RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21/4890 en 21/4891
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder (gemachtigde: P.E. Boersma).
Verder heeft als partij aan de zaken deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 2 december 2021 (bestreden besluit).
De zitting heeft middels een MS-Teams verbinding plaatsgevonden op 2 oktober 2023. Eiseres is zelf niet verschenen, maar Bartels wel. Namens verweerder is
P.E. Boersma verschenen.
Overwegingen
Uitnodiging voor de zitting
1. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet ten minste drie weken tevoren is uitgenodigd voor de zitting van 2 oktober 2023. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij die beroepsgrond niet langer wil handhaven. De rechtbank zal de beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Bezwaar terecht niet ontvankelijk verklaard
2. Kern van het geschil is of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen toereikende machtiging is ingediend.
3. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het bezwaar niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Zo’n vereiste is volgens artikel 2:1 van de Awb het overleggen van een machtiging als verweerder daarom heeft verzocht. Voordat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet de indiener van het bezwaar wel in de gelegenheid zijn gesteld het verzuim te herstellen.
4. Op de zitting heeft Bartels gesteld dat hij wel een toereikende machtiging naar verweerder heeft gestuurd. De rechtbank stelt vast dat bij de dossierstukken van verweerder geen toereikende machtiging is gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Bartels onvoldoende onderbouwd dat hij een toereikende machtiging naar verweerder heeft gestuurd. Zo heeft hij niet aangegeven wanneer de machtiging zou zijn verstuurd en heeft hij ook geen bewijs van verzending daarvan aan de rechtbank overgelegd.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit genoemd dat Bartels met de brief van 30 maart 2021 is verzocht een geldige machtiging te overleggen. In deze brief staat nadrukkelijk vermeld dat verweerder het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet op tijd wordt hersteld. Volgens verweerder is geen reactie van Bartels ontvangen. Vervolgens heeft verweerder Bartels op 3 mei 2021 nogmaals in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Daarbij is Bartels nogmaals gewezen op de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar als geen machtiging wordt verstrekt. Hierop is van Bartels een machtiging ontvangen die is ondertekend door [A] .
Met de brief van 18 augustus 2021 heeft verweerder Bartels gevraagd om:- een schriftelijke machtiging toe te sturen - een uittreksel uit het handelsregister (niet ouder dan één jaar)- eventuele bovenliggende uittreksels (niet ouder dan één) jaar, zodat vastgesteld kan worden wie als (uiteindelijk) bevoegd bestuurder gerechtigd is bezwaar in te stellenVerder is in de brief vermeld dat na een eerste onderzoek in het handelsregister blijkt dat Johan Koehoef slechts gezamenlijk bevoegd is. Volgens verweerder heeft Bartels niet gereageerd op de brief. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
6. Pas op de zitting heeft Bartels gesteld dat hij ‘de herstelverzuimbrief’ niet heeft ontvangen. Los van het feit dat Bartels niet aangeeft welke van de drie herstelverzuimbrieven hij niet heeft ontvangen, oordeelt de rechtbank dat Bartels dit te laat heeft aangevoerd. Nu het pas op de zitting wordt aangevoerd, kan verweerder daar niet meer goed op reageren. De rechtbank zal de beroepsgrond niet bespreken vanwege strijd met de goede procesorde. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat Bartels de drie herstelverzuimbrieven heeft ontvangen. Bovendien heeft Bartels in ieder geval wel één herstelverzuimbrief (van 3 mei 2021) ontvangen, aangezien hij daarop heeft gereageerd. Het is geen vereiste dat Bartels meermaals in de gelegenheid wordt gesteld om een verzuim te herstellen. Dat betekent dat een toereikende machtiging in bezwaar ontbrak. De rechtbank oordeelt dat verweerder het bezwaar daarom terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.
Hoorzitting in bezwaar
7. Eiseres stelt dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hierover dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake nu een toereikende machtiging in de bezwaarfase ontbrak.
Beroep op betalingsonmacht
8. Met de brief van 20 januari 2022 is door Bartels een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verschillende brieven van rechtbanken en een draagkrachtverklaring van zijn vennootschap [bedrijf] B.V. overlegd. Dit verzoek is naar het oordeel van de rechtbank terecht bij brief van 24 juli 2023 afgewezen. Aangezien Bartels namens eiseres beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van eiseres van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven.
De overschrijding van de redelijke termijn
9. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend. De rechtbank toetst de verzoeken aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het EVRM en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
10. In deze zaak is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 12 maart 2021, toen het bezwaarschrift is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 12 maart 2023 uitspraak moeten doen. Deze termijn is met acht maanden overschreden.
