[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, het college
(gemachtigden: mr. E.E. Boone-Tange en M. Houtzager).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om aanvulling van zijn oudergegevens in de Basisregistratie personen (Brp).
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is het college hierbij gebleven.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen “hoger” document heeft overgelegd. De door hem afgelegde verklaring over de achternaam van zijn vader is van dezelfde orde als de afgelegde verklaring waarmee hijzelf op 24 juli 2017 in de Brp is opgenomen. Eisers stelling dat de verklaring in 2017 is afgelegd in het kader van zijn asielprocedure en dat dit een reden is om daar niet langer vanuit te gaan, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft destijds een verklaring onder ede afgelegd en had ook op dat moment kunnen verklaren dat de schrijfwijze van zijn naam ‘ [geslachtsnaam 1] ’ moest zijn. Dat heeft hij niet gedaan. Dat hij op dat moment niet kon overzien wat de gevolgen daarvan zouden zijn, kan zo zijn, maar maakt niet dat de verklaring onder ede die hij nu heeft afgelegd als van hogere orde moet worden aangemerkt. Het standpunt van het college dat aan de overgelegde Chinese identiteitskaart in dit kader geen waarde toekomt, omdat het geen officieel brondocument is, is door eiser niet weersproken. Alleen hierom al heeft het college de oudergegevens niet in de Brp op hoeven nemen.
5. Gezien het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of buiten redelijke twijfel uit het overgelegde brondocument volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Hetzelfde geldt voor de vraag of de Nederlandse openbare orde (artikel 2.10, tweede lid, van de Wbp) zich verzet tegen het in afwijking van artikel 10:19 van het BW erkennen van de rechtsgeldigheid van ‘ [geslachtsnaam 1] ’ als de naam van de vader van eiser, en de vraag of in dat kader een belangenafweging gemaakt moet worden.
Moest het college toetsen aan het evenredigheidsbeginsel?
6. Eiser voert aan dat het college had moeten toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. In China is op grote schaal sprake van mensenrechtenschendingen van Oeigoeren. De Chinese schrijfwijze van de naam is door de Chinese autoriteiten opgedrongen. Door eisers verzoek af te wijzen, gaat het college – weliswaar onbewust – mee in de assimilatiepolitiek van China. Het Chinese namenrecht is in strijd met de mensenrechten en dit is een gerechtvaardigde reden om juist niet van het Chinese namenrecht uit te gaan. Evident is dat de wetgever bij de totstandkoming van de formele wet niet heeft voorzien in een situatie als de onderhavige waarin niet kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van de wetgeving van de betreffende nationaliteit. In de wetsgeschiedenis wordt hierover niets gezegd. Gelet op de belangen van eiser (traumatisch verleden en de wens om dezelfde, correcte achternaam te hebben als zijn broer) en het gebrek aan belang bij de Nederlandse overheid staat het (onduidelijke) doel dat het college wenst te bereiken in een onevenredige verhouding tot de gevolgen die eiser als gevolg daarvan ondervindt.
7. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor eisers standpunt en met hem meevoelt, is zij toch van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het onevenredig is om vast te houden aan de rangorde van documenten zoals de wet in formele zin, de Wbp, deze voorschrijft. Los van de vraag of het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet gepasseerd kan worden omdat sprake is van onvoorziene niet in de wet verdisconteerde omstandigheden, is toepassing van artikel 2.8, tweede lid, van de Wbp naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer in strijd met de evenredigheid dat dit artikel buiten toepassing moet worden gelaten. Daarvoor is met name van belang dat eiser andere mogelijkheden heeft gehad om zijn achternaam formeel te wijzigen, en er – zoals ook ter zitting besproken – ook nu nog mogelijkheden zijn om zijn naam te wijzigen, waarin een ander toetsingskader van toepassing is. Deze beroepsgrond slaagt niet.Gelijkheidsbeginsel
8. Eiser doet tot slot een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat zijn broer in de gemeente Nissewaard wel zijn naam heeft kunnen wijzigen van [geslachtsnaam 2] naar [geslachtsnaam 1] . De rechtbank overweegt hierover dat op de zitting duidelijk is geworden dat het niet om een vergelijkbaar geval gaat, omdat de (gestelde) broer van eiser in een andere procedure om naamswijziging vroeg. De (gestelde) broer van eiser heeft bij de eerste inschrijving in de Brp kenbaar gemaakt dat de schrijfwijze van zijn eigen achternaam – anders dan hoe hij door de IND was geregistreerd bij binnenkomst in Nederland – [geslachtsnaam 1] moest zijn in plaats van [geslachtsnaam 2] . Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan alleen daarom al niet slagen. Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naam van eisers vader niet als [geslachtsnaam 1] in de Brp wordt opgenomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.