RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/191950-23 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] ,
hierna verdachte.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. M.S. Martherus-Meijers en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. V.A. van Biljouw, advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen mevrouw [A] van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] , naar voren hebben gebracht, alsmede hetgeen de gemachtigde de heer [gemachtigde] , namens de benadeelde partij ABN AMRO Bank en de gemachtigde de heer [gemachtigde] , namens de benadeelde partij Rabobank, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 31 mei 2023 tot en met 1 september 2023 te Almere en/of Emmen en/of Breukelen en/of Alkmaar en/of Amersfoort en/of Amsterdam en/of Middelburg en/of Bunnik en/of Pijnacker en/of Twello en/of Eefde en/of Breda en/of Born samen met (een) ander(en) [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 11] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 14] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] , heeft opgelicht;
feit 2: in de periode van 31 mei 2023 tot en met 1 september 2023 te Almere en/of Emmen en/of Breukelen en/of Maarssen en/of Alkmaar en/of Hilversum en/of Amersfoort en/of Amsterdam en/of Middelburg en/of Bunnik en/of Zeist en/of Pijnacker en/of Terwolde en/of Gorssel en/of Breda en/of Heemskerk en/of Nieuwstadt en/of Grevenbicht een of meerdere geldbedragen van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 15] en/of [benadeelde 11] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 14] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of Coöperatieve Rabobank U.A. en/of ABN AMRO Bank N.V. en/of ING Bank N.V. en/of de Volksbank N.V. en/of American Express Europe SA en/of International Card Services B.V., heeft gestolen door middel van een valse sleutel (te weten door te pinnen met door oplichting verkregen pinpassen).
3. VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, alsook het onder feit 2 ten laste gelegde, met uitzondering van het wegnemen van geldbedragen die aan de banken zouden toebehoren. Volgens de officier van justitie behoorden de geldbedragen ten tijde van de wegnemingshandeling namelijk toe aan de rekeninghouders bij deze banken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder feit 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, met uitzondering van de ten laste gelegde oplichting van aangever [benadeelde 6] . De raadsman heeft bepleit dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de pinpassen bij de woningen van de overige aangevers heeft opgehaald. Het enkele gegeven dat verdachte is meegereden naar de woningen van deze aangevers, is onvoldoende om medeplegen wettig en overtuigend bewezen te verklaren, aangezien geen sprake is van een inwisselbare rolverdeling.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
P.M.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1: medeplegen van oplichting
Ten laste is gelegd dat verdachte feit 1 tezamen en in vereniging heeft gepleegd, anders gezegd: dat sprake is van medeplegen. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn. Daarvoor is niet vereist dat de rol van iedere dader (precies) even groot is geweest.
Verdachte heeft een dergelijke wezenlijke bijdrage geleverd aan de onder feit 1 ten laste gelegde handelingen, waardoor sprake is van medeplegen. De aangevers werden in alle gevallen gebeld door (een) zogenaamde medewerker(s) van een bank. Aan de aangevers werd verteld dat er iets mis was met hun bankrekening en zij kregen de opdracht hun pinpas(sen) aan een collega, die bij hun woning langs zou komen, af te geven. Aan de telefoon werd aan aangevers verteld wat de naam was van de koerier die de pinpas zou komen ophalen. Ook werd hen een code gegeven die de koerier zou noemen, zodat de aangevers zouden weten dat het inderdaad een medewerker van de bank zou zijn. Verschillende aangevers moesten ook al bellend met de bankmedewerker(s) hun pincode doorgeven en/of wijzigen.
Uit zijn eigen verklaring blijkt dat verdachte wist dat op deze manier pinpassen van mensen afhandig werden gemaakt. Zo heeft hij verklaard dat hij onderdeel uitmaakte van verschillende snapchatgroepen, waarin de adressen van toekomstige slachtoffers en verdere instructies werden gestuurd. Verdachte heeft bekend dat hij (telkens) is meegereden naar de verkregen adressen van de aangevers. Hij heeft daarbij in ieder geval een aantal keer zelf de pinpas(sen) in ontvangst genomen. Op of rond het moment dat aangevers [benadeelde 1] , [benadeelde 9] en [benadeelde 6] hun pinpassen hebben afgegeven, is verdachte namelijk (na)bij hun woningen als ‘koerier’ te zien op beelden, waarop verdachte zichzelf ook heeft herkend. Daarnaast heeft verdachte tijdens het politieverhoor op 28 november 2023 bekend de pinpassen van aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in ontvangst te hebben genomen. Verdachte heeft bekend dat hij hierbij een valse naam heeft genoemd en een code heeft gegeven.
