RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/380
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder (gemachtigde: P.E. Boersma).
Verder heeft als partij aan de zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van 12 januari 2022 (het bestreden besluit).
De zitting heeft middels een MSTeams verbinding plaatsgevonden op 2 oktober 2023. Eiseres is zelf niet verschenen, maar haar gemachtigde wel. Ook de gemachtigde van verweerder is verschenen.
Overwegingen
Uitnodiging voor de zitting
1. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet ten minste drie weken tevoren is uitgenodigd voor de zitting van 2 oktober 2023. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij die beroepsgrond niet langer wil handhaven. De rechtbank zal de beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard
2. In geschil is of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het zonder geldige reden te laat is ingediend.
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. De termijn voor het indienen van bezwaar vangt ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) in samenhang met artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan op de dag na dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking.
4. In dit geval is het aanslagbiljet gedagtekend op 30 april 2020. Eiseres stelt pas op de zitting van de rechtbank dat zij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen. De rechtbank begrijpt dat eiseres de verzending van het aanslagbiljet betwist. Als een belanghebbende de verzending van een – niet aangetekend – poststuk voldoende gemotiveerd betwist, is het in beginsel aan verweerder om die verzending aannemelijk te maken. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het poststuk op het adres van belanghebbende. Dit brengt mee dat verweerder in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Als het poststuk niet-aangetekend is verstuurd, zoals in dit geval, kan verweerder dat bewijs leveren door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum het poststuk is verzonden. Contra-indicaties kunnen echter meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het poststuk met het aanslagbiljet wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is geworden. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het aanslagbiljet aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.
5. Het aanslagbiljet is niet per aangetekende post verzonden. Dat volgt uit een in het verweerschrift opgenomen printscreen van een door verweerder ingevoerde opdracht tot verzending van het aanslagbiljet. Uit de printscreen en het verweerschrift volgt dat het aanslagbiljet op 22 april 2020 digitaal is aangeboden aan Data B. In het verweerschrift is toegelicht dat Data B het poststuk met aanslagbiljet heeft aangeboden bij Post NL die een 72-uurs service biedt. Uit die administratie blijkt niet dat en op welke datum het aanslagbiljet is aangeboden of verzonden.
6. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de in 4. bedoelde contra-indicaties op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres het poststuk met het aanslagbiljet op of omstreeks 30 april 2020 heeft ontvangen. De rechtbank acht, naast het onder 5 overwogene, het volgende van belang. Het bezwaarschrift is gedateerd 12 april 2021. In het bezwaarschrift (2e alinea) is vermeld dat namens belanghebbende ontijdig bezwaar wordt aangetekend. De rechtbank leidt daaruit af dat eiseres erkent dat het bezwaar te laat is ingediend. Verder heeft eiseres in de bezwaarprocedure niet aangevoerd dat zij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen: niet in het bezwaarschrift en volgens verweerder ook niet naar aanleiding van de brief van 27 november 2021 waarin aan eiseres wordt gemeld dat het bezwaarschrift te laat is verzonden en de reden voor de termijnoverschrijding wordt opgevraagd. In het bestreden besluit is verder vermeld dat uit de heffingsadministratie is gebleken dat eiseres gewoonlijk de aanslagen kort na ontvangst voldoet middels automatische incasso. Als dat niet lukt, zo stelt verweerder, zoekt eiseres contact met verweerder om een betalingsregeling te treffen. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiseres contact met hem heeft opgenomen, vanwege betalingen zonder dat een onderliggende aanslag is ontvangen.
7. Gelet op hetgeen onder 5 en 6 is overwogen, moet worden aangenomen dat het aanslagbiljet met dagtekening 30 april 2020 op de juiste wijze is bekendgemaakt. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 11 juni 2020 door verweerder ontvangen moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaar ontvangen op 14 april 2021. Dat is buiten de wettelijk voorgeschreven termijn.
8. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaarschrift niet inhoudelijk hoeft te behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
9. Volgens verweerder is op 6 december 2021 een reactie ontvangen van eiseres op de vraag waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Maar volgens verweerder geeft eiseres niet aan waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Ook in beroep bij de rechtbank heeft eiseres dat niet aangevoerd en onderbouwd.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Hoorzitting in bezwaar
11. Eiseres stelt dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hierover dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake nu het bezwaarschrift te laat was ingediend.
Beroep op betalingsonmacht
12. Met de brief van 10 maart 2022 is door de gemachtigde een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verschillende brieven van rechtbanken en een draagkrachtverklaring van zijn vennootschap [bedrijf] B.V. overlegd. Dit verzoek is naar het oordeel van de rechtbank terecht bij brief van 29 juni 2022 afgewezen. Aangezien gemachtigde namens eiseres beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van eiseres van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven.
Overschrijding van de redelijke termijn
13. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend. De rechtbank toetst de verzoeken aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het EVRM en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
14. In deze zaak is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 14 april 2021, toen het bezwaarschrift is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 14 april 2023 uitspraak moeten doen. Deze termijn is met bijna zeven maanden overschreden.
