. [onderneming8] heeft voor gestemd. [onderneming9] heeft geen stem uitgebracht. Na afloop van de stemming bleek dat twee stemgerechtigde schuldeisers, [onderneming11] B.V. en [onderneming5] B.V. per 23 juni 2023 zijn middels een turbo-liquidatie opgehouden te bestaan en per 13 juli 2023 zijn uitgeschreven uit het Handelsregister. [onderneming11] B.V en [onderneming5] B.V. hebben beiden weliswaar “voor” gestemd, maar niet rechtsgeldig hun stem kunnen uitbrengen. De stemuitslag blijft ongewijzigd indien de stemmen van [onderneming11] B.V. en [onderneming5] B.V. niet mee doen. Samengevat hebben vier schuldeisers niet gestemd, één schuldeisers heeft tegen gestemd en twee ‘voor’ stemmen zijn niet rechtsgeldig uitgebracht.

[verzoekster] is verwikkeld in een procedure met [onderneming11] B.V. en [onderneming5] B.V. In lijn met de beslissing van 12 april 2023 van deze rechtbank houdt [verzoekster] een bedrag van € 43.887,53 in depot voor uitkering aan [onderneming11] B.V. en [onderneming5] B.V. dan wel voor de concurrente schuldeisers indien de vordering van [onderneming11] B.V. en [onderneming5] B.V. volledige of gedeeltelijk wordt afgewezen. Inmiddels heeft de rechtbank bij eindvonnis de vorderingen van [onderneming11] B.V. en [onderneming5] afgewezen. De voor [onderneming11] B.V. en [onderneming5] B.V. gereserveerde uitkeringen, zal [verzoekster] in depot houden zolang de beroepstermijn nog niet verstreken is.

Daarnaast zijn enkele schuldeisers en de aandeelhouders buiten het akkoord gelaten. Dit zijn de volledig gesecureerde leasemaatschappij, de vorderingen van het pensioenfonds en een aantal schuldeisers ten behoeve van het behoud van essentiële ICT infrastructuur, en de aandeelhouders [onderneming1] en [onderneming] B.V. De aandeelhouder [onderneming1] geeft garanties voor de nieuwe financiering van [onderneming6] en de aandeelhouder [onderneming] B.V. verstrekt een geldlening aan [verzoekster] voor de uitkering onder het akkoord.

De klasseindeling en de bij de stemming gevolgde stemprocedure voldoet aan de daaraan in de artikelen 374 respectievelijk 381 Fw gestelde eisen. De nakoming van het akkoord is voldoende gewaarborgd. Tot slot zijn er geen andere reden die zich tegen homologatie verzetten. Aldus [verzoekster] .

4. De beoordeling

Bevoegdheid en aard procedure

De rechtbank heeft op 12 april 2023 haar rechtsmacht vastgesteld en zich relatief bevoegd verklaard, zodat de rechtbank op grond van artikel 369 lid 8 Fw ook bevoegd is om kennis te nemen van voorliggend verzoekschrift. Er is sprake van een besloten procedure.

Een voorwaarde om een verzoek tot goedkeuring van een akkoord te kunnen doen, is dat ten minste één klasse van aandeelhouders of schuldeisers met het akkoord heeft ingestemd (artikel 383 lid 1 Fw). Dit dient een klasse te zijn die in het geval van een faillissement van [verzoekster] naar verwachting een uitkering tegemoet kan zien. In dit geval hebben alle klassen met het akkoord ingestemd, zodat aan deze voorwaarde is voldaan.

Een akkoord wordt goedgekeurd als er geen afwijzingsgronden zijn. In dit geval zal (bij gebreke van verzoeken tot afwijzing) het akkoord op inhoud en wijze van totstandkoming worden getoetst aan de algemene afwijzingsgronden uit artikel 384 lid 2 Fw.

Ten aanzien van de informatieverstrekking (artikel 384 lid 2 sub c Fw) stelt de rechtbank vast dat [verzoekster] in het voorstel voor een akkoord de schuldeisers het volgende heeft voorgehouden:

“4.8. De rechtbank heeft tussentijds beslist dat het niet volledig uitkeren van de reorganisatiewaarde onder deze omstandigheden is toegelaten.”

“5.19 De rechtbank heeft beslist dat het akkoord niet in strijd is met artikel 384 lid 4 Fw met betrekking tot de rechten van aandeelhouders.”