11. De vraag die vervolgens voorligt is hoe hoog de schadevergoeding zou moeten zijn. Voor iedere periode van zes maanden overschrijding van de redelijke termijn moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een immateriële schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, waarbij het totaal van de termijnoverschrijding naar boven wordt afgerond.
12. In de uitspraak van 12 mei 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de bestuursrechter, binnen de ruimte die de rechtspraak van het EHRM daarvoor biedt, moet differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Daarbij is geoordeeld dat de huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar te grofmazig is, omdat dit uitgangspunt geen recht doet aan de grote verscheidenheid van zaken die door de bestuursrechter wordt behandeld en aan de daarmee samenhangende diversiteit van belangen die voor betrokkenen met die zaken gepaard gaan. Voor de nadere onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank nar de overwegingen 16 tot en met 31 in de genoemde uitspraak van 12 mei 2023. De rechtbank komt in deze uitspraak tot een vergoeding van de immateriële schade van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij is in algemene zin overwogen dat het bij een WOZ-procedure gaat om een eenmalige belastingaanslag die niet doorwerkt in de toekomst. De WOZ-waarde wordt immers ieder kalenderjaar opnieuw vastgesteld door de heffingsambtenaar, waarna daartegen ieder jaar rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De rechtbank verwijst hiervoor naar overweging 33 van de uitspraak van 12 mei 2023.
13. De rechtbank sluit zich aan bij de hiervoor genoemde overwegingen en maakt die tot de hare. Net als in de uitspraak van 12 mei 2023 oordeelt de rechtbank niet over een nieuw forfaitair tarief, maar beoordeelt zij waar de overschrijding van de redelijke termijn in de nu voorliggende zaak toe moet leiden.
14. In deze zaak is eiseres een rechtspersoon en zijn de belangen naar het oordeel van de rechtbank enkel financieel van aard. De bij eiseres betrokken personen kunnen in afwachting van uitsluitsel over de aanslagen spanning en stress ervaren, maar de rechtbank vindt dat sprake is van een relatief gering belang bij de uitkomst van de procedure. De rechtbank vindt die spanning en stress niet opwegen tegen de stress en spanning van iemand die in afwachting is van een bestuursrechtelijke procedure over bijvoorbeeld een verblijfsvergunning of een uitkering. Daarbij komt – zoals hiervoor overwogen – dat het gaat om een eenmalige belastingaanslag van een relatief beperkte omvang die niet doorwerkt in de toekomst. Alles afwegend vindt de rechtbank een schadevergoeding van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden in deze zaak billijk.
15. In dit geval is de redelijke termijn met acht maanden overschreden. Dit leidt tot een aanspraak op schadevergoeding van € 50,-. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar € 17,- aan schadevergoeding aan eiseres moet betalen en de Staat € 33,-.
Proceskosten
16. Eiseres heeft verzocht om de heffingsambtenaar te veroordelen in haar proceskosten die bestaan uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
17. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen, voor zover die bijstand is verleend voor het beroep.
18. Omdat de rechtbank een schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn toekent, is er in beginsel wel aanleiding om de heffingsambtenaar en/of de Staat te veroordelen in de rechtsbijstandskosten die met het oog op het verzoek om schadevergoeding zijn gemaakt. De rechtbank oordeelt dat bij een beslissing over proceskosten kan worden afgeweken van het systeem van forfaitaire vergoeding uit het Besluit proceskosten bestuursrecht, in gevallen waarin het alleen nog gaat over de kosten die zijn gemaakt vanwege het verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden an de redelijke termijn. De rechtbank zal de gevraagde vergoeding voor rechtsbijstandskosten daarom beoordelen aan de hand van de vraag welke kosten redelijkerwijs gemaakt moesten worden door de Bartels. Voor een nadere onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank opnieuw naar overgingen 47 tot en met 49 van de eerder genoemde uitspraak van 21 december 2022. De rechtbank sluit zich aan bij deze overwegingen.
19. De Bartels hoefde in dit geval vrijwel geen werkzaamheden te verrichten om het verzoek om immateriële schadevergoeding te laten beoordelen door de rechtbank. Het enkele verzoek daartoe volstaat. Uit de dossierstukken blijkt ook dat hij niet meer dan dat heeft gedaan. tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat geen sprake is
van daadwerkelijke kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken voor rechtsbijstand in de procedures over het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Nagezonden stukken
20. Op 4 oktober 2023 heeft Bartels nog een brief gezonden met dagtekening 2 oktober 2023. Omdat dit stuk pas bij de rechtbank is binnen gekomen nadat het onderzoek op 2 oktober 2023 ter zitting is gesloten en dit stuk geen aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen, wordt dit stuk niet in behandeling genomen door de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 18,75,-;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 31,25,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren rechter, in aanwezigheid van
S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.