RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/312834-22 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 oktober 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd te Justitieel Complex [plaats] ,
hierna: verdachte.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 maart 2023, 13 april 2023, 6 juli 2023, 25 september 2023 en 10 oktober 2023. De zaak is op laatstgenoemde datum inhoudelijk behandeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. V. Lantain en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, advocaat te Amsterdam, alsmede mr. T.C. Cooman, advocaat te De Meern, namens de benadeelde partij [aangever] naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair:
op 28 november 2022 in Den Dolder heeft geprobeerd [aangever] opzettelijk van het leven te beroven door met een mes naar hem te steken;
subsidiair: op 28 november 2022 in Den Dolder heeft geprobeerd [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes naar hem te steken;
meer subsidiair: op 28 november 2022 in Den Dolder [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door met een mes naar hem te steken.
3. VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De officier van justitie heeft aangevoerd dat, ondanks dat het opzet van verdachte op de dood van [aangever] (hierna: aangever) was gericht, de kans op het intreden van de dood op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld, nu het onduidelijk is of vitale lichaamsdelen van aangever door verdachte zouden zijn geraakt. De officier van justitie acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wel te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat het opzet van verdachte was gericht op de dood van aangever, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De raadsman heeft daarnaast bepleit dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans oplevert op de dood van aangever, dan wel op zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het meer subsidiair ten laste gelegde, te weten het bedreigen van aangever, wel wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Aangever [aangever] heeft onder meer het volgende verklaard:
Plaats delict: Den Dolder.
Ik doe aangifte tegen [verdachte] .Op 28 november 2022 stond ik op ongeveer een meter afstand van [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] opeens haar hand achter haar rug vandaan haalde en een mes vasthield in haar rechterhand. Later bleek dat dit een broodmes met scherpe punt was. Ik zag dat zij haar rechterhand met het mes omhoog hief tot boven haar schouder. Ik zag dat zij op mij af rende en haar hand met het mes met kracht naar mij toe stootte. Ik hoorde dat ze meerdere malen riep dat zij mij ging vermoorden. Ik liep achteruit. Ik zag dat [verdachte] op me af bleef rennen en met het mes naar mij toe stootte. Ik zag dat bij de stoten het mes op ongeveer dertig (30) centimeter van mijn lichaam verwijderd was. Ik pakte de arm en hand vast, waar [verdachte] het mes in vasthield. Hierdoor ontstond een worsteling.
In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] staat onder meer het volgende:
Naar aanleiding van een geweldsincident bij [instelling] te Den Dolder op 28 november 2022 zijn de beveiligingsbeelden uitgekeken.
2022-11-28: De manspersoon (de rechtbank begrijpt: aangever) komt achteruitlopend in beeld. Een vrouw maakt met opgeheven rechterhand/arm een stekende beweging in de richting van de man. De man deinst verder naar achteren en valt hierbij op de grond. De vrouw blijft op de man aflopen (versnelde pas) en blijft op de man insteken. In de rechterhand heeft zij een mes beet waarmee zij op de man insteekt. De vrouw hakt met volle overgave in de richting van de man. Ik verbalisant herken de vrouw met het mes als de verdachte: [verdachte] .
Getuige [getuige] heeft onder meer het volgende verklaard: Op 28 november 2022 zag ik [aangever] (de rechtbank begrijpt: aangever) en [verdachte] samen op de grond worstelen. Hierop ben ik [aangever] te hulp geschoten. Terwijl ik bovenop [verdachte] lag hoorde ik haar roepen: "Ik maak je dood". Ik hoorde [verdachte] dat meerdere keren roepen.
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte aangever met een mes heeft aangevallen met het opzet om hem te doden, zodat de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
primair:
op 28 november 2022 te Den Dolder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, meermaals op korte afstand van die [aangever] met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt richting het hoofd en het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
poging tot doodslag.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hetgeen zij wettig en overtuigend te bewijzen acht niet aan verdachte kan worden toegerekend. De officier van justitie heeft hierbij aansluiting gevonden bij de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) over verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat hij zich kan vinden in het advies van de Pro Justitia rapporteurs van het PBC, om het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen. Verdachte moet dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage van het PBC van 15 september 2023, opgemaakt door M. van Berkel, psychiater, en F.S. van Huis, GZ-psycholoog (hierna: het PBC-rapport). Verdachte was tijdens haar verblijf in het PBC door haar psychopathologie en psychotische toestandsbeeld niet in staat om mee te werken aan het onderzoek en was daarmee zeer beperkt onderzoekbaar. Verdachte is na een week in het PBC verbleven te hebben teruggeplaatst naar het PPC te Zaanstad , waar de rest van het onderzoek heeft plaatsgevonden. Ondanks de korte observatieperiode in het PBC hebben de deskundigen een beeld kunnen krijgen van het (dis)functioneren van verdachte, en zijn zij, in combinatie met de bestaande dossierinformatie en het milieuonderzoek, tot de volgende diagnostische conclusies gekomen.
