RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/556474 / FO RK 23-560 (ontkenning vaderschap)
Beschikking van 4 april 2024
in de zaak van:
[moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.E. Jalandoni,
tegen
[de man] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de man,
met als belanghebbende
mr. L.M. Bongers,
kantoorhoudende in Wijk bij Duurstede,
als bijzondere curator over het kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .
1. De procedure
De moeder heeft op 8 mei 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.
In de beschikking van 14 juli 2023 heeft de rechtbank mr. L.M. Bongers benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige] in deze procedure en komt op voor haar belang.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
het advies van de bijzondere curator van 28 augustus 2023;
het F-formulier van de moeder van 1 september 2023.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 7 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de bijzondere curator;
mevrouw S.B. Aniania als tolk voor de moeder.
De man was ook uitgenodigd voor de zitting (door middel van een advertentie in de Staatscourant), maar hij is niet naar de zitting gekomen.
2. Waar de procedure over gaat
De moeder en de man zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] 2010 in [plaats] , Eritrea.
Bij beschikking van deze rechtbank van [echtscheidingsdatum] 2021 is de echtscheiding tussen de moeder en de man uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op [datum] 2022.
Tijdens het huwelijk is de moeder bevallen van een dochter:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .
De moeder en de man hadden op het moment van de geboorte van [minderjarige] beiden de Eritrese nationaliteit. De moeder had toen de asielstatus in Nederland. Op 18 september 2021 heeft de moeder de Nederlandse nationaliteit verkregen.
De moeder verzoekt om de ontkenning van het vaderschap van de man gegrond te verklaren. Dat wil zeggen dat de man, in juridische zin, niet meer als de vader van [minderjarige] wordt aangemerkt. Volgens de moeder is namelijk niet de man, maar de heer [A] de biologische vader van [minderjarige] .
De man heeft geen verweer gevoerd.
De bijzondere curator is het eens met het verzoek. Mocht de moeder niet-ontvankelijk zijn in haar verzoek omdat zij het verzoek te laat heeft ingediend, dan verzoekt de bijzondere curator namens [minderjarige] om de ontkenning van het vaderschap van de man gegrond te verklaren.
3. De beoordeling
Conclusie
De rechtbank zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek en het verzoek van de bijzondere curator toewijzen. Dit betekent dat de ontkenning van het vaderschap van de man over [minderjarige] gegrond wordt verklaard. De rechtbank zal de beslissing hierna toelichten.
Bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht
De man heeft niet de Nederlandse nationaliteit. Daarom moet de rechtbank eerst beoordelen of de Nederlandse rechter wel bevoegd is om te beslissen op het verzoek. Ook moet de rechtbank beoordelen van welk land de rechtsregels worden toegepast.
De Nederlandse rechter is bevoegd om het verzoek te beoordelen, omdat de moeder in Nederland woont. Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, omdat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] de asielstatus in Nederland had.
Ontvankelijkheid
De rechtbank zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek, omdat zij het verzoek te laat heeft ingediend. Anders dan de bijzondere curator stelt, is de rechtbank van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft gesteld om af te wijken van de termijn die genoemd is in artikel 1:200 lid 5 BW. De moeder had ten tijde van de geboorte van [minderjarige] immers al een relatie met de heer [A] en wist dat de man niet de biologische vader was van [minderjarige] . Ook was zij ervan op de hoogte dat zij nog gehuwd was met de man, nu zij voor de geboorte van [minderjarige] een echtscheidingsverzoek heeft ingediend bij de rechtbank. Dit betekent dat de moeder het verzoek te laat heeft ingediend en dat de rechtbank het verzoek van de moeder niet kan beoordelen.
De bijzondere curator heeft het verzoek namens [minderjarige] overgenomen, waardoor de rechtbank het verzoek toch kan beoordelen. Voor kinderen geldt namelijk een ruimere termijn om het verzoek in te dienen.
Ontkenning vaderschap
De moeder heeft voldoende aangetoond dat de man niet de biologische vader kan zijn van [minderjarige] . Zij heeft hierover duidelijke verklaringen afgelegd tijdens de zitting en bij de bijzondere curator. De moeder is zonder de man naar Nederland gevlucht. De man verblijft waarschijnlijk in het buitenland, maar de moeder weet niet precies waar. Zij heeft al jaren geen contact meer met hem. Inmiddels zijn de moeder en de man officieel gescheiden. De moeder en de heer [A] hebben elkaar in Nederland leren kennen, waarna de moeder zwanger is geraakt. De moeder en de heer [A] zijn ervan overtuigd dat de heer [A] de verwekker is van [minderjarige] en [minderjarige] ziet hem ook als haar vader. De heer [A] wil ook de juridische vader worden van [minderjarige] . Weliswaar ontbreekt het standpunt van de man, maar volgens de rechtbank heeft de moeder voldoende aangevoerd. Voor de ontkenning van het vaderschap van de man is daarom geen DNA-onderzoek nodig.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek;
verklaart de ontkenning van het vaderschap gegrond van:
[de man] , geboren op [geboortedatum] -0000 in Adi [geboorteplaats] , Ethiopiƫ,
ten aanzien van het kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.C. Oostendorp, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2024.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.