Het ophalen van de pinpassen is een wezenlijke en noodzakelijke schakel geweest in het geheel van de ten laste gelegde handelingen. Zonder die bijdrage kon de oplichting niet worden voltooid. Dat het niet altijd verdachte zelf is geweest die de pinpassen bij aangevers thuis heeft aangenomen maakt niet dat medeplegen ten aanzien van alle ten laste gelegde onderdelen niet bewezen kan worden. Verdachte is namelijk te allen tijde nauw betrokken geweest bij de oplichtingshandelingen door (telkens), ook als hij de pinpassen niet in ontvangst nam, in het voertuig met de chauffeur en/of de ‘koerier’ naar de adressen van aangevers mee te rijden, wetende dat daar pinpassen zouden worden opgehaald. Verdachte maakte dus in alle gevallen onderdeel uit van de dadersgroep en het geheel aan handelen van die groep kan dan ook aan verdachte worden toegerekend.
De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 31 mei 2023 tot en met 1 september 2023 op verschillende plaatsen in Nederland samen met anderen (meermaals) schuldig heeft gemaakt aan oplichting.
Ten aanzien van feit 2:
De officier van justitie stelt ten onrechte dat de geldbedragen ten tijde van de wegnemingshandeling toebehoorden aan de rekeninghouders bij deze banken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Giraal geld (geld dat op een bankrekening staat) is juridisch gezien een vordering op de bank ter grootte van het bedrag dat op de bankrekening staat. Bij storting van contant geld op een bankrekening, wordt de bank eigenaar van dat contante geld (dus de eigenaar van de bankbiljetten en muntgeld). In ruil daarvoor krijgt de rekeninghouder een vordering op de bank.
Het geld dat in een betaalautomaat zit is ook eigendom van de bank. Op het moment dat iemand met zijn eigen pinpas geld opneemt, levert de bank de bankbiljetten aan de rekeninghouder, en wordt die eigenaar van de betreffende bankbiljetten.
In dit geval heeft de bank de biljetten echter niet aan de rekeninghouders geleverd, maar aan verdachte. Verdachte heeft dus met een valse sleutel (namelijk een bankpas die niet van hem was) de bank zover gekregen geld dat zich in de geldautomaat bevond aan hem te geven. Hiermee heeft hij dus geld weggenomen dat aan de bank toebehoorde, althans (in het geval het geld bij een andere bank dan de bank van de rekeninghouder is gepind) aan de rechtspersoon die eigenaar was van het geld in de betreffende geldautomaat.
Gelet op het bovenstaande kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wie op het moment van opname eigenaar was van de bankbiljetten die zich in de geldautomaat bevonden. Vaststaat dat de bankbiljetten in ieder geval niet aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden.
(Terzijde: de vraag aan wie de weggenomen bankbiljetten toebehoorden, is een andere vraag dan de vraag wie in de verhouding tussen de bank en de rekeninghouder aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het feit dat een onbevoegd persoon over de bankpas kan beschikken).
De rechtbank merkt nu vast op dat zij verdachte wel zal veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan de rekeninghouders. Weliswaar was een ander dan de rekeninghouders eigenaar van de weggenomen bankbiljetten, maar het zijn de rekeninghouders die dit in hun portemonnee hebben gevoeld en dus uiteindelijk de schade hebben geleden.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1in de periode van 31 mei 2023 tot en met 1 september 2023 te Almere en Emmen en Breukelen en Alkmaar en Amersfoort en Amsterdam en Middelburg en Bunnik en Pijnacker en Twello en Eefde en Breda en Born, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,- [benadeelde 1] en- [benadeelde 2] en- [benadeelde 9] en- [benadeelde 10] en- [benadeelde 4] en- [benadeelde 11] en- [benadeelde 5] en- [benadeelde 12] en- [benadeelde 13] en- [benadeelde 6] en- [benadeelde 14] en- [benadeelde 7] en- [benadeelde 8] ,heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten- een of meerdere bankpas(sen)/pinpas(sen) en/of- een of meerdere (bijbehorende) pincode(s) en/of- een telefoon en/of- een laptop en/of tablet en/of- een rijbewijs en/of- een of meerdere identifier(s)/random reader(s) en/of- een geldbedrag,door- die voornoemde personen meermaals, althans eenmaal, via een SMS en/of WhatsAppbericht en/of telefonisch te benaderen en zich voor te doen als medewerker van een bank en (daarbij) te melden dat cybercriminelen en/of andere derden proberen geld van hun rekening(en) te halen en daarom- die voornoemde personen te vragen hun rekeningnummer(s) op te noemen en/of hun pincode(s) in te toetsen en te melden een of meerdere bankpas(sen)/pinpas(sen) en/of bijbehorende pincode(s) en/of een telefoon en/of een laptop en/of tablet en/of een rijbewijs en/of een of meerdere identifier(s)/random reader(s) en/of een geldbedrag in een enveloppe te overhandigen aan een koerier en/of persoon die bij die voornoemde personen aan de deur zou komen en/of- aan die voornoemde personen de code(s) van die bankpas(sen)/pinpas(sen) en/of laptop en/of tablet te vragen en- die voornoemde personen hierbij een code te geven ter verificatie die een koerier en/of persoon die bij die voornoemde personen aan de deur zou komen moest noemen en/of- bij die voornoemde personen meermaals, althans eenmaal, aan de deur te komen, een code door te geven en een enveloppe(s) in ontvangst te nemen en mee te nemen;
