RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/582512 / KG ZA 24-515
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 2 december 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mr. T.J. Teggelaar en mr. J.R. Verhagen te Utrecht,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V.,
te [plaats] ,
advocaten: mr. L.H.K. Peereboom-Bogers en mr. K.A.A. Limburg te Utrecht,
en
2. [gedaagde sub 2] B.V.,
te [plaats] ,
advocaat: mr. A.J. Tekstra
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, en mr. J.J. Overbosch als griffier.
Aanwezig zijn:
- mevrouw [A] , statutair bestuurder van [eiseres] ( [A] )
- mr. Teggelaar
- mr. Verhagen
- de heer [B] ,
- de heer [C] , statutair bestuurder van [gedaagde sub 2] ( [C] )
- mr. A.J. Tekstra
- mevrouw [D] , statutair bestuurder van [gedaagde sub 1] ( [D] )
- mr. Peereboom-Bogers
- mr. Limburg.
1. De procedure
Het verloop van deze procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 november 2024 met producties 1 tot en met 19
- de door [gedaagde sub 1] op 28 november 2024 ingediende conclusie van antwoord met producties 10
- de door [gedaagde sub 1] op 29 november 2024 ingediende akte overleggen productie 11
- de door [eiseres] op 29 november 2024 ingediende producties 20 tot en met 28.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. De advocaten van [eiseres] en die van [gedaagde sub 1] hebben spreekaantekeningen voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan zijn hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.
2. De kern van de zaak
[A] , [D] en [C] zijn, via hun vennootschappen (de drie partijen in dit kort geding) de aandeelhouders van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), in de verhouding 30% ( [eiseres] ), 40% ( [gedaagde sub 1] ) en 30% ( [gedaagde sub 2] ). [D] is de moeder van [C] en [A] . Zij heeft de onderneming [bedrijf] opgezet, en haar kinderen zijn later ( [C] in 2017 en [A] in 2022) als aandeelhouder en bestuurder toegetreden. Tenzij uit de context anders blijkt wordt hierna met “ [A] ”, “ [D] ” en “ [C] ” respectievelijk [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bedoeld.
[C] en [A] zijn een tijd samen bestuurder geweest van [bedrijf] , en dat leidde tot conflict. [C] was bereid als bestuurder op de stappen, maar wilde dan ook zijn aandelen verkopen. In maart 2023 hebben [C] en [A] een Letter of Intent getekend, maar die heeft anders dan voorzien niet geleid tot een koopovereenkomst in april 2023. Uiteindelijk hebben [C] en [A] toch op 19 juli 2024 een koopovereenkomst gesloten voor het 30% aandelenbelang in [bedrijf] van [C] .
Uit de aanbiedings- en blokkeringsregeling in de statuten van [bedrijf] volgt dat [D] het recht heeft om te ‘reflecteren’ op deze aandelen. Volgens [A] heeft [D] ondubbelzinnig afstand gedaan van dat recht (hierna: haar reflectierecht) en is zij (op grond van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW) verplicht om die afstand schriftelijk te bevestigen aan de transporterend notaris. [D] weigert dat echter.
In deze procedure vordert [A] – samengevat – primair veroordeling om mee te werken aan de levering van het 30% aandelenbelang van [C] aan [A] ( [D] door haar afstand van haar reflectierecht alsnog schriftelijk te bevestigen en [C] door de aandelen te leveren tegen betaling van de koopprijs) en subsidiair schorsing van BM als bestuurder van [bedrijf] voor de duur van een bodemprocedure dan wel benoeming van nog een onafhankelijke derde als bestuurder van [bedrijf] .
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af, kort gezegd omdat [A] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [D] in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door op 18 september 2024 aan te geven dat zij, in weerwil van eerdere uitlatingen, alsnog wilde reflecteren op de over te dragen aandelen. [A] heeft aan die eerdere uitlatingen niet het gerechtvaardigde vertrouwen mogen ontlenen dat zij akkoord was met de aandelenoverdracht en dat zij daar niet meer op terug zou komen.
3. De beoordeling
Ik zal de primaire vordering van [A] , dat [D] moet meewerken met de aandelenoverdracht van [C] aan [A] , afwijzen. Ik zal u uitleggen waarom.
Op 19 juli 2024 hebben [A] en [C] een koopovereenkomst gesloten en afgesproken dat [A] de aandelen van [C] overneemt. Om tot levering te komen, moest nog een aantal dingen gebeuren en moest een aantal formaliteiten worden afgewikkeld.
