ECLI:NL:RBMNE:2024:7784

ECLI:NL:RBMNE:2024:7784, Rechtbank Midden-Nederland, 12-06-2024, C/16/566414

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 12-06-2024
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer C/16/566414
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Houdt de verzoeken over de erkenning en het gezag aan in afwachting van het DNA-onderzoek. Stelt een voorlopige omgangsregeling vast tussen de man en de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/566414 / FO RK 23-1444

Vervangende toestemming voor erkenning, gezag en omgang

Beschikking van 12 juni 2024

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.C.M. Wouda-van Velzen,

tegen

[de moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R. Walet,

met als belanghebbende

mr. V.C.Th. van ’t Westende Meeder,

kantoorhoudende in [vestigingsplaats] ,

als bijzondere curator over het kind: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 op [geboorteland] ,

Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd in Utrecht,

gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.

1. De procedure

De man heeft op 20 november 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.

In de beschikking van 29 januari 2024 heeft de rechtbank mr. V.C.Th. van ’t Westende Meeder benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 1] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige 1] in deze procedure en komt op voor haar belang.

Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

de brief met bijlagen van de man van 22 december 2023;

het advies van de bijzondere curator van 25 februari 2024;

het F-formulier van de man van 29 februari 2024;

de brief van de moeder van 13 maart 2024;

het e-mailbericht van de man van 5 april 2024;

het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 6 mei 2024;

het e-mailbericht van de bijzondere curator van 7 mei 2024;

de brief van de man van 10 mei 2024 met bijlagen en gewijzigde verzoeken.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 15 mei 2024. Daarbij waren aanwezig:

de man met zijn advocaat;

de moeder met haar advocaat;

[persoon1] namens de GI;

[persoon2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

[persoon3] , persoonlijk begeleider van de moeder.

De bijzondere curator was verhinderd op de dag van de zitting en kon daarom niet aanwezig zijn.

2. Waar de procedure over gaat

De moeder en de man hebben een relatie gehad.

De moeder is bevallen van een dochter:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 op [geboorteland] .

[minderjarige 1] is niet erkend. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] .

[minderjarige 1] staat onder toezicht van de GI tot 8 juli 2024.

De moeder heeft nog twee andere kinderen:

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 op [geboorteland] ;

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2023 in [geboorteplaats] .

De moeder en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.

De man verzoekt:

I. om hem toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 1] , met dien verstande dat eerst een DNA-onderzoek wordt gelast;

II. om hem samen met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;

III. om een omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige 1] en hem waarbij:

o [minderjarige 1] een keer per veertien dagen bij de man verblijft van vrijdag 17:00 uur (of uit school) tot zondag 17:00 uur (of na het eten);

o alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, in overleg met de moeder en voor zover nodig onder regie van de GI;

o daarnaast is er elke donderdag om 18:30 uur contact tussen de man en [minderjarige 1] middels videobellen;

o in de weekenden dat [minderjarige 1] bij de moeder verblijft is er tevens een videobelmoment op zondag om 18:30 uur.

De moeder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de erkenning. Zij is het niet eens met de andere verzoeken van de man.

3. De beoordeling

Erkenning en gezag

Zoals tijdens de zitting is besproken zal de rechtbank de verzoeken die gaan over de erkenning en het gezamenlijk gezag aanhouden voor de duur van acht weken in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek. Dat is tot 10 juli 2024. Partijen gaan namelijk samen een DNA-onderzoek uitvoeren tussen de man en [minderjarige 1] . De rechtbank verzoekt de beide advocaten om de rechtbank uiterlijk 10 juli 2024 te berichten over de uitkomst van het DNA-onderzoek en het gewenste verdere verloop van de procedure.

Omgangsregeling

De rechtbank zal de volgende omgangsregeling vaststellen:

[minderjarige 1] heeft één keer per veertien dagen omgang met de man voor de duur van twee uur onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie (zoals Konfia);

daarnaast is er één keer per week een videobelmoment tussen de man en [minderjarige 1] in de week dat er omgang is en twee keer een videobelmoment in de week dat er geen omgang is;

de GI mag de omgangsregeling afhankelijk van het verloop daarvan in frequentie of omvang uitbreiden.

De rechtbank vindt bovenstaande omgangsregeling op dit moment het meest in het belang van [minderjarige 1] . Tijdens de zitting is gebleken dat partijen een complexe geschiedenis hebben met elkaar. Hoewel beide partijen daar een andere visie op hebben, is duidelijk dat bij de moeder sprake is van veel angst en spanningen. Desondanks staat de moeder wel achter omgang tussen de man en [minderjarige 1] . Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan een regeling waarbij [minderjarige 1] één keer per veertien dagen omgang heeft met de man voor de duur van twee uur onder begeleiding van Konfia in Hilversum. Volgens de GI verloopt dit goed en is er ruimte voor uitbreiding. De moeder ziet ook dat [minderjarige 1] goed reageert op de omgang met de man, maar vindt het ook spannend om de regeling snel uit te breiden. Wat de man betreft kan de omgang niet snel genoeg worden uitgebreid.

De rechtbank is van oordeel dat de GI in deze complexe situatie het beste zicht heeft op welke omgangsregeling in het belang van [minderjarige 1] is. Hoe snel de omgang kan worden uitgebreid en onder welke voorwaarden is afhankelijk van hoe [minderjarige 1] op de omgang reageert. Daarnaast zijn beide ouders bezig met een eigen hulpverleningstraject wat mogelijk ook invloed heeft op de (ruimte voor) omgang. De rechtbank zal daarom de regeling die nu feitelijk wordt uitgevoerd vastleggen in de beschikking en de GI de bevoegdheid geven om de omgangsregeling uit te breiden en te bepalen in welk tempo dit gebeurt en onder welke voorwaarden.

De rechtbank zal het verzoek van de man om vast te stellen dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld afwijzen. Dit is namelijk nog een te grote stap gelet op hoe de omgang er nu uitziet.

4. De beslissing

De rechtbank:

stelt de volgende omgangsregeling vast tussen de man en [minderjarige 1] :

[minderjarige 1] heeft één keer per veertien dagen omgang met de man voor de duur van twee uur onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie (zoals Konfia);

daarnaast is er één keer per week een videobelmoment tussen de man en [minderjarige 1] in de week dat er omgang is en twee keer een videobelmoment in de week dat er geen omgang is;

de GI mag de omgangsregeling afhankelijk van het verloop daarvan in frequentie of omvang uitbreiden;

houdt de verzoeken die gaan over de erkenning en het gezag pro forma aan tot 10 juli 2024, met het verzoek aan de beide advocaten om de rechtbank uiterlijk voor die datum te berichten over de uitkomst van het DNA-onderzoek en het gewenste verdere verloop van de procedure;

verklaart punt 4.1. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.E. Broersma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?