2in de periode van 31 mei 2023 tot en met 1 september 2023 te Almere en Emmen en Breukelen en Maarssen en Alkmaar en Hilversum en Amersfoort en Amsterdam en Middelburg en Bunnik en Zeist en Pijnacker en Terwolde en Gorssel en Breda en Heemskerk en Nieuwstadt en Grevenbicht meerdere geldbedragen, die geheel aaneen ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders(s) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten (een) pinpas(sen) tot het gebruik waarvan hij niet gerechtigd was en (de bijbehorende) pincode(s) van die voornoemde personen, door meerdere malen een of meerdere geldbedrag(en) bij een of meerdere pinautoma(a)t(en) te pinnen en/of bij een of meerdere winkel(s) een of meerdere goed(eren) aan te schaffen;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
t.a.v. feit 1 en 2:
de voortgezette handeling van:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
en
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Verdachte heeft bij de terechtzitting verklaard dat hij door personen bij wie hij schulden had onder druk werd gezet om de passen op te halen en het geld te pinnen. Voor zover verdachte hiermee heeft bedoeld dat hij handelde uit overmacht en dus niet strafbaar is, is echter niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een dermate grote druk dat verdachte hieraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies van 11 januari 2024. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een taakstraf voor de duur van 150 uren op te leggen. De officier van justitie ziet geen aanleiding om op basis van de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd af te wijken van het uitgangspunt verdachte volgens het volwassenstrafrecht te berechten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. Verdachte is licht verstandelijk beperkt, makkelijk beïnvloedbaar en kan de gevolgen van zijn handelen niet overzien. Er lijken nog pedagogische mogelijkheden te zijn en begeleiding van de volwassenreclassering, zoals geadviseerd door de reclassering, kan een pedagogisch karakter hebben. Verder is verdachte nog niet eerder in een strafrechtelijk kader geholpen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte niet kaal af te straffen, maar hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die nagenoeg gelijk is aan de duur van het voorarrest, aan te vullen met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, zodat verdachte de hulp kan krijgen die hij nodig heeft. Indien als bijzondere voorwaarde het ‘begeleid wonen’ wordt opgelegd, kan verdachte in afwachting van een geschikte plek bij zijn moeder verblijven.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van drie maanden veertien keer schuldig gemaakt aan oplichting en diefstal middels valse sleutel. Uit naam van diverse banken zijn de slachtoffers door verdachte en zijn mededaders bewogen tot afgifte van onder andere hun bankpas(sen), pincode(s) en/of contante geldbedragen. Verdachte heeft vervolgens met deze bankpas(sen) grote contante geldbedragen opgenomen en/of dure spullen gekocht. De feiten zijn op een georganiseerde, slinkse en geraffineerde wijze gepleegd en verdachte heeft hieraan bijgedragen. Meerdere aangevers beschrijven dat ze door de indringende en aanhoudende manier waarmee de daders hen vertelden dat er iets mis zou zijn met de bankrekening in het onware verhaal zijn gaan geloven en eventuele argwaan die ze voelden opkomen hebben genegeerd. Verdachte heeft met zijn handelen de gevoelens en belangen van de slachtoffers genegeerd en enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zodat hij naar eigen zeggen zijn schulden kon afbetalen. Er is forse financiële schade ontstaan bij de aangevers en/of banken. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op het vertrouwen van slachtoffers in de digitale (financiële) bankwereld én hun gevoel van veiligheid en privacy. Zeker nu de slachtoffers weten dat hun woonadres bij verdachte(n) bekend is. Ook beschrijven verschillende aangevers dat hen na deze gebeurtenis een groot gevoel van schaamte is overvallen en dat het hen moeite kostte om hierover met hun naasten te praten. Dat deze feiten een dergelijke impact hebben gehad, blijkt ook uit de verklaringen van de slachtoffers ter onderbouwing van de vorderingen benadeelde partij.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 december 2023 op naam van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 11 januari 2024, opgesteld door mevrouw B. Morre, reclasseringswerker. De reclassering beschrijft dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking (hierna: LVB), een posttraumatische stressstoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Geconcludeerd is dat het risico op recidive hoog is en dat er op diverse leefgebieden van verdachte problemen zijn. Zo heeft verdachte zijn mbo-opleiding afgebroken en is sprake van een negatief sociaal netwerk en schulden. Verder heeft verdachte geen stabiele inkomsten uit (wit) werk en gebrekkige vaardigheden om zijn financiële instabiliteit zelfstandig op te lossen. Ook worden bij verdachte inadequate copingsvaardigheden gezien, doordat hij zijn emoties met cannabis onderdrukt.