Een van die dingen is dat [C] :
òfwel conform de aanbiedingsregeling zijn aandelen (ook) aanbiedt aan [D] (statuten, art. 6.2, lid 1 sub a, lid 2, lid 3 enz.);
òfwel ervoor zorgt (al dan niet met [A] ) dat [D] schriftelijk instemt met de voorgenomen overdracht (statuten, art. 6.2, lid 1 sub b i.).
Dat is de reden dat het notariskantoor dat de levering van de aandelen zou verzorgen [A] ergens tussen mei en september (en in ieder geval ruim voor 17 september 2024) de “AFSTANDSVERKLARING (AANBIEDINGREGELING)” heeft gestuurd (bijlage bij productie 15 van [A] ). [D] moet er daarin voor tekenen “Afstand te doen van zijn recht om de betreffende aandelen aangeboden te krijgen voordat de voorgenomen overdracht plaatsvindt respectievelijk in te stemmen met deze overdracht van aandelen.”
[A] heeft deze afstandsverklaring evenwel niet aan [D] voorgelegd. Kennelijk omdat ze ervan uitging dat [D] niet zou tekenen. In een Whatsappbericht aan [C] van 11 september 2024 schrijft ze: “(…) as dinsdag staat er een Ava gepland en daar gaan we het haar vertellen. Ik verwacht, en hou er rekening mee, dat ze die afstandsverklaring niet wil tekenen. ( je kent haar..) vandaar dat we het formeel via de Ava doen. Ik stuur vandaag of morgen de uitnodiging eruit en denk dat ik hem voor de vorm ook naar jou stuur, en haar dan op de Ava zeg dat jij je afgemeld hebt, en dan hoort ze even later hoe en wat…”
[A] heeft [D] laten oproepen voor de aandeelhoudersvergadering op 17 september 2024. De termijn van de oproep was erg kort (en overigens ook: te kort) en op de agenda werd niets vermeld over verkoop van de aandelen van [C] . Het agendapunt “Stand van zaken rondom directie [bedrijf] ” dekt die lading onvoldoende. Pas op de vergadering, waar [C] niet op verscheen, kreeg [D] te horen dat de koop rond was, terwijl de overeenkomst al twee maanden eerder was gesloten.
Volgens de transcriptie heeft de voorzitter [D] daarop de volgende vragen gesteld:
“(…) Nogmaals puur voor de formele bevestiging, dat heb je al bevestigd in de notulen (daarmee is bedoeld: de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 7 april 2024), maar jij koopt niet hè? Jij gaat niet kopen van [C] , je maakt geen gebruik van jouw recht om alsnog in te stappen om het zo maar te zeggen, even voor alle duidelijkheid, dan hebben we het even formeel helemaal afgedicht zoals het moet volgens de regeltjes hè.” [D] heeft daarop met iets als “hmmm” geantwoord.
De vragen, die eindigen op “hè?” zijn leidend, en de tweede vraag klopt in elk geval niet, want er wordt formeel helemaal niets volgens de regeltjes afgedicht. Volgens de regeltjes – de statuten – moet [D] schriftelijk instemmen met de overdracht, wat de notaris heeft willen bereiken door haar de afstandsverklaring te laten tekenen. Maar die heeft [A] dus niet aan [D] durven voorleggen. Vervolgens benadrukt de voorzitter dat de deal meebrengt dat [C] zijn bestuursfunctie ook neerlegt en dat dat allemaal goed is geregeld. Op de vraag of ze nog vragen heeft antwoordt [D] : “nee, ik denk goed, wel prima dan ga gewoon zo door, prima. Dat was ook de opzet van alles. Ik wil alleen het bedrag niet weten, maar dat wil ik allemaal niet weten.”
Een dag later is [D] teruggekomen op wat ze gezegd heeft op deze aandeelhoudersvergadering. Ze heeft [A] laten weten toch op de aandelen van [C] te willen ‘reflecteren’.
De vraag die ik in dit kort geding moet beantwoorden, is of [D] hiermee in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld die ze als medeaandeelhouder tegen [A] in acht moet nemen. Dat is niet het geval.
Het is zeker denkbaar dat iemand die een ondubbelzinnige toezegging doet, en daar achteraf op terugkomt met het verhaal dat het volgens de statuten anders had gemoeten, in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt die hij tegen zijn medeaandeelhouder(s) in acht moet nemen (art. 2:8 BW). Dat zal onder meer het geval kunnen zijn als hij bij die medeaandeelhouder een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij ergens akkoord mee was, en er niet meer op terug zou komen.
