ECLI:NL:RBMNE:2023:7811

ECLI:NL:RBMNE:2023:7811

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 14-11-2023
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 16/180994-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De verdachte heeft op locatie in Utrecht met een grote groep jongens geweld gepleegd tegen aangever. Het geweld bestond uit het meermaals slaan/stompen en schoppen/trappen tegen het hoofd en het lichaam van aangever. Ook is aangever met een stoel geslagen. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/180994-23 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 november 2023

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboortedatum] (Syrië),

wonende aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] ,

hierna: verdachte.

1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2023.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M. Rafik, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1, primair: op 19 juli 2023 in Utrecht samen met (een) ander(en) heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven;

feit 1, subsidiair: op 19 juli 2023 in Utrecht samen met (een) ander(en) heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: op 19 juli 2023 in Utrecht openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

3. VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dit feit heeft volgens de officier van justitie betrekking op het geweld dat heeft plaatsgevonden vanaf het moment dat verdachte met beide benen in de lucht springt en [slachtoffer] (hierna: aangever) een trap in zijn rug geeft (moment 2). Door het geweld dat daarvoor op aangever is uitgeoefend (moment 1), acht de officier van justitie ook het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ook dient verdachte partiëel te worden vrijgesproken van de onder feit 2 ten laste gelegde handelingen die zien op het schoppen tegen het hoofd en het slaan met een stoel tegen het hoofd van aangever.

De raadsman heeft aangevoerd dat op basis van het meest objectieve bewijs, te weten de camerabeelden, niet is vast te stellen dat de trappen/schoppen op het hoofd van aangever terecht zijn gekomen. Beschreven is dat aangever dit geweld ook heeft afgeweerd door in elkaar te duiken en zijn handen en armen voor zijn hoofd te houden. Gelet op het geconstateerde letsel is het eveneens aannemelijk dat de schoppen/trappen richting het hoofd van aangever niet raak waren, anders was hij er erger aan toe geweest. De raadsman heeft verder bepleit dat aangever niet heeft verklaard door een stoel te zijn geraakt en dat dit is ook niet op de camerabeelden is waar te nemen. Op het moment dat aangever tegen de glazen wand aan ligt was volgens de raadsman bovendien sprake van een ondeugdelijke poging. Er zat namelijk een stang/railing in de weg en aangever hield zijn handen omhoog om de eventuele klap af te weren, daardoor had de stoel nooit het hoofd van aangever kunnen raken. Dit maakt ook dat geen aanmerkelijke kans bestond op de dood van aangever, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank niet tot een (partiële) vrijspraak komt van de ten laste gelegde feiten, de volgende getuigen te horen bij de rechter-commissaris: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . De verklaring van [medeverdachte 7] is belastend en komt op essentiële punten niet overeen met de verklaring van aangever. De raadsman heeft bepleit dat in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) de verdediging de gelegenheid moet krijgen deze getuige te ondervragen. De overige getuigen zijn medeverdachten en kunnen volgens de raadsman bevestigen dat aangever niet tegen het hoofd is geschopt, dan wel met de stoel tegen het hoofd is geslagen. Het horen van deze getuigen is dan ook noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen zoals bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak medeplegen poging tot doodslag (feit 1, primair)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit het dossier en de camerabeelden onvoldoende blijkt dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin. In het bijzonder blijkt niet dat het geweld dat door verdachte en twee medeverdachten in moment 2 op [slachtoffer] is uitgeoefend, te weten de trap tegen de rug, het slaan met de stoel, de trap tegen het hoofd en de vuistslag in het gezicht op een zodanige manier zijn gegeven, dat hierdoor de aanmerkelijke kans is ontstaan op de dood.

Bewijsmiddelen

T.a.v. feit 1, subsidiair en feit 2:

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

Ik was betrokken bij de vechtpartij die heeft plaatsgevonden op 19 juli 2023 op het [locatie] in Utrecht. Ik heb op de rug van aangever geslagen en geprobeerd richting zijn hoofd te slaan. Toen aangever op de grond lag heb ik op zijn knie gestampt. Ik heb gezien dat anderen aangever hebben geslagen. Toen aangever wegrende heb ik hem in zijn rug getrapt waardoor hij op de grond is gevallen en tegen een glazen wand is aangekomen.