De reclassering acht het van belang dat de leefsituatie van verdachte stabiliseert en zij vindt het dan ook positief dat verdachte op dit moment openstaat voor hulp. Geadviseerd wordt verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening en middelencontrole.
Toepassing jeugdstrafrecht
Ten aanzien van de vraag of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 19 jaar oud, en dus meerderjarig. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige verdachten het volwassenenstrafrecht toegepast. De rechtbank kan op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het jeugdstrafrecht toepassen, bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar.
Uit voornoemd reclasseringsadvies van 11 januari 2024 blijkt dat er, gelet op de handelingsvaardigheden van verdachte, diverse indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte heeft een licht verstandelijke beperking, lijkt in (sterke) mate beïnvloedbaar en kan de gevolgen van zijn handelen niet overzien. Verder benoemt de reclassering dat er beperkt pedagogische mogelijkheden naar voren komen en dat het op dit moment onduidelijk is in hoeverre verdachte ontvankelijk is voor ondersteuning door een volwassene, buiten zijn moeder om. Zo zijn er vanuit het civiele recht (door middel van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) al diverse trajecten ingezet binnen de jeugdhulpverlening. Gelet op het voorgaande heeft de reclassering geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen, maar verdachte te laten begeleiden door de volwassenreclassering.
De rechtbank ziet op grond van de persoon van verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en het voorgaande advies, echter geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte gaat op dit moment niet (meer) naar school en woont niet (meer) thuis. De reclassering beschrijft dat er beperkte pedagogische mogelijkheden naar voren komen en adviseert verdachte te laten begeleiden door de volwassenreclassering. Dat verdachte in (sterke) mate beïnvloedbaar is en de gevolgen van zijn handelen niet overziet kan, naar het oordeel van de rechtbank, ook voortkomen uit zijn LVB-problematiek. De rechtbank zal dus het volwassenenstrafrecht toepassen.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten kan er met geen andere straf worden volstaan dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven spijt te hebben van zijn strafbare handelen en gemotiveerd te zijn om zijn leven te beteren. Gelet op de proceshouding van verdachte, zijn LVB-problematiek en het reclasseringsadvies van 11 januari 2024 ziet de rechtbank aanleiding een groot deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm (met bijzondere voorwaarden) aan verdachte op te leggen, zodat hij adequate hulp kan krijgen en ervan wordt weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank, gezien de aard en ernst van de feiten, een forse taakstraf aan verdachte opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, passend en geboden.
9. BENADEELDE PARTIJEN
De natuurlijke personen:
Mevrouw [benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert (in de herstelvordering) een bedrag van € 9.500,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit:
- € 9.000,- aan materiële schade, te weten het (niet vergoede deel van het) weggenomen geldbedrag van de rekening bij de SNS Bank (€ 4.000,-) en de ING Bank (€ 5.000,-); en
- € 500,- aan immateriële schade,
ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
De heer [benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.630,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit:
- € 5.130,- aan materiële schade, te weten het (niet vergoede deel van het) weggenomen geldbedrag van de rekening bij de Rabobank (€ 4.930,-) en de vervangingskosten van de afgegeven mobiele telefoon (€ 200,-); en
- € 500 aan immateriële schade,
ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Mevrouw [benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
De heer [benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
De heer [benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.100,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit:
- € 3.600,- aan materiële schade, te weten het weggenomen geldbedrag van de creditcardrekening bij ICS Cards (€ 1.000,-) en het afgegeven contante geldbedrag
(€ 2.600,-); en
- € 500,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Mevrouw [benadeelde 12] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.080,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bestaande uit materiële schade, te weten het weggenomen geldbedrag van de creditcardrekening bij ICS Cards (€ 2.000,-) en opnamekosten (€ 80,-), ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
De heer [benadeelde 13] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 7.000,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bestaande uit materiële schade, te weten het (niet vergoede deel van het) weggenomen geldbedrag van de rekening bij de ABN AMRO Bank (€ 7.000,-), ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en 2 ten laste gelegde.
De heer [benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.590,09, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bestaande uit materiële schade, te weten het afgegeven contante geldbedrag (€ 1.445,-), de kosten van een nieuwe betaalpas van de Rabobank (€ 4,95), de kosten voor het overzetten van camerabeelden (€ 95,-) en de reiskosten naar de Rabobank (€ 45,14), ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Mevrouw [benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6.850,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit:
- € 6.350,- aan materiële schade, te weten het afgegeven contante geldbedrag (€ 6.350,-); en
- € 500,- aan immateriële schade,
ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Mevrouw [benadeelde 8] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.434,20 te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit:
- € 934,20 aan materiële schade, te weten het (niet vergoede deel van het) weggenomen geldbedrag van de rekening bij de ING Bank (€ 399,70), de kosten van een nieuwe betaalpas van de ING Bank (€ 4,50) en de vervangingskosten van de afgegeven mobiele telefoon (€ 50,-) en laptop (€480,-); en
- € 500,- immateriële schade,
ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
De banken:
ING Bank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van
€ 1.587,54 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 en ten laste gelegde. Dit bedrag bestaat uit compensatie van de weggenomen bedragen van aangevers [benadeelde 7] (€ 450,-) en [benadeelde 8] (€ 513,54) en onderzoekskosten
(€ 624,-).
ABN AMRO Bank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 38.500,- bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Dit bedrag bestaat uit compensatie van (een deel van) de weggenomen bedragen van aangevers [benadeelde 9] (€ 10.000,-), [benadeelde 11] (€ 10.000,-), [benadeelde 5] (€ 10.000,-), [benadeelde 12] (€ 2.050,-), [benadeelde 13] (€ 5.000,-) en [benadeelde 14] (€ 1.450,-) vergoed. ABN AMRO Bank vordert daarnaast € 720,- aan proceskosten, bestaande uit onderzoekskosten.
Rabobank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 18.217,98, bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Dit bedrag bestaat uit compensatie van (een deel van) de weggenomen bedragen van aangevers [benadeelde 10] (€ 14.787,98) en [benadeelde 6] (€ 3.250,-) en onderzoekskosten (€ 180,-).
De Volksbank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.310,-, bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Dit bedrag bestaat uit compensatie van (een deel van) de weggenomen bedragen van aangevers [benadeelde 1] (€ 1.500,-) en [benadeelde 2]
(€ 1.450,-), en onderzoekskosten (€360,-).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden toegewezen, nu sprake is van rechtstreekse schade en deze allen goed zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft gevorderd de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en (alleen) ten aanzien van de natuurlijke personen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoedingen:
Nu op basis van het dossier niet is vast te stellen dat verdachte degene is geweest die aan de deur van aangevers [benadeelde 2] , [benadeelde 5] en [benadeelde 7] is geweest en daar goederen heeft afgenomen, heeft de raadsman verzocht de volgende gevorderde materiële schadeposten af te wijzen: de vervangingskosten van de door aangever [benadeelde 2] afgegeven mobiele telefoon van € 200,-, het door aangever [benadeelde 5] afgegeven contante geldbedrag van € 2.600,- en het door aangever [benadeelde 7] afgegeven contante geldbedrag van € 6.350,-. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de gevorderde onderzoekskosten van de ING Bank toe te wijzen tot een bedrag van € 180,-, overeenkomstig de vordering van de Rabobank. Ook heeft de raadsman bepleit geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten aanzien van de benadeelde banken.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd op vergoeding van de overige gevorderde materiële schadeposten van de benadeelde partijen.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoedingen:
De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoedingen van aangevers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 5] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] aangevoerd dat deze moeten worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde.
