RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2024 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummers: UTR 23/5285
mr. D.A.N. Bartels veronderstellenderwijs handelend namens, [eiser] te [plaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder,
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 30 oktober 2023 tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 24 oktober 2023.
De zitting heeft middels een MSTeams verbinding plaatsgevonden op 28 oktober 2024. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden.
Overwegingen
1. Het beroep is veronderstellenderwijs door Bartels ingesteld namens [eiser] hierna: eiser). Bij het beroepschrift is geen machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
2. De rechtbank heeft Bartels, bij brief van 1 november 2023 en 20 februari 2024, in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een toereikende machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens eiser beroep in te stellen en in beroep op te treden. In deze brief staat dat als Bartels niet (tijdig) aan dit verzoek voldoet of uitstel vraagt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Reactie hierop is uitgebleven.
3. Ter zitting heeft Bartels naar voren gebracht dat hij een machtiging van een ander eiser heeft ingediend. Bartels gaf aan dat de machtiging van deze zaak in een ander dossier zou moeten zitten. Bartels vraagt zich af waarom de griffier niet om een juiste machtiging heeft gevraagd. Volgens Bartels zou de machtiging wel in de b-stukken moeten zitten.
4. Uit de overgelegde machtiging kan niet worden opgemaakt dat [eiser] mr. Bartels machtigt om namens hem deze beroepsprocedure te voeren.
5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb).
De overschrijding van de redelijke termijn
6. Bartels heeft verzocht om vergoeding van immateriƫle schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiser] beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiser] immateriƫle schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af .
7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 november 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.