ECLI:NL:RBMNE:2024:7807

ECLI:NL:RBMNE:2024:7807

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 30-04-2024
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 16/233555-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling (door aan de haren van het slachtoffer te trekken en het slachtoffer vervolgens in een kanaal te duwen/trappen), bedreiging (met gebruik van een mes) en dwang. Het bewezenverklaarde kan verminderd aan de verdachte worden toegerekend. Hoewel de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd de verdachte geen werkstraf op te leggen, vindt de rechtbank dit wel een passende straf. De rechtbank legt de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 weken (met bijzondere voorwaarden) en een werkstraf voor de duur van 40 uren, op.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/233555-23 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] , hierna: [verdachte] .

1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. C.C. Ravenhorst en van wat [verdachte] en haar raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Eersel, naar voren heeft gebracht.

2. TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

feit 1, primair, subsidiair en meer subsidiair: Op 11 september 2023 in Maarssen [slachtoffer] in het Amsterdam-Rijnkanaal heeft geduwd/getrapt, waar [slachtoffer] niet op eigen kracht uit kon komen. Dit is ten laste gelegd als poging tot doodslag, althans poging zware mishandeling, althans mishandeling;

feit 2: op 11 september 2023 in Maarssen samen met (een) ander(en) [slachtoffer] heeft bedreigd met een mes;

feit 3: op 11 september 2023 in Maarssen heeft geprobeerd [slachtoffer] met (bedreiging met) geweld of enige andere feitelijkheid te dwingen iets te doen;

feit 4: op 11 september 2023 in Maarssen samen met (een) ander(en) opzettelijk en wederrechtelijk de telefoon van [slachtoffer] heeft vernield en/of weggemaakt;

3. VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag [verdachte] vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4. WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, nu het opzet van [verdachte] niet was gericht op de dood van [slachtoffer] , dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij haar. Van een bewuste aanvaarding van de kans op de dood of de kans op zwaar lichamelijk letsel door [verdachte] was volgens de officier van justitie geen sprake.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] integraal moet worden

vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het handelen van [verdachte] de aanmerkelijke kans heeft opgeleverd op de dood van [slachtoffer] , dan wel op zwaar lichamelijk letsel bij haar. Zo waren er meerdere personen bij het incident aanwezig, waaronder [verdachte] , die bereid waren [slachtoffer] uit het water te helpen. Ook heeft [slachtoffer] aangegeven dat zij waarschijnlijk in staat zou zijn geweest zelf uit het water te komen en er bevonden zich in haar buurt ook trappen om uit het water te kunnen klimmen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat het opzet van [verdachte] gericht was op de dood van [slachtoffer] , dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij haar.

De raadsman heeft verder bepleit dat het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu de verklaringen in het dossier te veel uiteenlopen en de feitelijke toedracht (ten aanzien van deze feiten) niet kan worden vastgesteld. Daarnaast kan de (belastende) verklaring van getuige [medeverdachte1] niet worden gebruikt voor het bewijs. Deze getuige heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris op 9 januari 2024 een geheel andere verklaring afgelegd, ten opzichte van haar verklaring bij de politie van 13 september 2023. Haar verklaring is onbetrouwbaar.

Ten aanzien van het onder feit 2 aan [verdachte] ten laste gelegde heeft de raadsman subsidiair bepleit dat geen sprake is van opzet op het dreigen met de dood en/of zware mishandeling. Met de bewoordingen ‘Kom het water uit of ik steek je’ wilde [verdachte] er namelijk voor zorgen dat [slachtoffer] uit het water zou komen.

Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van het onder feit 3 aan [verdachte] ten laste gelegde aangevoerd dat meerdere getuigen de bedreiging richting de broer van [slachtoffer] niet hebben gehoord. De enkele vaststelling dat [verdachte] zou hebben gezegd dat zij wilde dat [slachtoffer] terug zou komen, is onvoldoende om van strafbare dwang te kunnen spreken.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair

De rechtbank is, met de verdediging en de officier van justitie, van oordeel dat de onder feit 1 primair ten laste gelegd poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, zodat [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat [verdachte] het volle opzet had op de dood van [slachtoffer] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .De rechtbank overweegt daarnaast dat op basis van het dossier geen bewijs voorhanden is dat het handelen van [verdachte] , te weten het duwen van [slachtoffer] in het Amsterdam-Rijnkanaal, in dit concrete geval, de aanmerkelijke kans met zich bracht dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden dan wel dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen.

Vrijspraak feit 4

De rechtbank is ook van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) vernieling dan wel het wegmaken van de telefoon van [slachtoffer] . Uit de stukken blijkt onvoldoende door wiens handelen de telefoon is vernield en/of is weggemaakt. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of [verdachte] het opzet had die telefoon te vernielen en/of weg te maken. Van een wezenlijke bijdrage als medepleger is de rechtbank ook niet gebleken. De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken het onder feit 4 ten laste gelegde.

Bewijsmiddelen

T.a.v. feit 1, meer subsidiair, feit 2 en feit 3:

[slachtoffer] (aangeefster) heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard:

Op 11 september 2023 was ik onder de brug gelegen aan de Oostkanaaldijk in Maarssen. Ik zag dat [verdachte] mij bij mijn haar pakte met haar hand. Ik voelde haar hand op mijn staart en ik voelde een draaiende beweging. Ik voelde mijn haar om haar hand heen wikkelen. Ik voelde een hevige pijn op mijn hoofd. Ik zag dat ze mij meetrok richting het water. Ik voelde dat [verdachte] weer aan mijn haar trok. Ik voelde een hand op mijn rug en één hand nog steeds aan mijn haar. Ik voelde dat er licht geduwd werd door [verdachte] waardoor ik in het Amsterdam-Rijnkanaal belande. Ik voelde dat het water ijskoud was.

