RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/558521 / FO RK 23-737 (duo-moeder adoptie)
Beschikking van 4 april 2024
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. K.S.M. Smienk,
met als belanghebbende
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 8 juni 2023;
het F-formulier van verzoekster van 31 oktober 2023 met bijlage;
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 4 december 2023;
het F-formulier van verzoekster van 16 januari 2024.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling gehouden op 7 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
verzoekster met haar advocaat;
de moeder;
de heer [A] namens de Raad.
2. Waar de procedure over gaat
Verzoekster heeft de Duitse nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster is met de moeder gehuwd op [trouwdatum] 2023 in [plaats] .
Tijdens dit huwelijk is de moeder bevallen van een zoon:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] .
De zwangerschap van de moeder is tot stand gekomen door middel van kunstmatige inseminatie. De donor is onbekend.
Verzoekster en de moeder hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Verzoekster vraagt de rechtbank:
I. om de adoptie van [minderjarige] door verzoekster uit te spreken;
II. te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam [naam] behoudt;
III. vast te stellen dat de adoptie terugwerkt tot aan het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] .
De Raad adviseert het verzoek tot adoptie toe te wijzen.
3. De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Verzoekster heeft de Duitse nationaliteit. Daarom moet de rechtbank eerst beoordelen of de Nederlandse rechter wel bevoegd is om te beslissen op het verzoek. Ook moet de rechtbank beoordelen van welk land de rechtsregels worden toegepast.
De Nederlandse rechter is bevoegd om het verzoek te beoordelen, omdat verzoekster en de moeder in Nederland wonen. Verzoekster en de moeder wonen in [woonplaats] . Gelet daarop is in beginsel de rechtbank Amsterdam bevoegd om kennis te nemen van het verzoekschrift. Verzoekster en de moeder hebben echter schriftelijk verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat het verzoekschrift wordt behandeld door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. Om die reden zal deze rechtbank de zaak alsnog beoordelen en niet verwijzen naar de rechtbank Amsterdam .
Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, omdat het een in Nederland uit te spreken adoptie betreft.
Adoptie
De rechtbank zal het verzoek toewijzen en de adoptie van [minderjarige] door verzoekster uitspreken. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan.
Volgens de rechtbank is de adoptie in het belang van [minderjarige] , want hij wordt door verzoekster en de moeder samen verzorgd en opgevoed. De Raad heeft onderzoek gedaan en adviseert het verzoek toe te wijzen. De moeder van [minderjarige] stemt ook in met de adoptie. Dit blijkt uit de overgelegde verklaring van de moeder van 10 mei 2023.
Het ontbreken van de vereiste verklaring
Verzoekster heeft geen verklaring overgelegd van de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting, zoals bedoeld in artikel 1:227 lid 4 BW. Uit een dergelijke verklaring moet blijken dat de zwangerschap van de moeder tot stand is gekomen door kunstmatige donorbevruchting. Op grond van de wet is dit verplicht. Verzoekster heeft hierover tijdens de zitting verklaard dat zij samen met de moeder gebruik gemaakt heeft van een Deense donorbank. Weliswaar gaat het om een onbekende donor, maar [minderjarige] kan als hij 18 jaar wordt wel de gegevens van de donor opvragen en contact met hem opnemen. Bij een Nederlandse donor zou dit vanaf 16 jaar zijn. Verzoekster stelt dat zij samen met de moeder goed heeft nagedacht over de keuze voor een donor in Denemarken. De kliniek waarvoor verzoekster en de moeder hebben gekozen betreft een kleinschalige kliniek waar sprake is van een intensieve screening van de donoren. Ook is er zicht op het aantal families waaraan de donor zijn sperma kan doneren. Inmiddels heeft de fertiliteitskliniek in Denemarken wel een licentie in Nederland en zijn verzoekster en de moeder een tweede vruchtbaarheidstraject gestart bij de fertiliteitskliniek [kliniek] in Nederland met dezelfde donor.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste zoals neergelegd in artikel 1:227 lid 4 BW. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster en de moeder voldoende hebben onderbouwd waarom zij hebben gekozen voor de donorbank in Denemarken. Deze keuze is niet in strijd is met de belangen van [minderjarige] , aangezien [minderjarige] als hij 18 jaar wordt de identiteitsgegevens van de donor kan opvragen.
Ingangsdatum
De adoptie werkt terug tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] , omdat de adoptie voor de geboorte van [minderjarige] is verzocht.
Geslachtsnaam
Verzoekster en de moeder hebben voor [minderjarige] de geslachtsnaam [naam] gekozen. De rechtbank zal deze naamskeuze in de beslissing opnemen.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het mannelijke geslacht:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ,
door:
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum 2] 1988 in [geboorteplaats 2] , Duitsland;
stelt vast dat de adoptie terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] ;
stelt vast dat verzoekster en de moeder hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [naam] zal dragen na de adoptie, zodat hij zal blijven heten: [minderjarige].
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.C. Oostendorp, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2024.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.