De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type en van een (lichte) stoornis in het gebruik van middelen (in gedwongen remissie). De deskundigen zijn van oordeel dat beide (al jarenlang aanwezige) stoornissen van verdachte ook aanwezig waren gedurende het ten laste gelegde.
Ten tijde van het ten laste gelegde verbleef verdachte op de crisisafdeling van de GGZ-instelling [instelling] . In deze periode was bij verdachte sprake van een manisch-psychotisch toestandsbeeld, in het kader van de hierboven genoemde schizo-affectieve stoornis. De deskundigen constateren dat verdachte tijdens haar verblijf met haar medicatie sjoemelde en herhaaldelijk medicatie-inname weigerde, waardoor haar onrust en manische ontremming toenam. Ook heeft zij zich aan de behandeling onttrokken door eenmaal onder invloed van cannabis, amfetamine en alcohol, na anderhalve dag afwezigheid, terug te keren bij [instelling] .
Wanneer verdachte manisch en/of psychotisch ontregeld is, zijn haar emotie- en agressieregulatie en haar frustratietolerantie ernstig verstoord. Verdachte is opgefokt, prikkelbaar en vertoont grensoverschrijdend gedrag. Als verdachte, in een dergelijke toestand, op haar gedrag wordt aangesproken of wordt begrensd, leidt dat tot woede, achterdocht en impulsiviteit. Er is sprake van een duidelijk patroon van (onverwachte en disproportionele) agressie naar hulpverleners, vrijwel altijd in ontregelde toestand en veelal nadat zij wordt begrensd. Het ten laste gelegde past volgens de deskundigen volledig in dit patroon. Verdachte heeft, in ontregelde toestand, aangegeven naar buiten te willen, waarop aangever tegen haar heeft gezegd dat dit niet kon. Door haar ontregeling was verdachte op dat moment niet in staat haar emoties en agressie te reguleren en had zij geen controle over haar gedrag. Gelet hierop komen de deskundigen tot het advies verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van het aan haar ten laste gelegde.
De rechtbank neemt de conclusie en het advies van de deskundigen over. De rechtbank concludeert dat het bewezenverklaarde feit in zijn geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van het bewezen verklaarde feit ontslaan van alle rechtsvervolging.
8. OPLEGGING VAN MAATREGEL
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zake van het door haar bewezen geachte gevorderd te gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, zodat verdachte behandeld kan worden en niet opnieuw geweldsfeiten tegen hulpverleners begaat. De duur van deze maatregel is ongemaximeerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de oplegging van een tbs-maatregel aangewezen is, nu minder vergaande alternatieven niet mogelijk zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich, tijdens haar verblijf op de crisisafdeling van de GGZ-instelling [instelling] , schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een hulpverlener die op de afdeling werkte. Verdachte is boos geworden en heeft onverwachts en op snelheid het slachtoffer aangevallen, waarbij zij heeft geroepen het slachtoffer te willen vermoorden. Ze heeft met een mes meerdere stekende bewegingen in de richting van het hoofd en het lichaam van het slachtoffer gemaakt terwijl zij op korte afstand van het slachtoffer stond. Verdachte heeft de aanval steeds doorgezet terwijl het slachtoffer weg probeerde te lopen en haar door middel van het geven van trappen op voldoende afstand probeerde te houden. Na een worsteling is het mes uit de handen van verdachte geraakt. Dat het slachtoffer geen lichamelijk letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Aangever en zijn collega’s zijn ongewild geconfronteerd met de gewelddadige uitbarsting van verdachte. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zich erg bedreigd heeft gevoeld en ervan overtuigd was dat verdachte hem om het leven zou kunnen brengen. Algemene ervaringsregels leren dat dit soort geweldsfeiten voor lange tijd angst en leed toebrengen aan slachtoffers en hun gevoel van veiligheid aantasten. Dit soort feiten zorgen ook in bredere zin voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft met haar tegen hulpverleners gerichte geweld in het bijzonder bij maatschappelijke zorgverleners gevoelens van onveiligheid versterkt. Dat maakt het feit des te ernstiger.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 september 2023 op naam van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar veelvuldig voor geweldsfeiten tegen beroepsbeoefenaars (hulpverleners) is veroordeeld, waardoor sprake is van recidive.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het PBC-rapport over verdachte. De deskundigen beschrijven dat verdachte sinds 2013 bijna onafgebroken opgenomen is geweest in diverse klinieken. De behandelingen, waaronder medicamenteuze behandeling, die verdachte heeft ondergaan hebben tot nu toe weinig effect gehad. Bij verdachte is sprake van een gebrek aan motivatie voor behandeling, waarbij verdachte niet trouw is in haar medicatie-inname en verdovende middelen gebruikt. Zij is hierdoor veelvoudig psychisch ontregeld. Ondanks de intensieve klinische en medicamenteuze behandelingen, die veelal plaatsvonden in een omgeving met hoge beveiligingsniveaus, is bij verdachte sprake van een jarenlang patroon van (ernstige) agressie tegen medewerkers van instellingen. Zo heeft zij ook binnen het PPC waar zij nu zit agressief gedrag vertoond en werd haar opname in het PBC niet langer veilig en zinvol geacht.
