RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/201868-22; 96/210492-20 (vord. tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 november 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ( [postcode] ) te [woonplaats] , hierna: verdachte.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 17 maart 2022 tot en met 8 augustus 2022 in Amersfoort opzettelijk heeft gehandeld in cocaïne, in elk geval opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad;
feit 2: op 8 augustus 2022 in Amersfoort opzettelijk 276,68 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;
feit 3:in de periode van 17 maart 2022 tot en met 8 augustus 2022 in Amersfoort opzettelijk heeft gehandeld in hasjiesj;
feit 4: op 8 augustus 2022 in Amersfoort 125 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad;
feit 5: op 8 augustus 2022 in Amersfoort een airsoft wapen voorhanden heeft gehad;
3. VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van hetgeen onder feit 3 ten laste is gelegd. Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de te bewijzen periode van handel in cocaïne 18 april 2022 tot en met 8 augustus 2022 betreft.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 3 ten laste gelegde, nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte in hasjiesj heeft gehandeld.
De raadsman acht de overige ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Wel heeft de raadsman verzocht verdachte partieel vrij te spreken van een gedeelte van de onder feit 1 ten laste gelegde pleegperiode en aangevoerd dat de te bewijzen periode, op basis van de verklaring van verdachte, 1 mei 2022 tot en met 8 augustus 2022 is.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 3
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit feit.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 4 en feit 5:
De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de onder feit 1, feit 2, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2023;
- een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte];
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1];
- een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige];
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2];
- een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van de woning gelegen aan de [adres 2] in [plaats];
- een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming;
- een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4];
- geschriften, te weten de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5];
- een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6];
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1:in de periode van 18 april 2022 tot en met 8 augustus 2022 te Amersfoort, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2: op 8 augustus 2022 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad 276,68 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 4: op 8 augustus 2022 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad 125 gram van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
feit 5: op 8 augustus 2022 te Amersfoort een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een airsoft wapen (merk Heckler & Koch, model P30, kaliber 6mm BB, voorzien van het wapennummer [wapennummer] ) voorhanden heeft gehad.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in met artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 155 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat in het voordeel van verdachte moet worden meegewogen dat hij ‘first offender’ is en als bezorger slechts een beperkte rol heeft gehad bij de handel in cocaïne. De schorsing uit voorlopige hechtenis van verdachte is goed verlopen en hij lijkt zijn leven inmiddels op de rit te hebben. Het is zowel voor verdachte als de maatschappij van belang dat deze positieve lijn wordt voortgezet. De raadsman heeft de rechtbank om die reden verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de tijd van het voorarrest overstijgt.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende vier maanden schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne. Ook heeft verdachte behoorlijke hoeveelheden cocaïne en hasjiesj voorhanden gehad. Hoewel verdachte doorgaans alleen in de weekenden als bezorger van cocaïne heeft gewerkt, heeft hij wel een flinke hoeveelheid cocaïnedeals uitgevoerd. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de cocaïnehandel, waarmee veel gevaren voor de volksgezondheid, de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid gepaard gaan. Zo is het algemeen bekend dat verdovende middelen, zoals cocaïne, een groot gevaar voor de gezondheid van gebruikers vormen, aangezien deze stoffen sterk verslavend zijn en in de regel schadelijk zijn voor het lichaam en de psyche. Daarnaast bekostigen gebruikers hun verslaving vaak met geld uit crimineel handelen en gaat de handel in harddrugs veelal gepaard met geweld. Het handelen van verdachte brengt dan ook directe en indirecte schade toe aan de maatschappij. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan en voor zover hij daarbij wel heeft stilgestaan, zich daardoor niet laten weerhouden. Verdachte heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Verder had verdachte een airsoftwapen ter beschikking, dat sterk op een vuurwapen lijkt en daardoor geschikt is voor bedreiging of afdreiging. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk wapen leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Daarnaast is het een gegeven dat de handel in harddrugs ook veelal gepaard gaat met geweldsdelicten, wat de aanwezigheid van een wapen des te ernstiger maakt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
22 september 2023 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor
soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafmatigende zin mee.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 juni 2023, opgesteld door mevrouw G.S. Jankie, reclasseringswerker van Reclassering Nederland. Doordat verdachte zich destijds op zijn zwijgrecht beriep, heeft de reclassering geen delictanalyse kunnen maken en geen uitspraken kunnen doen over de kans op recidive. De reclassering heeft wel benoemd dat diverse leefgebieden van verdachte stabiel zijn. Zo heeft verdachte een zinvolle dagbesteding en een inkomen uit arbeid in dienstverband. Verdachte lijkt maatschappelijk geaccepteerde doelen na streven en zich te richten op een delictvrij leven. Gedurende het schorsingstoezicht is ook gebleken dat verdachte zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. De reclassering ziet geen aanknopingspunten om interventies of reclasseringsbegeleiding te adviseren.