Zo’n gerechtvaardigd vertrouwen kan hier niet zijn ontstaan.
Ten eerste kan de combinatie van wat [A] schrijft in het Whatsappbericht en wat er op de aandeelhoudersvergadering is voorgevallen [A] geen gerechtvaardigd vertrouwen hebben gegeven dat [D] zou afzien van haar reflectierecht.
Het komt er feitelijk op neer:
dat [A] ervan uitging dat [D] de afstandsverklaring die [A] van de notaris had gekregen niet wilde tekenen;
dat [A] [D] daarom op een aandeelhoudersvergadering heeft geconfronteerd met de koop, en heeft laten vragen mondeling te bevestigen dat ze afstand doet van haar reflectierecht; en
dat [A] dan zegt dat die bevestiging evenveel waard is als een getekende afstandsverklaring. Dat is immers de inzet van dit kort geding.
Zo werkt het natuurlijk niet.
Ten tweede speelt tijd een rol. Iemand die maanden later op een toezegging terugkomt zal sneller in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelen dan iemand die een dag na een bepaalde verklaring daarop terugkomt, zeker als die verklaring is gedaan in een situatie waarin iemand ergens mee is overvallen.
Het enige dat pleit voor de gedachte dat [A] erop heeft kunnen vertrouwen is dat [D] zou afzien van haar reflectierecht is dat [D] bij de aandeelhoudersvergadering van 7 april 2024 heeft laten weten dat niet te zullen doen, terwijl toen al in wezen hetzelfde aan haar werd voorgelegd als op 17 september 2024: [A] neemt de aandelen van [C] over. [D] stelt nu dat de situatie toen anders was, omdat sprake was van een Letter of Intent met een overname in twee tranches. Maar dat wist [D] toen kennelijk niet eens; ze heeft de Letter of Intent tot recent nooit gezien, dus de gedachte dat haar verklaring van toen om niet te zullen reflecteren gebaseerd is op een andere deal en dat het daarom nu anders is kan ik niet echt volgen. De woorden van [D] op 17 september 2024 “Dat was ook de opzet van alles” lijken dat te bevestigen.
Ook als [D] [A] in april het idee heeft gegeven dat zij wel mee zou werken, maakt dat nog niet dat het beroep van [A] op redelijkheid en billijkheid slaagt. Er is nogal wat tijd verstreken, meer dan vijf maanden, tussen die aandeelhoudersvergadering en die van september. Uit het Whatsappbericht blijkt dat [A] er in september 2024 helemaal niet (meer) op rekende dat [D] zou meewerken. En als de verklaring van [D] van 7 april 2024 al een bijzondere status zou moeten krijgen, moet die in tijd beperkt zijn. De formele instemming met een aandelenoverdracht conform art. 6.2, lid 1 sub b i. statuten heeft een geldigheidsduur van drie maanden. Die duur is ook door de notaris overgenomen in de afstandsverklaring. Het zou dan gek zijn een informele, mondelinge toezegging langer te laten gelden dan een toezegging die keurig via het boekje is gedaan, dus een schriftelijke verklaring. Ook daarom kan wat [D] op 7 april 2024 heeft verklaard [A] niet baten.
De subsidiaire gevorderde schorsing van [C] als bestuurder
Vervolgens kom ik, omdat ik de primaire vordering afwijs, op de subsidiaire vordering. [A] wil dat [C] in afwachting van een bodemprocedure wordt geschorst als bestuurder. De reden dat ze om deze voorziening vraagt is dat de verhouding tussen [A] en [C] te zeer is verstoord om verdere samenwerking mogelijk te maken. [A] heeft op zich aannemelijk gemaakt dat die samenwerking niet meer ging, maar dat is onvoldoende om aan te tonen dat ze een serieus (en spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van deze vordering. [C] is nog wel statutair bestuurder, maar heeft zijn sleutels ingeleverd en heeft feitelijk geen functie meer binnen de onderneming. Daarmee is onvoldoende gebleken dat [A] belang heeft bij zo’n schorsing.
[A] moet een proceskostenvergoeding betalen aan zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2]
[A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op:
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.973,00
De proceskosten van [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
715,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.581,00
4. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde sub 1] van € 1.973,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde sub 2] van € 1.581,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat is ondertekend op 3 december 2024.