RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/393, 22/394, 22/395 en 22/452
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder (gemachtigde: P.E. Boersma).
Verder heeft als partij aan de zaken deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 17 januari 2022 (bestreden besluit).
De zitting heeft middels een MS-Teams verbinding plaatsgevonden op 2 oktober 2023. Eiser is zelf niet verschenen, maar zijn gemachtigde wel. Namens verweerder is de gemachtigde verschenen.
Overwegingen
Uitnodiging voor de zitting
1. Eiser heeft gesteld dat hij niet ten minste drie weken tevoren is uitgenodigd voor de zitting van de rechtbank van 2 oktober 2023. Hij vindt dat in strijd met de goede procesorde.
2. De rechtbank stelt vast dat de griffier de gemachtigde van eiser met de brief van 13 september 2023 per abuis heeft uitgenodigd voor de zitting op een dag in het weekend. Met de brief van 14 september 2023 heeft de griffier de zittingsdatum hersteld en aangepast naar de maandagmiddag conform de vaste zittingsafspraak met de gemachtigde van eiser. Met de e-mail van 21 september 2023 heeft de griffier, overigens op verzoek van de gemachtigde van eiser, ook de te behandelen gesplitste zaaknummers gemeld. De rechtbank overweegt dat de uitnodiging op enkele dagen na niet voldoet aan de termijn van artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank constateert dat het een eenvoudige zaak betreft, die is gepland op het tijdstip dat de rechtbank en de gemachtigde van eiser een vaste zittingsafspraak hebben. Ook heeft de gemachtigde van eiser niet toegelicht, laat staan aannemelijk gemaakt, dat hij desondanks te weinig tijd heeft gehad om de zitting voor te bereiden. De rechtbank oordeelt dat onder deze omstandigheden geen sprake is van strijd met de goede procesorde.
Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. De termijn voor het indienen van bezwaar vangt ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) in samenhang met artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan op de dag na dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking.
4. In dit geval is het aanslagbiljet gedagtekend op 28 februari 2021. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 12 april 2021 door verweerder ontvangen moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaar ontvangen op 16 april 2021. Dat is te laat.
5. Eiser is het daar niet mee eens. Volgens eiser heeft hij het bezwaarschrift op 9 april 2021 per post verzonden en heeft hij wel op tijd bezwaar gemaakt.
6. De rechtbank overweegt dat in geval van verzending van een bezwaarschrift via de post de bewijslast ten aanzien van tijdige terpostbezorging op de afzender (dus eiser) rust. Van belang is of een leesbaar poststempel op de enveloppe is geplaatst. De rechtbank stelt vast dat een kopie van de enveloppe bij de stukken is gevoegd, maar dat daarop geen leesbaar poststempel is vermeld met een datum.
7, Als geen (leesbaar) poststempel op de enveloppe is geplaatst, moet worden aangenomen dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd indien het op de eerste of tweede werkdag na het einde van de bezwaartermijn is ontvangen, tenzij het tegendeel komt vast te staan. In dit geval is het bezwaarschrift meer dan twee werkdagen na het einde van de bezwaartermijn ontvangen, namelijk op 16 april 2021.
8. Vervolgens moet worden onderzocht of bewijs is geleverd dat het bezwaarschrift wel binnen de termijn ter post is bezorgd. De rechtbank oordeelt dat dat niet aannemelijk is geworden. Het enkele bewijs dat eiser heeft geleverd is dat zijn gemachtigde het bezwaarschrift zelf heeft gedateerd op 9 april 2021 en dat de gemachtigde in een op 14 december 2021 door verweerder ontvangen email zijn normale werkwijze heeft weergegeven. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende. Zeker nu de gemachtigde van eiser ook een email van 14 april 2021 heeft overgelegd gericht aan hem en ondertekend door eiser. In die email is onder andere vermeld ‘Bijgaand de stukken voor het bezwaar.’ en ‘Graag hoor ik of het bezwaar nog mogelijk is.’ Nu die email dateert van 14 april 2021 is niet aannemelijk dat het bezwaar op 9 april 2021 (en dus tijdig) is verzonden.
9. Eiser heeft ook in beroep niet gesteld dat hij een geldige reden heeft voor de termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelt dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het te laat is ingediend. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de beroepsgronden gericht tegen het ontbreken van een toereikende machtiging niet meer bespreken.
Hoorzitting in bezwaar
10. Eiser stelt dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hierover dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake nu het bezwaar te laat was ingediend.