Beoordeling van de rechtbank
Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank met geen andere straf worden volstaan dan met oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden. Gezien de persoon van verdachte ziet de rechtbank aanleiding een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat verdachte verantwoording heeft afgelegd ter zitting en zijn leven gebeterd lijkt te hebben. Zijn leven is nu stabiel en hij heeft een vaste baan. Verdachte lijkt ook gemotiveerd deze positieve ontwikkeling voort te zetten. De rechtbank acht het noodzakelijk om verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om hem ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 155 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
9. BESLAG
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
De vordering van de officier van justitie
De officier heeft gevorderd om het wapen, de cocaïne, de hasjiesj en de autotelefoon te onttrekken aan het verkeer en de overige telefoons terug te geven aan de rechthebbende.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit het in beslag genomen telefoontoestel van het merk Apple te retourneren aan verdachte. Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de volgende in beslag genomen goederen onttrekken aan het verkeer:
een wapen (G3029669);
cocaïne (G3029638);
cocaïne (G3029658);
hasjiesj (G3029019);
hasjiesj (G3029664).
Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De bewezen verklaarde feiten zijn bovendien met deze voorwerpen begaan.
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de volgende in beslag genomen goederen verbeurd verklaren:
een geldkist (G3031287);
een telefoontoestel, merk: Nokia (G3045144);
een telefoontoestel, merk: Nokia (G3029682);
een telefoontoestel (G3029687);
een autotelefoon, merk: BQ (G3029689);
een telefoontoestel, merk: Apple (G3030085);
Met behulp van de Apple telefoon (G3030085) en de geldkist (G3031287) zijn respectievelijk de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 begaan. De overige telefoontoestellen lagen in de kamer van verdachte, waarin ook de verdovende middelen en het wapen zijn aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat deze telefoons al op de kamer lagen toen hij deze huurde om in drugs te gaan dealen, en dat er al eerder vanuit deze kamer is gedeald. Bovendien is de BQ autotelefoon een cryptotelefoon. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze goederen dienstig en bestemd zijn voor de voorbereiding en uitvoering van het onder feit 1 bewezenverklaarde.
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal teruggave van de sleutelbos (G3030054) gelasten aan de rechthebbende, te weten woningcoöperatie De Alliantie in Amersfoort , aangezien het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
10. VORDERING TENUITVOERLEGGING
Bij vonnis van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 31 december 2021 (parketnummer: 96/210492-20) is aan verdachte onder meer hechtenis voor de duur van één week voorwaardelijk opgelegd, waarbij als voorwaarde is gesteld dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de voorwaardelijke hechtenis ten uitvoer te leggen en deze om te zetten in een taakstraf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, nu de in deze zaak ten laste gelegde feiten andersoortige feiten betreffen dan het feit waarvoor verdachte op 31 december 2021 is veroordeeld. Subsidiair heeft de raadsman bepleit - bij toewijzing van de vordering - de hechtenis om te zetten in een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, zoals bewezenverklaard in dit vonnis. Om die reden zal de voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van één week alsnog ten uitvoer worden gelegd. De rechtbank zal, gelet op de persoon van verdachte en de positieve weg die verdachte inmiddels heeft ingeslagen, deze voorwaardelijk opgelegde hechtenis omzetten in een taakstraf voor de duur van 30 uren, te vervangen door één week hechtenis bij het niet (naar behoren) uitvoeren hiervan.
11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
12. BESLISSING
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 240 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 155 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96/210492-20;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kantonrechter te 's-Gravenhage bij vonnis van 31 december 2021 opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week;
- bepaalt dat verdachte in plaats van de hechtenis een taakstraf dient te verrichten voor de duur van 30 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door één week hechtenis;
Beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:
- gelast de teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten woningcoöperatie De Alliantie in Amersfoort , van:
een sleutelbos (G3030054);
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Piet, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2023.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1hij, op, een of meerdere tijdstippen, in de periode van 17 maart 2022 tot en met 8 augustus 2022 te Amersfoort , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet)
2hij op of omstreeks 8 augustus 2022 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 276,68 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet)
3hij, op, een of meerdere tijdstippen, in de periode van 17 maart 2022 tot en met 8 augustus 2022 te Amersfoort , althans in Nederland in de uitoefening van een beroep of bedrijf meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
(art 11 lid 3 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
4hij op of omstreeks 8 augustus 2022 te Amersfoort , in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 125 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet)
5hij op of omstreeks 8 augustus 2022 te Amersfoort een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een airsoft wapen (merk Heckler & Koch, model P30, kaliber 6mm BB, voorzien van het wapennummer [wapennummer] ) voorhanden heeft gehad;(art 13 lid 1 Wet wapens en munitie)