RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/571592 / FO RK 24-271 (voogdij na overlijden)
Beschikking van 25 april 2024
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland,
gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende het kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] ,
kind van:
[de moeder] ,
overleden op [overlijdensdatum] 2023 in [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
met als belanghebbende
Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in Utrecht ,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, binnengekomen op 26 februari 2024;
het e-mailbericht van de GI van 11 april 2024.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 25 april 2024. Hierbij waren aanwezig:
de minderjarige [minderjarige] ;
[persoon1] namens de Raad;
[persoon2] en [persoon3] namens de GI.
Aan de pleegvader (de heer. [pleegvader] ) is bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.
2. Waar gaat deze procedure over?
[minderjarige] is geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] .
De vader van [minderjarige] is: [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1977 in [geboorteplaats 2] , Tunesië.
De moeder van [minderjarige] is: [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1964 in [geboorteplaats 3] . Zij is overleden op [overlijdensdatum] 2023 in [plaats] .
De moeder was alleen belast met het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woonde bij de moeder voordat zij overleed. Hij heeft geen contact met zijn vader.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 december 2023 is de GI belast met de voorlopig voogdij over [minderjarige] .
[minderjarige] verbleef na het overlijden van de moeder op een crisisopvang van Nabucco. Sinds 14 februari 2024 woont [minderjarige] in een pleeggezin in [plaats] .
De Raad verzoekt de rechtbank om de GI te benoemen als (definitieve) voogd over [minderjarige] .
3. De beoordeling
Conclusie
De rechtbank zal het verzoek toewijzen en de GI belasten met de voogdij over [minderjarige] .
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank – indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over een kind alleen uitoefent – bepalen dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast.
Toelichting
Omdat de moeder is overleden is er een gezagsvacuüm ontstaan. [minderjarige] is nog minderjarig en daarom zal iemand deze verantwoordelijkheid voor hem moeten dragen. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI als neutrale derde de voogdij over hem gaat uitoefenen. [minderjarige] heeft de afgelopen jaren veel meegemaakt. Zo heeft hij gedurende het ziekteproces van zijn moeder zorg verleend. Zelf is hij veel aan zijn lot overgelaten geweest. Met de vader heeft [minderjarige] al lang geen contact en hij speelt dan ook geen enkele rol in het leven van [minderjarige] . Er zijn verder zorgen over [minderjarige] omdat hij depressieve gevoelens heeft, last heeft van een gameverslaving en hij gaat niet of nauwelijks naar school. Gezien deze zorgen is de rechtbank van oordeel dat een professionele instantie zicht moet houden op wat [minderjarige] nodig heeft en belangrijke beslissingen over hem neemt. De pleegouders en [minderjarige] zijn het hiermee eens.
4. De beslissing
De rechtbank:
belast de GI met de voogdij over [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024 door mr. M.C. Oostendorp, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is op schrift gesteld op 13 mei 2024.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.