ECLI:NL:RBMNE:2024:7804

ECLI:NL:RBMNE:2024:7804

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 23-01-2024
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 16/077328-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding van de eerbaarheid van zijn 19-jarige schoondochter. De verdachte heeft naast het aanraken van en knijpen in de borst van aangeefster, ook haar borst gelikt en gezoend. De verklaring van aangeefster is betrouwbaar en er is sprake geweest van dwang. De redelijke termijn is niet overschreden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om bij de strafoplegging in het voordeel van de verdachte rekening te houden met het forse tijdsverloop. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 100 uren, passend en geboden. Ook legt de rechtbank de verdachte een 38v-maatregel op in de vorm van een contactverbod met aangeefster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/077328-23 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1974 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats] , hierna: verdachte.

1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. A. Dam, van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.D. Polat, advocaat te Amsterdam, alsmede de advocaat van de benadeelde partij, mr. M. Schimmel, advocaat te Bussum, naar voren hebben gebracht.

2. TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 1 januari 2020 in Utrecht [aangeefster] heeft aangerand door (in) haar borst te betasten en/of knijpen en/of likken en/of zoenen.

3. VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De verklaring van [aangeefster] (hierna: aangeefster) is betrouwbaar, aangezien zij consistent en authentiek heeft verklaard. Er zijn volgens de officier van justitie geen contra-indicaties waarom haar verklaring onbetrouwbaar is. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat aangeefster de seksuele handelingen vrijwillig heeft ondergaan acht de officier van justitie, gelet het tijdsverloop en zijn eerdere verklaring, ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van het ten laste gelegde feit, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat sprake is geweest van dwang. De raadsvrouw heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van aangeefster zijn tegenstrijdig en inconsistent en daarom onbetrouwbaar. Verdachte heeft verklaard dat de seksuele handelingen op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden en hij heeft ontkend wapens aan aangeefster te hebben getoond en haar daarmee te hebben bedreigd als zij zou vertellen wat er was gebeurd. Daarnaast is, zelfs als wordt uitgegaan van de verklaring van aangeefster, geen sprake van onverhoeds aanraken door verdachte zodat dwang niet kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard:

Ik ben op 1 januari 2020 met [aangeefster] in de woning aan de [straat] in Utrecht geweest. Ik ging met mijn hand op haar benen. Ik heb haar borsten boven en onder haar kleding aangeraakt. Ik heb ook aan haar borst gelikt.

Aangeefster [aangeefster] heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard:

Vr: Wanneer is dat feit gepleegd?

A: 1 januari 2020.

Vr: Waar is dat feit gepleegd?

A: Op de [straat] te Utrecht.A: We kwamen bij dat huis aan de [straat] aan. We liepen naar een linkerslaapkamer.Ik ging zitten op de stoel en toen haalde die van achter de kachel een pistool en die legde hij naast me neer op de linker leuning van de stoel. Toen pakte hij er nog een. Hij tilde een soort van kom op en daar lag het onder. Dat was ook een pistool die iets groter was. Die legde hij naast het andere pistool neer op de leuning. Hij zei toen kom maar en toen liepen we naar de woonkamer.

Vr: in het informatieve gesprek vertelde je dat jij en [verdachte] op de bank in de woonkamer waren gaan zitten, dat [verdachte] links naast je zat en hij zijn linkerhand op je linkerbeen legde en zijn rechterhand op jouw onderrug. klopt dat?A: Ja. Ik zei steeds laat me met rust. Ik heb zijn hand weggehaald die op mijn been lag. Maar die kwam elke keer weer terug. Hij begon aan mijn borsten te zitten. Hij deed toen mijn shirt omhoog en zei: niemand hoeft het te weten. Ik deed toen mijn shirt weer naar beneden. Hij vroeg toen mag ik je likken, waarop ik zei ik wil nu naar [A] toe. Toen ging hij half voor me zitten en toen had hij mijn linkerhand vast en met de andere hand deed hij mijn shirt omhoog en toen ging hij met zijn mond aan mijn rechterborst. Hij ging zoenen en likken. Hij deed mijn bh bij mijn rechterborst omlaag met diezelfde hand als waarmee hij mijn shirt omhoog deed. Ik schrik er van en probeer op te staan. Hij ging ook opstaan en pakte mij vast, knuffelachtig. Hij zei als je het tegen iemand vertelt weet je wat ik hier heb liggen.