[verzoekster] verwijst in een voetnoot bij dit laatste citaat naar het onder 6.7 van de beschikking van 12 april 2023 opgenomen dictum. De rechtbank overwoog echter in rechtsoverweging 5.40 en volgende dat uit artikel 384 lid 4 onder b Fw volgt dat in beginsel de gehele reorganisatiewaarde aan de schuldeisers moet worden uitgekeerd en dat de leden van een hoger gerangschikte klasse in het akkoord eerst geheel moeten zijn voldaan voordat enige waarde mag overvloeien naar een lager gerangschikte klasse.

De rechtbank stelde vast dat beide voorwaarden door [verzoekster] werden geschonden aangezien de reorganisatiewaarde werd bepaald op € 1.450.000,-- terwijl onder het akkoord ongeveer € 1.055.000,-- zou worden uitgekeerd en dat daarnaast de concurrente schuldeisers 7% van hun vordering kregen aangeboden, terwijl de aandeelhouders hun aandelen zouden behouden. Uitgaande van de feiten zoals destijds aan de rechtbank en aan de schuldeisers gepresenteerd, overwoog de rechtbank destijds dat sprake was van een redelijke grond voor afwijking van de regel dat de volledige reorganisatiewaarde conform de rangorde moet worden verdeeld, omdat het niet mogelijk bleek om meer dan € 800.000,-- te lenen ten behoeve van de herstructurering. Daarbij achtte de rechtbank van belang (i) dat de aandeelhouders [onderneming1] (indirect gelieerd aan [persoon1] en [persoon2] ) en [onderneming10] B.V. (indirect gelieerd aan [onderneming] ) afstand zouden doen van concurrente vorderingen van € 171.843,75 respectievelijk € 103.375,62, (ii) [onderneming] B.V. (evenals [onderneming10] B.V. indirect gelieerd aan [onderneming] ) afstand zou doen van haar pandrecht op inventaris, voorraden, vervoermiddelen, IE know how en vorderingen en een aflossingsvrije vordering van € 213.500,-- zou behouden in klasse 2 van het akkoord, terwijl (iii) de aandeelhouders een rol spelen bij de totstandkoming van nieuwe financiering, omdat zij een borgstelling verstrekken en [onderneming] B.V. afstand deed van haar pandrecht waardoor de nieuwe financier eersterangs zekerheden zou kunnen verkrijgen.

Waar [verzoekster] in het akkoordvoorstel dat ten grondslag lag aan de beschikking van 12 april 2023 een rekening-courant vordering van [onderneming10] B.V. had ingedeeld in Klasse 6 met een uitkeringspercentage van 0%, is [onderneming10] B.V. in het huidige akkoord geen schuldeiser meer. Ter zitting heeft [verzoekster] toegelicht dat inmiddels gebleken is dat van een rekening-courantschuld aan [onderneming10] B.V. geen sprake is, maar dat [onderneming] B.V. op 2 juli 2020 een lening van € 100.000,-- heeft verstrekt aan [verzoekster] B.V. waarvoor [onderneming10] B.V. hoofdelijk aansprakelijk is. Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van dit krediet aan [onderneming] B.V. heeft [verzoekster] een pandrecht verstrekt op de debiteurenvorderingen, de inventaris, vervoersmiddelen en voorraden, intellectuele eigendom en know-how. De in het huidige akkoord opgenomen vordering van € 312.777,18 van [onderneming] B.V. bestaat dus uit twee financieringen die [onderneming] B.V. aan [verzoekster] heeft verstrekt van in totaal € 300.000, vermeerderd met de rente ad € 12.777,18 per fixatiedatum. De hoofdsom van € 300.000,-- is achtergesteld bij het door [onderneming6] voor een periode van zes maanden te verstrekken overbruggingskrediet van € 500.000,--. Overeengekomen is dat, onder de opschortende voorwaarde van het verstrekken van de middelen van de Overbruggingsfinanciering aan [verzoekster] , [onderneming6] , althans de aan haar gelieerde [stichting] een eerste pandrecht en [onderneming] B.V, door rangwisseling een tweede pandrecht op debiteurenvorderingen, voorraden, inventaris en IP rechten krijgt. Zodra de kortlopende overbruggingsfinanciering is afgelost en er ter zake geen vorderingen meer resteren, vervalt het eerste pandrecht van de [stichting] en worden de pandrechten van [onderneming] B.V. tweede in rang, pandrechten eerste in rang. [onderneming] B.V. ontvangt onder het akkoord een uitkering van 100% in de vorm van een uitgestelde betaling waarbij het streven is dat de vordering in 2025 volledig is afgelost.