Beroep op betalingsonmacht
11. Met de brief van 4 april 2022 is door de gemachtigde van eiser een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verschillende brieven van rechtbanken en een draagkrachtverklaring van zijn vennootschap [bedrijf] B.V. overlegd. Dit verzoek is naar het oordeel van de rechtbank terecht bij brief van 1 juli 2022 afgewezen. Aangezien gemachtigde van eiser namens eiser beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van eiser van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven.
De overschrijding van de redelijke termijn
12. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend. De rechtbank toetst de verzoeken aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het EVRM en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
13. In deze zaak is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 16 april 2021, toen het bezwaarschrift is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 16 april 2023 uitspraak moeten doen. Deze termijn is met bijna zeven maanden overschreden.
14. De vraag die vervolgens voorligt is hoe hoog de schadevergoeding zou moeten zijn. Voor iedere periode van zes maanden overschrijding van de redelijke termijn moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een immateriële schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, waarbij het totaal van de termijnoverschrijding naar boven wordt afgerond.
15. In de uitspraak van 12 mei 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de bestuursrechter, binnen de ruimte die de rechtspraak van het EHRM daarvoor biedt, moet differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Daarbij is geoordeeld dat de huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar te grofmazig is, omdat dit uitgangspunt geen recht doet aan de grote verscheidenheid van zaken die door de bestuursrechter wordt behandeld en aan de daarmee samenhangende diversiteit van belangen die voor betrokkenen met die zaken gepaard gaan. Voor de nadere onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank nar de overwegingen 16 tot en met 31 in de genoemde uitspraak van 12 mei 2023. De rechtbank komt in deze uitspraak tot een vergoeding van de immateriële schade van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij is in algemene zin overwogen dat het bij een WOZ-procedure gaat om een eenmalige belastingaanslag die niet doorwerkt in de toekomst. De WOZ-waarde wordt immers ieder kalenderjaar opnieuw vastgesteld door de heffingsambtenaar, waarna daartegen ieder jaar rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De rechtbank verwijst hiervoor naar overweging 33 van de uitspraak van 12 mei 2023.
16. De rechtbank sluit zich aan bij de hiervoor genoemde overwegingen en maakt die tot de hare. Net als in de uitspraak van 12 mei 2023 oordeelt de rechtbank niet over een nieuw forfaitair tarief, maar beoordeelt zij waar de overschrijding van de redelijke termijn in de nu voorliggende zaak toe moet leiden.
17. In dit geval is de redelijke termijn met bijna zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een aanspraak op schadevergoeding van € 50,-. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan verweerder en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank verweerder en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. Dat leidt ertoe dat verweerder € 21,43,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat
€ 28,57,-.
Proceskosten
18. Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen in haar proceskosten die bestaan uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
19. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen, voor zover die bijstand is verleend voor het beroep.
20. Omdat de rechtbank een schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn toekent, is er in beginsel wel aanleiding om verweerder en/of de Staat te veroordelen in de rechtsbijstandskosten die met het oog op het verzoek om schadevergoeding zijn gemaakt. De rechtbank oordeelt dat bij een beslissing over proceskosten kan worden afgeweken van het systeem van forfaitaire vergoeding uit het Besluit proceskosten bestuursrecht, in gevallen waarin het alleen nog gaat over de kosten die zijn gemaakt vanwege het verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De rechtbank zal de gevraagde vergoeding voor rechtsbijstandskosten daarom beoordelen aan de hand van de vraag welke kosten redelijkerwijs gemaakt moesten worden door de gemachtigde van eiser. Voor een nadere onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank opnieuw naar overgingen 47 tot en met 49 van de eerdergenoemde uitspraak van 21 december 2022. De rechtbank sluit zich aan bij deze overwegingen.
21. De gemachtigde van eiser hoefde in dit geval vrijwel geen werkzaamheden te verrichten om het verzoek om immateriële schadevergoeding te laten beoordelen door de rechtbank. Het enkele verzoek daartoe volstaat. Uit de dossierstukken blijkt ook dat hij niet meer dan dat heeft gedaan. tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat geen sprake is
van daadwerkelijke kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken voor rechtsbijstand in de procedures over het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Nagekomen stukken
22. Op 4 oktober 2023 heeft de gemachtigde van eiser nog een brief gezonden met dagtekening 2 oktober 2023. Omdat dit stuk pas bij de rechtbank is binnen gekomen nadat het onderzoek op 2 oktober 2023 ter zitting is gesloten en dit stuk geen aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen, wordt dit stuk niet in behandeling genomen door de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 21,43,-,;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 28,57,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren rechter, in aanwezigheid van
S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.