Vr: In het informatieve gesprek vertelde je dat hij zijn rechterhand op jouw blote borst legde en daar knijpbewegingen in maakte. Klopt dat?A: Ja, dat was voor het likken.Vr: Hoe heb jij gereageerd toen hij in je borst kneep?A: Ik heb hou op gezegd.V: Wat heb je met je handen gedaan?A: Eerst niets maar later heb ik zijn hand weg proberen te halen, met mijn hand zijn hand wegduwen.Vr: Wat was de reden dat je niet weg gaat?A: Ik was bang voor die wapens en voor wat hij zei. Vr: Hoe reageerde [verdachte] toen jij naar de voordeur liep?

A; Hij hield me tegen. Hij zei, als je het tegen iemand vertelt dan weet je wat ik hier heb liggen.

Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster onder meer het volgende verklaard:

Kunt u zich herinneren dat hij uw borsten zou hebben gelikt?

Nu u het zegt, kan ik het mij wel herinneren. Dat is ook gebeurd.

De rechter-commissaris merkt op dat getuige emotioneel wordt.

Ik zie dat u emotioneel wordt.

Ja, omdat ik het was vergeten.

Bewijsoverweging

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van aanranding moet de rechtbank vaststellen dat sprake is geweest van dwang. Dwang houdt in dat verdachte opzettelijk veroorzaakt dat het slachtoffer seksuele handelingen tegen zijn of haar wil ondergaat. Wanneer voor de verdachte enige kenbare vorm van verzet van het slachtoffer ontbreekt is geen sprake van dwang, tenzij verdachte zo onverhoeds handelt dat het slachtoffer zich daar niet tegen heeft kunnen verzetten. De omstandigheden op basis waarvan de rechtbank dient te beoordelen of dwang aanwezig was volgen uit de zich in het dossier bevindende stukken.

In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders

verklaren over wat er is gebeurd. In zo’n geval dient de rechtbank in eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever te boordelen. In het algemeen geldt daarbij dat de verklaringen moeten worden beoordeeld op volledigheid, consistentie en accuraatheid. Als de verklaring van de aangever betrouwbaar wordt gevonden, moet de rechtbank bepalen of er voor deze verklaring voldoende steunbewijs uit (een) onafhankelijke bron(nen) in het dossier aanwezig is, gelet op het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv).

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster en steunbewijs

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van aangeefster als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De rechtbank constateert op basis van het dossier dat aangeefster - hoewel haar verklaringen over wat er nog meer die ochtend heeft plaatsgevonden wat vaag zijn en niet op alle details consistent - zij een consistente verklaring heeft afgelegd ten aanzien van zowel de ontuchtige handelingen die zouden hebben plaatsgevonden, als de omstandigheden waaronder deze zich zouden hebben voorgedaan. De verklaring van aangeefster is op onderdelen ook gedetailleerd. Zo is zij in staat de specifieke volgorde van de ontuchtige handelingen te benoemen en beschrijft zij precies waar en hoe verdachte de vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, heeft getoond. Dat haar verklaring bij de rechter-commissaris van 9 november 2023 niet op elk onderdeel overeenkomt met haar eerdere verklaringen, acht de rechtbank gelet op het forse tijdsverloop tussen het incident en het verhoor, voorstelbaar. Het is namelijk in zedenzaken niet ongebruikelijk dat slachtoffers uit zelfbescherming de gebeurtenis en de herinnering daarvan verdringen. Dat is ook bij aangeefster gebeurd. Zo blijkt uit het verhoor bij de rechter-commissaris dat zij het likken van de borsten was vergeten, maar na het voorhouden van haar verklaring zich weer kon herinneren. Op het moment dat zij dit weer herinnerde, raakte zij geëmotioneerd zoals de rechter-commissaris heeft beschreven. Dit bevestigt de authenticiteit van haar verklaring. Dat er op 1 januari 2020 geen vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, in de woning aan de [straat] zijn aangetroffen doet naar het oordeel van de rechtbank ook niet af aan de betrouwbaarheid van aangeefster. Het is volgens de rechtbank mogelijk dat de vuurwapens zijn weggemaakt voordat de politie ter plaatse kwam. Verdachte was daar zelf immers ook niet meer aanwezig. Daarnaast is verdachte, gelet op zijn documentatie waaruit blijkt dat hij meerdere keren is veroordeeld voor vuurwapenbezit en zijn verklaring ter terechtzitting dat hij een wapen had gekocht dat doorgeboord bleek te zijn, niet onbekend met het bezit van vuurwapens.

Tot slot biedt de verklaring van verdachte steun aan de verklaring van aangeefster, nu hij heeft erkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Dwang

Op 2 maart 2023 is verdachte, ruim drie jaar na het incident, door de politie gehoord. Tijdens dit verhoor heeft verdachte de ten laste gelegde handelingen (nog) stellig ontkend. Nadat de politie verdachte confronteerde met de door de deskundige bevonden DNA-match tussen het aangetroffen DNA (afkomstig uit speeksel) op de borst van aangeefster en het DNA van hemzelf, heeft hij (zelfs) een alternatief scenario geschetst ter verklaring van deze match. Op zitting heeft verdachte zijn verklaring gewijzigd en verklaard dat de seksuele handelingen met aangeefster wel hebben plaatsgevonden, maar dat dit alles gebeurd is op basis van vrijwilligheid. De rechtbank acht deze verklaring, gelet op zijn eerdere proceshouding en het late moment van verklaren (meer dan vier jaar na het incident), ongeloofwaardig.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van dwang. Door aangeefster mee te nemen naar een voor haar onbekende woning, haar aldaar twee vuurwapens te tonen en te betasten, én deze handelingen door te zetten terwijl aangeefster weg wilde gaan en aangaf dat hij moest ophouden, heeft verdachte opzettelijk veroorzaakt dat zij de seksuele handelingen tegen haar wil in heeft moeten ondergaan.

De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 januari 2020 aangeefster in de woning aan de [straat] in Utrecht heeft aangerand door (in) haar borst te betasten, knijpen, likken en zoenen.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 1 januari 2020 in Utrecht, door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten- door het meenemen van een persoon genaamd [aangeefster] naar een woning en- het vastpakken/tegenhouden van die [aangeefster] en- het betasten van/knijpen in de borst van die [aangeefster] en- het omlaag doen van de bh van die [aangeefster] en- het likken en zoenen van de borst van die [aangeefster] en- het tonen van vuurwapens, althans één of meer op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die [aangeefster] en- tegen die [aangeefster] te zeggen dat niemand er wat van mocht weten en dat ze wist wat er in zijn huis lag, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het betasten van/knijpen in de borst en het likken/zoenen van de borst van die [aangeefster] ;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6. STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk, met de algemene voorwaarde dat verdachte zich binnen een proeftijd van twee jaar niet schuldig zal maken aan een nieuw strafbaar feit. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met het tijdsverloop. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een artikel 38v Wetboek van Strafrecht maatregel (hierna: 38v-maatregel) op te leggen voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod met aangeefster. Bij overtreding van deze maatregel geldt een vervangende hechtenis van 1 maand met een maximum van 6 maanden vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft gevorderd deze 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met het forse tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een uitkering en is ten aanzien van zedenfeiten first offender. Onder verwijzing naar een e-mail van Reclassering Inforsa van 9 januari 2024 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte (recentelijk) een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het reclasseringstoezicht (uit anderen hoofde) verloopt goed en verdachte houdt zich aan de gestelde (bijzondere) voorwaarden. Begin november 2023 is ook het traject gestart voor de behandeling van de posttraumatische stressstoornis van verdachte. Het is volgens de raadsvrouw onwenselijk deze ontwikkelingen te doorkruisen wegens een feit van vier jaar geleden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van zijn 19-jarige schoondochter. Verdachte is samen met aangeefster naar een voor aangeefster onbekende woning gegaan. Aldaar heeft verdachte aangeefster twee vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, getoond. Dit moet voor aangeefster een zeer dreigende situatie zijn geweest en haar in een kwetsbare positie hebben geplaatst. Verdachte heeft aangeefster vervolgens meegenomen naar de woonkamer en haar daar betast. Verdachte heeft naast het aanraken van en knijpen in de borst van aangeefster, ook haar borst gelikt en gezoend. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat zedenmisdrijven langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Blijkens de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring heeft het incident een negatieve impact op het leven van aangeefster gehad. Zo heeft zij zich zeer angstig gevoeld en is zij het vertrouwen in andere mensen verloren. In de aanloop naar de terechtzitting zijn haar angstgevoelens (weer) toegenomen, waardoor zij slaap- en concentratieproblemen ervaart. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor aangeefster. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 november 2023 op naam van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het lang heeft geduurd voordat deze zaak is behandeld. Hoewel de redelijke termijn waarbinnen de berechting behoort te geschieden niet is overschreden, ziet de rechtbank aanleiding om bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening te houden met het forse tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank acht dan ook de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel thans niet meer op zijn plaats, hoewel de ernst van het feit oplegging daarvan rechtvaardigt. Wel ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zo wordt de positieve ontwikkeling van verdachte niet doorkruist en is er voor hem een forse stok achter de deur om zich te weerhouden van (soortgelijke) strafbare gedragingen.

Verdachte heeft ter terechtzitting geen (volledige) openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Gelet op deze proceshouding en de aard en ernst van het feit zal de rechtbank verdachte, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf van aanzienlijke duur opleggen. Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van situatie waarin het taakstrafverbod, zoals bedoeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (Sr), aan de orde is. Dit betekent dat verdachte geen taakstraf kan worden opgelegd zonder daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel op te leggen. Uitsluitend daarom wordt toch een dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

De rechtbank acht alles afwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de algemene voorwaarde dat verdachte zich, binnen een proeftijd van twee jaar, niet schuldig zal maken aan een nieuw strafbaar feit, en een taakstraf voor de duur van 100 uren, passend en geboden.

Vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr

De rechtbank ziet, gelet het gedrag en de proceshouding van verdachte en zijn strafblad, aanleiding om ter beveiliging van het slachtoffer en ter voorkoming van strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr aan verdachte opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact mag opnemen met aangeefster [aangeefster] . De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt. Deze hechtenis bedraagt 1 maand per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op. De maatregel wordt opgelegd voor de duur van 2 jaar. De rechtbank ziet geen reden de maatregel voor een langere duur op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een zodanig ernstig risico dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster, dat dit een bevel tot dadelijke tenuitvoerlegging rechtvaardigt. De rechtbank zal daarom, anders dan door de officier van justitie heeft verzocht, niet bevelen dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9. BENADEELDE PARTIJ

Mevrouw [aangeefster] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met op oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het meer gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak verzocht de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde psychische schade heeft

opgelopen.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan objectief kan worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel. De rechtbank overweegt echter dat de aard en de ernst van de normschending in de huidige zaak met zich brengen dat de nadelige (psychische) gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.

Gelet op deze aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen die de benadeelde partij blijkens haar slachtofferverklaring heeft ondervonden, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 2.000,-. De rechtbank neemt in het bijzonder in aanmerking dat aangeefster (onder andere) door het tonen van vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, is gedwongen ontuchtige handelen te ondergaan. Voor het overige deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal aldus de vordering voor een totaalbedrag van € 2.000,- toewijzen, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij

[aangeefster] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. BESLISSING

Benadeelde partij

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 31 dagen;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

Oplegging 38v-maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren, inhoudende dat verdachte:

 op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opneemt, zoekt of heeft met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2000;

- beveelt dat voor iedere keer dat door verdachte niet aan de maatregel wordt voldaan 1 maand vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van 6 maanden;

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mrs. S.M. Schothorst en O. Veldman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 januari 2024.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2020 in de gemeente Utrecht, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten- door het meenemen van een persoon genaamd [aangeefster] naar een woning en/of- het vastpakken/tegenhouden van die [aangeefster] en/of- het onverhoeds betasten van/knijpen in de borst van die [aangeefster] en/of- het omlaag doen van de bh van die [aangeefster] en/of- het onverhoeds likken en/of zoenen van de borst van die [aangeefster] en/of- het tonen van één of meer vuurwapens, althans één of meer op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die [aangeefster] en/of- tegen die [aangeefster] te zeggen dat niemand er wat van mocht weten en dat ze wist wat er in zijn huis lag, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van/knijpen in de borst en/of het likken/zoenen van de borst van die [aangeefster] ;

(art 246 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?