De raadsman heeft subsidiair bepleit de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij geen slachtoffer is van de ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De natuurlijke personen:
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat voornoemde benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse materiële schade hebben geleden. De gevorderde materiële schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en allen voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de vorderingen toewijzen zoals opgenomen in het dictum (rubriek 12).
Immateriële schade
Een aantal benadeelde partijen, te weten [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 5] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] , hebben aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen hebben ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Zij hebben dan ook aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.
Vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend indien een benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van ‘aantasting op andere wijze’ kan sprake zijn indien de benadeelde psychische schade heeft opgelopen.
De rechtbank oordeelt dat de benadeelde partijen zoals zij gemotiveerd hebben gesteld, als gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in hun persoon zijn aangetast, als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de aard van de bewezenverklaarde feiten in samenhang met hetgeen de slachtoffers hebben verklaard over hoe zij het hebben beleefd en welke gevolgen zij daarvan hebben ondervonden. Het handelen van verdachte tezamen met zijn medeplegers ten tijde van het plegen van de feiten was buitengewoon geraffineerd en uitgekookt. Daarbij werd meteen tijdens een telefonisch contact een valse voorstelling van zaken gegeven. Er werd voortdurend ingepraat op de slachtoffers, er werden instructies gegeven en soms al terwijl dit telefonisch contact voortduurde meldde zich een medepleger als zogenoemde bankmedewerker bij de deur die de bankpas meenam, en die soms daarbij ook nog de woning betrad en geld wegnam. De slachtoffers hebben moeten ervaren dat grote geldbedragen werden gepind en afgeschreven. Uit het dossier volgt dat telkens sprake is van slachtoffers die bevattelijk waren voor de oplichting en ook op een zekere kwetsbaarheid zijn uitgezocht. Daar hebben de daders ernstig misbruik van gemaakt. Er is telkens sprake geweest van een zeer grote impact op de slachtoffers. Die als gevolg van de feiten hun vertrouwen in de medemens zijn kwijtgeraakt en in hun dagelijks handelen nu worden belemmerd door angst en gebrek aan vertrouwen.
Gelet op het voorgaande en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,- voor iedere benadeelde (die immateriële schadevergoeding heeft gevorderd).
Uit de aangifte van [benadeelde 2] volgt dat hij mede namens zijn echtgenote, [benadeelde 3] , aangifte heeft gedaan. Uit de aangifte blijkt dat ook van haar rekening geld is weggenomen. Om deze reden komt ook de immateriële schade van [benadeelde 3] voor vergoeding in aanmerking.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen voor bovengenoemde bedragen hoofdelijk toewijzen en vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop bij de betreffende aangever het geldbedrag van de rekening is afgeschreven, zoals hierna vermeld.
Ten aanzien van de benadeelde partij:
[benadeelde 1] met ingang van 15 juli 2023;
[benadeelde 2] met ingang van 19 juli 2023;
[benadeelde 3] met ingang van 19 juli 2023;
[benadeelde 4] met ingang van 31 mei 2023;
[benadeelde 5] met ingang van 26 augustus 2023;
[benadeelde 12] met ingang van 25 juli 2023;
[benadeelde 13] met ingang van 1 september 2023;
[benadeelde 6] met ingang van 22 juni 2023;
[benadeelde 7] met ingang van 24 juli 2023;
[benadeelde 8] met ingang van 12 juli 2023.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank bij de toe te wijzen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal hierbij tevens de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de datum zoals hierboven per benadeelde partij is weergegeven. Bij niet betaling kan per benadeelde partij een na te noemen aantal dagen gijzeling worden toegepast, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.
Proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment ten aanzien voor elke benadeelde partij begroot op nihil.
De banken:
Vaststaat dat ING Bank, ABN AMRO Bank, Rabobank en de Volksbank als gevolg van het bewezenverklaarde schade hebben geleden. Van de rekeningen van hun klanten (aangevers) zijn geldbedragen weggenomen. De banken hebben hun klanten (gedeeltelijk) schadeloos gesteld. Die schade is aan te merken als rechtstreekse materiële schade. Daarnaast hebben de banken onderzoekskosten gemaakt. De rechtbank overweegt dat het opgevoerde aantal onderzoekuren van de banken en de kosten die hieraan zijn verbonden redelijk overkomen, en daarom toewijsbaar zijn als materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen voor bovengenoemde bedragen hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke voor zover bekend telkens vanaf de datum waarop de betreffende bank de bedragen heeft uitgekeerd, zoals hierna vermeld. De rechtbank zal de wettelijke rente over de onderzoekskosten steeds toewijzen vanaf de datum van de aangifte van de betreffende bank.
