RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2024 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2022-V
gemachtigde: mr. F. Aamri.
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingediend tegen het door verweerder (Belastingdienst/Toeslagen) niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift van 5 april 2023.
In de uitspraak van 1 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. De rechtbank heeft verweerder daarbij opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom moet betalen van € 100,- per dag waarmee hij de hiervoor vermelde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft ook bepaald dat verweerder het griffierecht van € 51,- dat eiser heeft betaald moet betalen en verweerder veroordeeld tot betaling aan eiser van € 218,75 aan proceskosten.
Opposant heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2024. Opposant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Namens de Belastingdienst/Toeslagen zijn [A] en [B] verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft de uitspraak van 1 mei 2024 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze verzetprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op een zitting te horen. De rechtbank moet dus beoordelen of door de argumenten van opposant twijfel ontstaat over die eerdere uitkomst. Zo nee, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo ja, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 1 mei 2024 niet juist omdat volgens opposant de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast bij de berekening van de proceskosten. Opposant verwijst daartoe naar jurisprudentie van andere rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Zaken over niet-tijdig beslissen zijn volgens opposant van licht gewicht, zodat een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast. Opposant vindt, gelet op het belang van een uniforme toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, dat de rechtbank Midden-Nederland zich dient te houden aan deze vaste rechtspraak. Daarnaast vindt opposant dat de aard van deze zaak niet zeer eenvoudig is, aangezien opposant het bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld en stelt dat het bestuursorgaan een dwangsom is verschuldigd op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die door artikel 12, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen buiten toepassing wordt verklaard. Ook heeft verweerder nog de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift naar voren gebracht, aldus opposant. Als laatst heeft opposant verzocht om verweerder op te dragen een dwangsombeschikking bekend te maken, nu verweerder de uit de uitspraak van 1 mei 2024 volgende rechterlijke dwangsom heeft verbeurd.
4. De verzetsrechter overweegt als volgt. Voor de uitleg van de gehanteerde wegingsfactor verwijst de rechtbank naar zijn uitspraak van 4 september 2023. De rechtbank heeft in de lijn van deze uitspraak bij de veroordeling in de proceskosten een wegingsfactor van 0,25 gehanteerd. Omdat dit beroep niet anders was dan andere beroepen niet tijdig, waarbij de rechtbank ook verzocht kan worden om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen en de rechtbank ook ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep dient te beoordelen, heeft de rechtbank het beroep zonder zitting kunnen afdoen. De verzetsgrond slaagt niet.
5. Opposant heeft de rechtbank verzocht verweerder op te dragen een (rechterlijke) dwangsombeschikking bekend te maken. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aan opposant reeds een bedrag van € 600,- aan rechterlijke dwangsom is voldaan, omdat verweerder zes dagen te laat heeft beslist. De verzetsrechter is van oordeel dat het voorgaande – wat daar verder ook van zij – niet relevant is voor de vraag of de rechtbank op basis van de aangevoerde beroepsgronden de beslissing heeft kunnen nemen de zaak met toepassing van het bepaalde in artikel 8:54 van de Awb af te doen. Ook deze verzetsgrond slaagt daarom niet.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 1 mei 2024 in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: