ECLI:NL:RBMNE:2024:7799

ECLI:NL:RBMNE:2024:7799, Rechtbank Midden-Nederland, 13-05-2024, UTR 22/5471

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 13-05-2024
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer UTR 22/5471
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

verzet gegrond; beroep gegrond;

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2024 op het verzet van

[opposante] , te [plaats] , opposante,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/5471-V

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingesteld, omdat de Belastingdienst/Toeslagen (verweerder) volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 28 april 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.

In de uitspraak van 22 mei 2023 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en onder andere verweerder opgedragen om uiterlijk 1 juli 2024 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 mei 2023 het beroep gegrond verklaard en onder andere verweerder opgedragen om uiterlijk 1 juli 2024 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 22 mei 2023 niet juist was.

Ten aanzien van het verzet

3. Opposante voert kort samengevat aan dat de rechterlijke beslistermijn die door de rechtbank is opgelegd ten onrechte is gesteld op 1 juli 2024, dat er geen sprake is van bijzonder geval als bedoeld in art. 8:55d van de Awb, dat de wettelijke termijn van twee weken niet kan worden gepasseerd en dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de bedoeling van de wetgever.

4. De verzetsrechter is het met opposante eens dat de gegunde beslistermijn tot 1 juli 2024, niet in stand kan blijven. Gelet op de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209). Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een beslissing op bezwaar bekendmaken. Van deze twaalf weken moeten ten minste zes weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Omdat sinds de datum van het verweerschrift meer dan zes weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar moet bekendmaken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.

5. Dit betekent dat opposante hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 22 mei 2023 vervalt (artikel 8:55, negende lid, Awb).

Ten aanzien van het beroep

6. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.

7. Nu de beslistermijn hierboven is vastgesteld en er verder geen discussie meer bestaat over het beroep, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.

8. Verweerder heeft bij besluit van 20 juli 2023 de maximale bestuurlijke dwangsom van

€ 1.442,- toegekend. Er is dan ook geen aanleiding hierover te oordelen.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet en het beroep zijn gegrond.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door opposante gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat opposante een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt € 437,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor van 1).

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt opposante, voor zover verweerder dit nog niet heeft voldaan, ook een vergoeding voor de proceskosten die zij in beroep heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding in beroep wordt met toepassing van het Bpb en onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 september 2023 als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 0,25. Toegekend in beroep wordt € 218,75. Ook moet verweerder, voor zover dit nog niet is voldaan, het door opposante betaalde griffierecht van € 50,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op uiterlijk zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan opposante een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door opposante gemaakte proceskosten in verzet, tot een bedrag van € 437,50;

- veroordeelt verweerder, voor zover dit nog niet door verweerder is voldaan, tot betaling van de door opposante gemakte proceskosten in beroep, tot een bedrag van € 218,75;

- draagt verweerder op, voor zover dit nog niet door verweerder is voldaan, het door opposante betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2024.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?