De deskundigen stellen dat door de ernstige pathologie van verdachte de kans op toekomstig gewelddadig gedrag op de korte en lange termijn als hoog kan worden ingeschat. De kans op agressie neemt direct toe wanneer verdachte psychisch ontregeld is. Het recidiverisico hangt daarom sterk samen met medicatie-inname en de onthouding van verdovende middelen door verdachte.
De deskundigen hebben, gelet op het benodigde hoge beveiligingsniveau, het gebrek aan ziekte-inzicht en motivatie en de lange duur van de benodigde behandeling, de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege geadviseerd. De onderzoekers menen dat, gelet op het bovenstaande, de behandeling dient plaats te vinden in een setting met het hoogst mogelijke beveiligingsniveau, te weten een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC). De behandeling zal zich, naar het oordeel van de deskundigen, moeten richten op het (blijven) zoeken naar de meest passende medicamenteuze behandeling.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 17 september 2023, opgesteld door mevrouw C.S. Pruis, reclasseringswerker. De reclassering constateert dat bij verdachte sprake is van een delictspatroon ten aanzien van geweld tegen beroepsbeoefenaren en sluit zich aan bij het advies aan verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ter beschikking moet worden gesteld en van overheidswege moet worden verpleegd (tbs met dwangverpleging). Op grond van het PBC-rapport is duidelijk dat er bij verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek. De behandeling die tot nu toe tijdens en rondom de vele klinische opnames heeft plaatsgevonden, heeft onvoldoende effect gehad. Onder invloed van psychische ontregeling heeft verdachte meerdere keren geweld toegepast, vooral richting hulpverleners, waaronder het bewezenverklaarde ernstige incident. Op basis van het PBC-rapport moet worden geconcludeerd dat de kans op herhaling van zulke ernstige geweldsfeiten groot is. Door haar ziekte kan verdachte zich niet conformeren aan voorwaarden. Daarnaast maken het benodigde hoge beveiligingsniveau en de verwachte lange duur van de behandeling dat er geen andere mogelijkheid is dan verdachte een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen.
Er is daarmee voldaan aan alle in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereisten om tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling te komen. Zo bestond er bij verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan 4 jaren is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van verdachte nodig is, aangezien zij, gelet op de aard en ernst van het strafbare feit, haar psychische problematiek en het hoge risico op gewelddadig gedrag, een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de noodzakelijke behandeling in een minder vergaand kader te realiseren, nu ziektebesef en behandelmotivatie bij verdachte ontbreken.
De maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren. Met het oog op de ernstige psychische problematiek en het risico op verdere psychische ontregeling, verdient het aanbeveling de tbs-maatregel zo spoedig mogelijk te laten aanvangen, zodat verdachte op haar situatie toegesneden hulpverlening en behandeling kan verkrijgen.
9. BESLAG
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat het beslag voor wat betreft het mes al door het Openbaar Ministerie is afgehandeld. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen heeft zij geen standpunt ingenomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten het mes (G3082938), verbeurd verklaren. Met betrekking tot dit voorwerp is het bewezenverklaarde begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten de verdovende middelen (G3082901), onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
10. BENADEELDE PARTIJ
De heer [aangever] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering benadeelde partij toe te wijzen en heeft zich ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [aangever] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending in de huidige zaak met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen die geweldsfeiten als deze, naar algemene ervaringsregels, teweeg brengen, acht de rechtbank het gehele gevorderde bedrag billijk, en daarom toewijsbaar.
De rechtbank zal aldus de vordering voor een totaalbedrag van € 1.000,- toewijzen, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 november 2022 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij
[aangever] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 november 2022 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 20 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
12. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
Oplegging maatregel
- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege wordt verpleegd;
Beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
een mes (G3082938);
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
verdovende middelen: te weten wit vettig poeder (G3082901).
Benadeelde partij
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en H.C. Piet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2023.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 28 november 2022 te Den Dolder, gemeente Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, één of meermaals op korte afstand van die [aangever] met een mes (een) stekende beweging(en) heeft gemaakt richting het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 28 november 2022 te Den Dolder, gemeente Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermaals op korte afstand van die [aangever] met een mes (een) stekende beweging(en) heeft gemaakt richting het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 28 november 2022 te Den Dolder, gemeente Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:- één of meermaals op korte afstand van die [aangever] met een mes (een) stekende beweging(en) te maken richting het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] ,- achter die [aangever] aan te rennen/gaan en/of- (daarbij) die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)