Aangever [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 19 juli 2023 was ik in Utrecht op het [locatie] . Ik zag een groep van ongeveer dertig jongens op ons af komen lopen. De jongens begonnen mij te slaan. Ik voelde meerdere stompen tegen mijn hoofd en bovenlijf. Ik zag dat er nog ongeveer zes à zeven jongens bij kwamen en ook van hen kreeg ik meerdere stompen tegen mijn hoofd. Toen ik op de grond lag bleven de jongens mij maar stompen geven tegen mijn hoofd. Ik zag en voelde ook dat ik geschopt werd tegen hoofd en lijf.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] staat onder meer het volgende:

Op 19 juli 2023 vond er geweld plaats op het [locatie] te Utrecht. Het [locatie] is voorzien van bewakingscamera’s. Ik heb tijdens het bekijken van de camerabeelden, ingezoomd op de rol van de volgende verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2005.Camerabeelden [locatie] :

De verdachte slaat (met een vuistslag) naar het slachtoffer. De verdachte maakt nogmaals een vuistslag richting het slachtoffer. De verdachte maakt trapbewegingen naar het slachtoffer. Hij doet dit met zijn voet van boven naar beneden.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] staat onder meer het volgende:

Op 19 juli 2023 heeft er geweld plaatsgevonden op het [locatie] in Utrecht. Er zijn camera’s gevestigd. Deze camerabeelden zijn gebruikt voor dit proces-verbaal.

Ik zie dat [medeverdachte 1] het slachtoffer slaat op zijn gezicht. Ik zie dat het slachtoffer een trap in zijn buik krijgt van iemand. Ik zie dat [medeverdachte 1] een vuistslag geeft in de buik van het slachtoffer. Ik zie dat het slachtoffer op de grond ligt en dat meerdere jongens op het slachtoffer intrappen en hem slaan. Ik zie dat [medeverdachte 2] een stoel pakt en het slachtoffer vervolgens slaat met deze stoel. Ik zie dat [medeverdachte 1] drie vuistslagen geeft in de buik van het slachtoffer met forse kracht. Ik zie dat hij het slachtoffer vervolgens een trap geeft tegen zijn buik.

Ik zie dat een jongen achter het slachtoffer aanrent, met beide benen in de lucht springt en vervolgens het slachtoffer een harde trap geeft in zijn rug waardoor het slachtoffer hard op de grond valt en met zijn hoofd tegen de glazen wand aankomt. Ik herken die jongen die de trap geeft als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -2005. Ik zie dat één onbekend gebleven jongen het slachtoffer met een stoel op het hoofd slaat. Ik zie dat een andere onbekend gebleven jongen het slachtoffer een harde trap tegen het hoofd geeft terwijl het slachtoffer op de grond ligt. Ik zie dat [verdachte] vervolgens de jongen een harde vuistslag geeft en de jongen vol in het gezicht raakt.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Overwegingen

Medeplegen poging tot zware mishandeling (feit 1, meer subsidiair)

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen.

Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is onder meer vereist dat het opzet van de verdachte op zijn minst genomen in voorwaardelijke zin was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Een dergelijk voorwaardelijk opzet is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden.

Aangever is door verdachte onverhoeds van achteren omver geschopt. Verdachte was hierbij op snelheid en schopte met kracht. Aangever is door deze “flying kick” van verdachte hard met zijn hoofd tegen een glazen wand aangekomen. Een medeverdachte heeft aangever vervolgens tegen het hoofd geschopt, waarna weer een andere medeverdachte aangever met een stoel tegen het hoofd heeft geslagen. Aangever lag op dat moment op een harde ondergrond, waardoor hij het geweld moeilijk kon ontwijken en zichzelf beperkt kon verdedigen. Na dit geweld te hebben ondergaan, heeft verdachte aangever ook nog eens met een gebalde vuist in het gezicht geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven geweldshandelingen naar ervaringsregels de aanmerkelijke kans kunnen opleveren dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat. Verdachte heeft samen met de medeverdachten fors geweld uitgeoefend op het hoofd van aangever. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een essentieel en kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Ook zijn de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvormen zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Voorwaardelijk verzoek getuigenverhoren

De raadsman heeft verzocht de volgende getuigen te horen: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Nu de raadsman deze getuigenverzoeken ter terechtzitting heeft gedaan en de getuigen niet belastend over verdachte hebben verklaard, heeft de rechtbank de verzoeken getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. De rechtbank komt tot de conclusie dat de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken, nu zij zich op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de beschrijvingen van de camerabeelden in het dossier voldoende voorgelicht acht over het tenlastegelegde. Het horen van de getuigen is om die reden niet relevant voor enige in de onderhavige zaak te nemen beslissing en de verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.

Ook het verzoek van de raadsman om getuige [medeverdachte 7] te horen wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het niet horen van deze belastende getuige geen strijd met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces oplevert, nu zij de eerder afgelegde verklaring van deze getuige niet voor het bewijs gebruikt.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1, subsidiair:

op 19 juli 2023 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- met kracht tegen de rug van die [slachtoffer] heeft geschopt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en vervolgens- met een stoel tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en vervolgens- die [slachtoffer] met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt en vervolgens- die [slachtoffer] in het gezicht heeft gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2: op 19 juli 2023 te Utrecht openlijk, te weten in de nabije omgeving van het [locatie] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:- meermalen slaan en stompen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] en- meermalen schoppen/trappen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] en- meermalen slaan met een stoel tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] .

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1, subsidiair en feit 2: de voortgezette handeling van

medeplegen van poging tot zware mishandeling

en

openlijk en in vereniging geweld plegen tegen personen.