ING Bank heeft op 24 oktober 2023 aangifte gedaan. De rechtbank kan op basis van de onderbouwing van de vordering van ING Bank niet vaststellen op welke datum ING Bank de bedragen aan aangevers [benadeelde 7] (€ 450,-) en [benadeelde 8] (€ 513,54) heeft uitgekeerd. De rechtbank stelt wel vast dat ING Bank op de datum van de aangifte de bedragen al had uitgekeerd. De rechtbank zal de wettelijke rente over de uitgekeerde bedragen daarom toewijzen met ingang van deze datum.
ABN Amro Bank heeft op 26 oktober 2023 aangifte gedaan. Uit de onderbouwing van de vordering van ABN Amro Bank leidt de rechtbank af dat ABN Amro Bank op de volgende data de volgende bedragen aan de verschillende aangevers heeft uitgekeerd:
€ 10.000,- aan [benadeelde 9] op 28 juni 2023;
€ 10.000,- aan [benadeelde 11] op 31 augustus 2023;
€ 10.000,- aan [benadeelde 5] op 26 september 2023;
€ 500,- aan [benadeelde 12] op 21 juni 2023;
€ 1.550,- aan [benadeelde 12] op 21 augustus 2023;
€ 5.000,- aan [benadeelde 13] op 17 oktober 2023; en
€ 1.450,- aan [benadeelde 14] op 10 juli 2023.
Rabobank heeft op 19 oktober 2023 aangifte gedaan. Uit de onderbouwing van de vordering van Rabobank leidt de rechtbank af dat Rabobank op de volgende data de volgende bedragen aan de verschillende aangevers heeft uitgekeerd:
€ 14.787,98 aan [benadeelde 10] op 15 augustus 2023; en
€ 3.250,00 aan [benadeelde 6] op 13 juli 2023.
De Volksbank heeft op 7 november 2023 aangifte gedaan. Uit de onderbouwing van de vordering van De Volksbank leidt de rechtbank af dat De Volksbank op de volgende data de volgende bedragen aan de verschillende aangevers heeft uitgekeerd:
€ 1.500,- aan [benadeelde 1] op 14 september 2023; en
€ 1.450,- aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] op 27 juli 2023.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de banken geen schadevergoedingsmaatregel opleggen. Deze maatregel is bedoeld om natuurlijke personen te ontlasten bij de inning van schadevergoeding. Een rechtspersoon mag in beginsel geacht worden zelf de wegen te kennen om een vordering te incasseren, in tegenstelling tot een natuurlijke persoon. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken.
Proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
ABN AMRO Bank heeft vergoeding van de gemaakte onderzoekskosten als proceskosten gevorderd. Dit zal worden afgewezen. De gemaakte onderzoekskosten zullen wel als materiële schade worden toegewezen.
11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 56, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
12. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 5 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- ` stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- geeft aan Inforsa de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;
Voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf;
Benadeelde partij [benadeelde 1]
Benadeelde partij [benadeelde 2]
Benadeelde partij [benadeelde 3]
Benadeelde partij [benadeelde 4]
Benadeelde partij [benadeelde 5]
Benadeelde partij [benadeelde 12]
Benadeelde partij [benadeelde 13]
Benadeelde partij [benadeelde 6]
Benadeelde partij [benadeelde 7]
Benadeelde partij [benadeelde 8]
Benadeelde partij ING Bank
Benadeelde partij ABN AMRO Bank
€ 10.000,- met ingang van 28 juni 2023
€ 10.000,- met ingang van 31 augustus 2023
€ 10.000,- met ingang van 26 september 2023
€ 500,- met ingang van 21 juni 2023
€ 1.550,- met ingang van 21 augustus 2023
€ 5.000,- met ingang van 17 oktober 2023
€ 1.450,- met ingang van 10 juli 2023
€ 720,- met ingang van 26 oktober 2023
tot de dag van volledige betaling;
Benadeelde partij Rabobank
€ 14.787,98 met ingang van 15 augustus 2023
€ 3.250,00 met ingang van 13 juli 2023
€ 180,- met ingang van 19 oktober 2023
tot de dag van volledige betaling;
Benadeelde partij Volksbank
€ 1.500,- aan [benadeelde 1] op 14 september 2023
€ 1.450,- aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] op 27 juli 2023
€ 360,- met ingang van 7 november 2023