15. De vraag die vervolgens voorligt is hoe hoog de schadevergoeding zou moeten zijn. Voor iedere periode van zes maanden overschrijding van de redelijke termijn moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een immateriële schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, waarbij het totaal van de termijnoverschrijding naar boven wordt afgerond.
16. In de uitspraak van 12 mei 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de bestuursrechter, binnen de ruimte die de rechtspraak van het EHRM daarvoor biedt, moet differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van
de redelijke termijn. Daarbij is geoordeeld dat de huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar te grofmazig is, omdat dit uitgangspunt geen recht doet aan de grote verscheidenheid van zaken die door de bestuursrechter wordt behandeld en aan de daarmee samenhangende diversiteit van belangen die voor betrokkenen met die zaken gepaard gaan. Voor de nadere onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank nar de overwegingen 16 tot en met 31 in de genoemde uitspraak van 12 mei 2023. De rechtbank komt in deze uitspraak tot een vergoeding van de immateriële schade van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij is in algemene zin overwogen dat het bij een WOZ-procedure gaat om een eenmalige belastingaanslag die niet doorwerkt in de toekomst. De WOZ-waarde wordt immers ieder kalenderjaar opnieuw vastgesteld door de heffingsambtenaar, waarna daartegen ieder jaar rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De rechtbank verwijst hiervoor naar overweging 33 van de uitspraak van 12 mei 2023.
17. De rechtbank sluit zich aan bij de hiervoor genoemde overwegingen en maakt die tot de hare. Net als in de uitspraak van 12 mei 2023 oordeelt de rechtbank niet over een nieuw forfaitair tarief, maar beoordeelt zij waar de overschrijding van de redelijke termijn in de nu voorliggende zaak toe moet leiden.
18. In deze zaak zijn de belangen naar het oordeel van de rechtbank enkel financieel van aard. Eiseres kan in afwachting van uitsluitsel over de aanslagen spanning en stress ervaren, maar de rechtbank vindt da een relatief gering belang. Het gaat hier om eenmalige belastingaanslagen van een relatief beperkte omvang. De rechtbank vindt die spanning en stress namelijk niet opwegen tegen de spanning en stress van iemand die in afwachting is van een bestuursrechtelijke procedure over bijvoorbeeld een verblijfsvergunning of een uitkering. Daarbij komt – zoals hiervoor overwogen – dat het gaat om een eenmalige belastingaanslag van een relatief beperkte omvang die niet doorwerkt in de toekomst. Alles afwegend vindt de rechtbank een schadevergoeding van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden in deze zaak billijk.
19. In dit geval is de redelijke termijn met bijna zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een aanspraak op schadevergoeding van € 50,-. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar € 21,43,- aan schadevergoeding aan eiseres moet betalen en de Staat € 28,57,-.
Proceskosten
20. Eiseres heeft verzocht om verweerder te veroordelen in haar proceskosten die bestaan uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
21. Omdat het beroep ongegrond is, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen, voor zover die bijstand is verleend voor het beroep.
22. Omdat de rechtbank een schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn toekent, is er in beginsel wel aanleiding om verweerder en/of de Staat te veroordelen in de rechtsbijstandskosten die met het oog op het verzoek om schadevergoeding zijn gemaakt. De rechtbank oordeelt dat bij een beslissing over proceskosten kan worden afgeweken van het systeem van forfaitaire vergoeding uit het Besluit proceskosten bestuursrecht, in gevallen waarin het alleen nog gaat over de kosten die zijn gemaakt vanwege het verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De rechtbank zal de gevraagde vergoeding voor rechtsbijstandskosten daarom beoordelen aan de hand van de vraag welke kosten redelijkerwijs gemaakt moesten worden door de gemachtigde van eiser. Voor een nadere onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank opnieuw naar overgingen 47 tot en met 49 van de eerder genoemde uitspraak van 21 december 2022. De rechtbank sluit zich aan bij deze overwegingen.
23. De gemachtigde van eiseres hoefde in dit geval vrijwel geen werkzaamheden te verrichten om het verzoek om immateriële schadevergoeding te laten beoordelen door de rechtbank. Het enkele verzoek daartoe volstaat. Uit de dossierstukken blijkt ook dat hij niet meer dan dat heeft gedaan. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van daadwerkelijke kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken voor rechtsbijstand in de procedures over het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Nagekomen stukken
24. Op 4 oktober 2023 heeft Bartels nog een brief gezonden met dagtekening 2 oktober 2023. Omdat dit stuk pas bij de rechtbank is binnen gekomen nadat het onderzoek op 2 oktober 2023 ter zitting is gesloten en dit stuk geen aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen, wordt dit stuk niet in behandeling genomen door de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 21,43,-;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 28,57,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren rechter, in aanwezigheid van
S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.