Uit het vorenstaande volgt dat de feiten die ten tijde van het aspectenverzoek werden gepresenteerd in belangrijke mate afwijken van de feiten die thans aan het akkoord en het homologatieverzoek ten grondslag liggen. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] bij de informatieverstrekking aan crediteuren niet kon volstaan met de onder 4.4. genoemde citaten, maar dat zij in de tekst van het akkoord expliciet had moeten benoemen op basis van welke uitgangspunten en onder welke voorwaarden de rechtbank ten tijde van het aspectenverzoek oordeelde dat de absolute priority rule niet geschonden werd. Daarnaast had [verzoekster] haar schuldeisers uitdrukkelijk moeten wijzen op de gewijzigde feiten en uitgangspunten in het huidige akkoord , te weten de lagere reorganisatiewaarde, de significante toename van de vordering van een gesecureerde schuldeiser, de uitgestelde betaling, de – naar verwachting kortstondige – rangwisseling en het verdwijnen van een vordering van een gelieerde partij. Door te volstaan met de verwijzing naar het dictum van de beschikking van 12 april 2023 waarin de rechtbank oordeelde dat er geen strijd is met de absolute priority rule in haar akkoordvoorstel, heeft [verzoekster] het risico genomen dat haar schuldeisers op het verkeerde been worden gezet. Het is aan [verzoekster] om de schuldeisers zodanig te informeren dat zij in staat zijn om zelfstandig een beroep te doen op de aanvullende afwijzingsgronden van artikel 384 lid 3 en lid 4 Fw. De stelling van [verzoekster] dat de uitspraak aan het akkoord was gehecht zodat schuldeisers het zelf hadden kunnen lezen en met de in het akkoord verstrekte informatie over de reorganisatiewaarde, de vorderingen en de financiering hadden kunnen begrijpen dat de situatie was gewijzigd doet hieraan niet af. Een akkoord mag onder de hier genoemde omstandigheden, waarin een aspectenverzoek is gedaan waarna de omstandigheden op basis waarvan de beslissing op dat verzoek is gegeven zijn gewijzigd, geen zoekplaatje worden. Het is aan de schuldenaar om in zo’n geval uit te leggen dat de omstandigheden zijn gewijzigd en, waar aan de orde, dat en waarom naar de mening van schuldenaar nog steeds een redelijke grond voor afwijking van de absolute prority rule aan de orde is.

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank er een tekortkoming is in de informatieverplichting, leidt dit niet tot afwijzing van het homologatieverzoek. Daarbij is van belang dat, anders dan ten tijde van het aspectenverzoek, de reorganisatiewaarde vanwege de nog te verwachten aanslag vennootschapsbelasting over de kwijtscheldingswinst fors lager is en thans bepaald is op € 1.186.000,--. Aan nieuwe financiering en aflossing uit toekomstige cashflow wordt in totaal een bedrag van € 1.120.186,21 beschikbaar gesteld. Daarmee is het verschil tussen de reorganisatiewaarde en de uitdeling onder het akkoord zodanig teruggebracht dat een beroep op artikel 384 lid 4 Fw niet aan de orde zou zijn.

Er zijn geen algemene afwijzingsgronden aanwezig. [verzoekster] verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. Er is sprake van een akkoord met bijlagen dat (afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen) de in de wet voorgeschreven informatie bevat. De schuldeisers zijn in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verkrijgen. De schuldeisers zijn op de juiste wijze in kennis gesteld van het akkoord en de oproepingsbeschikking. De schuldeisers hebben voldoende bedenktijd gehad alvorens hun stem te kunnen uitbrengen. De in het akkoord gehanteerde klassenindeling voldoet aan de vereisten van artikel 374 Fw. De schuldeisers zijn voor het juiste bedrag toegelaten tot de stemming. De nakoming van het akkoord is voldoende gewaarborgd. De nieuwe financiering die [verzoekster] ontvangt in het kader van de totstandkoming van het akkoord is niet benadelend voor de schuldeisers. Voldoende aannemelijk is dat de financiering noodzakelijk is om de onderneming van [verzoekster] te kunnen continueren en dat de gezamenlijke schuldeisers niet onbillijk in hun belangen worden geschaad. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het akkoord door bedrog, door begunstiging van één of meer stemgerechtigde schuldeisers of met behulp van andere oneerlijke middelen tot stand is gekomen. Tot slot zijn er ook geen andere redenen die zich tegen de goedkeuring van het akkoord verzetten.

Nu geen van de afwijzingsgronden zich voordoen, zal het akkoord worden gehomologeerd.

5. De beslissing

De rechtbank:

homologeert het door [verzoekster] aangeboden akkoord.

Deze beschikking is gegeven door mr. mr. C.A.M. de Bruijn, mr. F. Damsteegt en mr. V.G.T. van Emstede en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.F.B. van den Berg op 22 september 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl INS-Updates.nl 2026-0010
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?