tot de dag van volledige betaling;
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. van Woudenberg, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en O. Böhmer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 februari 2024.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2023 tot en met 1 september 2023 te Almere en/of Emmen en/of Breukelen en/of Alkmaar en/of Amersfoort en/of Amsterdam en/of Middelburg en/of Bunnik en/of Pijnacker en/of Twello, gemeente Voorst en/of Eefde, gemeente Lochem en/of Breda en/of Born, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,- [benadeelde 1] en/of- [benadeelde 2] en/of- [benadeelde 9] en/of- [benadeelde 10] en/of- [benadeelde 4] en/of- [benadeelde 11] en/of- [benadeelde 5] en/of- [benadeelde 12] en/of- [benadeelde 13] en/of- [benadeelde 6] en/of- [benadeelde 14] en/of- [benadeelde 7] en/of- [benadeelde 8] ,heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten- een of meerdere bankpas(sen)/pinpas(sen) en/of- een of meerdere (bijbehorende) pincode(s) en/of- een of meerdere telefoon(s) en/of- een of meerdere laptop(s) en/of tablet(s) en/of- een of meerdere rijbewijs/rijbewijzen en/of- een of meerdere identifier(s)/random reader(s) en/of- een of meerdere geldbedrag(en),door- die voornoemde perso(o)n(en) meermaals, althans eenmaal, via een SMS en/of WhatsAppbericht en/of telefonisch te benaderen en zich voor te doen als medewerker van een bank en/of (daarbij) te melden dat cybercriminelen en/of andere derden proberen geld van hun rekening(en) te halen en/of (daarom)- die voornoemde perso(o)n(en) te vragen hun rekeningnummer(s) op te noemen en/of hun pincode(s) in te toetsen en/of te melden een of meerdere bankpas(sen)/pinpas(sen) en/of bijbehorende pincode(s) en/of een of meerdere telefoon(s) en/of een of meerdere laptop(s) en/of tablet(s) en/of een of meerdere rijbewijs/rijbewijzen en/of een of meerdere identifier(s)/random reader(s) en/of een of meerdere geldbedrag(en) in een enveloppe en/of tas te doen en/of te overhandigen aan een koerier en/of persoon die bij die voornoemde perso(o)n(en) aan de deur zou komen en/of- aan die voornoemde perso(o)n(en) de code(s) van die bankpas(sen)/pinpas(sen) en/of laptop(s) en/of tablet(s) te vragen en/of- die voornoemde perso(o)n(en) hierbij een code te geven ter verificatie die een koerier en/of persoon die bij die voornoemde perso(o)n(en) aan de deur zou komen moest noemen en/of- bij die voornoemde perso(o)n(en) meermaals, althans eenmaal, aan de deur te komen, een code door te geven en/of een of meerdere enveloppe(s) en/of (een) tas(sen) (met hierin voornoemde goed(eren)) in ontvangst te nemen en/of mee te nemen;
(art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2023 tot en met 1 september 2023 te Almere en/of Emmen en/of Breukelen en/of Maarssen en/of Alkmaar en/of Hilversum en/of Amersfoort en/of Amsterdam en/of Middelburg en/of Bunnik en/of Zeist en/of Pijnacker en/of Terwolde en/of Gorssel, gemeente Lochem en/of Breda en/of Heemskerk en/of Nieuwstadt en/of Grevenbicht, althans in Nederland een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan- [benadeelde 1] en/of- [benadeelde 2] en/of- [benadeelde 9] en/of- [benadeelde 10] en/of- [benadeelde 4] en/of- [benadeelde 15] en/of- [benadeelde 11] en/of- [benadeelde 5] en/of- [benadeelde 12] en/of- [benadeelde 13] en/of- [benadeelde 6] en/of- [benadeelde 14] en/of- [benadeelde 7] en/of- [benadeelde 8] en/of- Coöperatieve Rabobank U.A. en/of - ING Bank N.V. en/of- de Volksbank N.V. en/of- American Express Europe SA en/of- International Card Services B.V.,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten (een) pinpas(sen) tot het gebruik waarvan hij niet gerechtigd was en (de bijbehorende) pincode(s) van die voornoemde perso(o)n(en), door meerdere malen, althans eenmaal een of meerdere geldbedrag(en) bij een of meerdere pinautoma(a)t(en) te pinnen en/of bij een of meerdere winkel(s) een of meerdere goed(eren) aan te schaffen;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)