7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. OPLEGGING VAN STRAF

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de context waarin de zaak zich heeft afgespeeld. Verdachte is gevlucht uit Syrië en wil in Nederland een leven opbouwen. Een van zijn vrienden was, voorafgaand aan het incident op het [locatie] , belaagd en mishandeld door personen uit de groep van aangever. Onderhavige zaak staat dus niet op zichzelf, maar is een reactie geweest op de belaging van de vriend van verdachte. Verdachte is een first offender en heeft spijt van zijn handelen. Gelet op de context, de jeugdige leeftijd van verdachte en het geringe letsel bij aangever heeft de raadsman bepleit verdachte enkel een taakstraf, met aftrek van voorarrest, op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hoewel verdachte een asielzoeker is die de Nederlandse taal niet machtig is, is het verrichten van een taakstraf uitvoerbaar door middel van het inschakelen van een tolk. Ten aanzien van de strafmaat merkt de raadsman tot slot op dat, indien de rechtbank zowel feit 1 als feit 2 bewezenverklaard, sprake is van eendaadse samenloop.

De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte wegens een gebrek aan gronden op te heffen. Er is op dit moment geen sprake van recidivegevaar of een geschokte rechtsorde. Ook indien de rechtbank bij de beraadslaging tot de conclusie komt dat verdachte, gelet op de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, zijn straf heeft uitgezeten, zal de voorlopige hechtenis opgeheven moeten worden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft op klaarlichte dag op een drukbezochte plek met een grote groep jongens geweld gepleegd tegen aangever. Het geweld bestond uit het meermaals slaan/stompen en schoppen/trappen tegen het hoofd en het lichaam van aangever. Ook is aangever met een stoel geslagen. Verdachte heeft fors bijgedragen aan deze explosie van geweld. Verdachte heeft aangever tijdens een achtervolging over het [locatie] ingehaald, vastgepakt en naar de grond getrokken. Terwijl aangever op de grond lag, heeft verdachte samen met zeven anderen op aangever ingeslagen en geschopt. Nadat het aangever was gelukt om weer op te krabbelen en weg te rennen, is verdachte achter hem aangerend en heeft verdachte hem met kracht, met een “flying kick”, tegen een glazen wand aan getrapt. Nadat aangever daardoor met zijn hoofd tegen die glazen wand was gekomen, door anderen met een stoel tegen zijn hoofd was geslagen en tegen zijn hoofd was geschopt, heeft verdachte hem ook nog eens met zijn vuist in zijn gezicht geslagen. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Dat aangever geen ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Het geweldsincident moet voor aangever een zeer beangstigende situatie zijn geweest. Zo heeft hij in zijn aangifte ook beschreven dat hij zich in het nauw gedreven voelde, angstig was en enkel hoopte dat het geweld zo snel mogelijk zou eindigen. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van dit soort geweldsfeiten nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarnaast levert dit geweld, vanwege het feit dat het in het openbaar is gepleegd, gevoelens van angst en onveiligheid op in de maatschappij. Verdachte heeft kennelijk niet bij deze gevolgen stilgestaan en voor zover hij daarbij wel heeft stilgestaan, zich daardoor niet laten weerhouden.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 september 2023 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafmatigende zin mee.

Beoordeling van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de straffen die doorgaans bij vergelijkbare feiten worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten er met geen andere straf kan worden volstaan dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven spijt te hebben van zijn bijdrage aan het geweld, echter heeft hij geen volledige openheid van zaken gegeven en bagatelliseert hij, ook na het zien van de beelden ter zitting, de ernst van het uitgeoefende geweld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zodat verdachte een forse stok achter de deur heeft om zich te onthouden van gewelddadig gedrag.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de algemene voorwaarde dat verdachte zich, binnen een proeftijd van twee jaar, niet schuldig zal maken aan een nieuw strafbaar feit, passend en geboden.

Voorlopige hechtenis

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt, gelet op het bestaan van ernstige bezwaren en gronden voor voorlopige hechtenis, afgewezen.

9. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 56, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig

maakt aan een strafbaar feit;

Voorlopige hechtenis

- wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en H.C. Piet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2023.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,- (met kracht) in/op/tegen de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen; en/of (vervolgens);- met een stoel op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen; en/of (vervolgens)- die [slachtoffer] (met kracht en/of met geschoeide voet) in/op/tegen het hoofd heeft geschopt; en/of (vervolgens)- die [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- (met kracht) in/op/tegen de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen; en/of (vervolgens);- met een stoel op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen; en/of (vervolgens)- die [slachtoffer] (met kracht en/of met geschoeide voet) in/op/tegen het hoofd heeft geschopt; en/of (vervolgens)- die [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen/gestompt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Utrecht openlijk, te weten, (in de nabije omgeving van) het [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:- (meermalen) slaan en/of stompen op/in/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ; en/of- (meermalen) schoppen/trappen op/in/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ; en/of- (meermalen) slaan met een stoel op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ;

(art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?