RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/569356 / JE RK 24-143
Datum uitspraak: 7 februari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in Utrecht,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] , gemeente Vijfheerenlanden,
feitelijk verblijvende in [verblijfplaats] ,
advocaat mr. A.R. Jaarsma,
[vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] , gemeente West Betuwe.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, binnengekomen bij de rechtbank op 25 januari 2024;
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 januari 2024;
- het e-mailbericht van de advocaat van de moeder van 26 januari 2024.
De kinderrechter heeft aan de minderjarige [minderjarige] gevraagd wat zij van het verzoek vindt. Op 6 februari 2024 heeft de kinderrechter van haar een brief ontvangen.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 februari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- mevrouw [A] namens de GI;
- de heer M.O. Salim als tolk voor de vader.
De moeder verblijft in [verblijfplaats] en kon niet daarom niet bij de zitting aanwezig zijn. Ook was het voor haar niet mogelijk om digitaal aan de zitting deel te nemen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woonde bij haar vader. Zij verblijft nu op een geheime plek.
Bij beschikking van 7 januari 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 7 januari 2025. Bij beschikking van 7 januari 2019 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de ouder zonder gezag (de vader). Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 7 januari 2025.
Op 25 januari 2024 is [minderjarige] met spoed uit huis geplaatst in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter heeft een machtiging verleend voor vier weken, tot
22 februari 2024. De beslissing over het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden.
3. Het verzoek
De kinderrechter moet nog een beslissing nemen op het aangehouden deel van het verzoek van de GI om [minderjarige] met een machtiging uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar. Dat is tot 22 februari 2025. Op grond van de wet kan de machtiging tot uithuisplaatsing slechts worden verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter begrijpt het verzoek van de GI dan ook zo dat wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen tot het einde van de ondertoezichtstelling. Dat is 7 januari 2025. Voor de onderbouwing van het verzoek verwijst de kinderrechter naar het verzoekschrift.
4. De standpunten
[minderjarige] is het eens met het verzoek.
De moeder is het ook eens met het verzoek. Zij wil aan alles meewerken zolang het maar goed met [minderjarige] gaat.
De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij geen problemen heeft met de verlenging van de uithuisplaatsing. Hij heeft alleen kritiek op hoe de spoeduithuisplaatsing en het proces daaromheen is verlopen. De vader vindt dat de GI eerst met hem in overleg had moeten gaan voordat actie werd ondernomen. Nu werd hij overvallen door de uithuisplaatsing. De vader is van mening dat er nog andere oplossingen mogelijk waren in de thuissituatie en dat een uithuisplaatsing had kunnen worden voorkomen. De vader maakt zich op dit moment heel veel zorgen over [minderjarige] .
5. De beoordeling
Spoedmachtiging uithuisplaatsing
De kinderrechter heeft de betrokkenen gehoord over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en ziet naar aanleiding daarvan geen aanleiding om anders te beslissen. De kinderrechter begrijpt dat de vader overvallen werd door de spoeduithuisplaatsing. Dit was echter noodzakelijk omdat er grote zorgen waren over de fysieke veiligheid van [minderjarige] . Hierdoor was het niet mogelijk om vooraf te overleggen met de vader. De komende periode zal de GI wel in overleg gaan met de vader en zal hij worden betrokken bij het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Dat is tot 7 januari 2025. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. De beslissing wordt hierna uitgelegd.
De kinderrechter is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Gebleken is dat er al lange tijd zorgen zijn om de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft veel schoolverzuim en komt hierdoor niet tot leren. Daarnaast lijkt [minderjarige] overbelast door de vele huishoudelijke taken die zij bij de vader thuis deed. De vader heeft een traditionele rolopvatting over vrouwen. Dit botst met wat van [minderjarige] verwacht wordt in de Nederlandse samenleving.
Een spoeduithuisplaatsing was noodzakelijk om de (fysieke) veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Er waren zorgen over de manier waarop de stiefbroer de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen om ervoor te zorgen dat [minderjarige] naar school zou gaan. De familie van [minderjarige] bleef haar ook bellen en controleren. Hierdoor had de GI grote zorgen over haar veiligheid. In de Afghaanse cultuur is het ongebruikelijk en niet passend om een kind uit huis te plaatsen. Dit kan de eer van de familie schaden. Daarom is [minderjarige] op een geheime plek geplaatst. Dit levert bij [minderjarige] veel angst en spanningen op. De kinderrechter vindt dit heel zorgelijk. [minderjarige] verblijft nu op een voor haar passende plek. Zij voelt zich daar veilig. Op die plek is ook kennis van de culturele achtergrond van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het daarom in het belang van [minderjarige] dat zij daar voorlopig blijft.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 februari 2024 tot 7 januari 2025;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2024 door mr. A.G. van Doorn, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is op schrift gesteld op 19 februari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.