Ik hoorde [verdachte] zeggen: 'Oh dus je wilt dood, kom er maar uit dan doe ik het wel voor je'. Ik hoorde dat [verdachte] aan [medeverdachte2] vroeg: 'Geef mij dat mes' of iets in dezelfde strekking. Ik zag dat [verdachte] naar de rand van de kade liep en een mes in haar hand had. Ik hoorde [verdachte] het volgende zeggen: 'kom het water uit of ik steek je'.

Ik hoorde [verdachte] zeggen: 'Je hebt een kwartier om terug te komen en schone kleding aan te doen en als je terug komt met je broer steek ik hem ook neer.'

Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard:

Ik was op 11 september 2023 aan het chillen met [getuige 2] . Op een gegeven moment kwamen wij [verdachte] tegen en zijn vervolgens richting de Maarsserbrug gefietst. Ik zag dat [verdachte] het haar van [slachtoffer] vastpakte en haar naar het kanaal toe trok. Vervolgens zag ik dat [verdachte] een trap gaf tegen de benen van [slachtoffer] en dat [slachtoffer] vervolgens in het water viel.

Ik hoorde [verdachte] aan iemand om een mes vragen. Ik heb vervolgens gezien dat [verdachte] een mes kreeg van een jongen en dat zij richting de rand van het water liep.

[slachtoffer] is uiteindelijk het water uitgekomen. [slachtoffer] werd gedwongen om iets achter te laten zodat ze nog moest terugkomen naar deze plek. Zij heeft uiteindelijk haar telefoon achtergelaten. [verdachte] is nog heel lang onder die brug blijven staan met de telefoon van [slachtoffer] .

Getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard:

Verbalisant:

Zoals je weet heeft er een incident plaatsgevonden onder de Maarsserbrug. Wat kun je hierover vertellen?

Getuige:

[verdachte] kwam langsfietsen. Wij zijn [verdachte] gaan volgen en naar de onderzijde van de brug gegaan. [verdachte] pakte [slachtoffer] aan haar haren. Toen trok [verdachte] [slachtoffer] aan haar haren mee naar de waterkant. [verdachte] trok [slachtoffer] aan haar haren zo het water in.

Toen vroeg [verdachte] aan [medeverdachte2] om zijn mes aan haar te geven. [verdachte] had daarop ineens een mes in haar handen. Zij dreigde [slachtoffer] hier toen mee.

V: Wat heb je [verdachte] zien doen en horen zeggen?A: Dat zij op haar hurken aan de waterkant zat en terwijl zij het mes in haar handen hield, zei toen tegen [slachtoffer] zei dat [slachtoffer] het water moest uitkomen, dat zij haar anders met het mes zou steken.

[medeverdachte2] en een andere jongen hielpen [slachtoffer] uit het water. Toen zei [verdachte] dat zij naar huis mocht, maar dat zij wel haar telefoon moest afgeven en dat zij moest terugkomen. [verdachte] pakte toen de telefoon van [slachtoffer] en zei tegen [slachtoffer] dat zij weg mocht, maar dat zij haar telefoon in haar bezit zou houden, zodat zij zou terugkomen.

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] over wat er is gebeurd steun vindt in de verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie hebben afgelegd. Zij kunnen als onafhankelijke getuigen worden aangemerkt en hadden blijkens hun eigen verklaringen goed zicht op wat er gebeurde. Zij hebben hun verklaringen kort na het incident afgelegd. De rechtbank hecht daarom belang aan die verklaringen. [getuige 1] en [getuige 2] verklaren in grote lijnen en op belangrijke punten hetzelfde als [slachtoffer] . Ook blijkt uit hun verklaringen duidelijk dat [slachtoffer] door het handelen van [verdachte] in het water terecht is gekomen.

Feit 2: partiële vrijspraak medeplegen

Aan [verdachte] is onder feit 2 ten laste gelegd dat zij [slachtoffer] samen met (een) ander(en) heeft bedreigd. De rechtbank overweegt dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte2] en/of anderen gericht op het bedreigen van [slachtoffer] , hetgeen voor medeplegen is vereist. [verdachte] zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :

feit 1, meer subsidiair:

op 11 september 2023 te Maarssen [slachtoffer] heeft mishandeld door

- de staart, althans de haren, van voornoemde [slachtoffer] om haar, verdachtes, hand heen te wikkelen en daarbij voornoemde [slachtoffer] richting het water mee te trekken,

- nogmaals aan de haren van voornoemde [slachtoffer] te trekken,

- met één hand op de rug en één hand aan de haren van voornoemde [slachtoffer] , voornoemde [slachtoffer] een duw tegen het lichaam en/of trap tegen het lichaam te geven,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] in het Amsterdam-Rijnkanaal is gevallen, waardoor die [slachtoffer] pijn heeft ondervonden en ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht;

feit 2:

op 11 september 2023 te Maarssen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

- " Oh dus je wilt dood, kom er maar uit dan doe ik het wel voor je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door

- tegen [medeverdachte2] te zeggen "Geef mij dat mes', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en vervolgens een mes van [medeverdachte2] te krijgen, en

- met dat mes in haar hand naar de rand van de kade te lopen, en zich op te houden met dat mes in haar hand op de kade, terwijl die [slachtoffer] in het water lag, en

- met dat mes in haar hand die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

- " Kom het water uit of ik steek je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3:

op 11 september 2023 te Maarssen ter uitvoering van haar voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , door enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten door de telefoon van voornoemde [slachtoffer] in te (laten) nemen en daarbij te zeggen "'Je hebt een kwartier om terug te komen en schone kleding aan te doen en als je terug komt met je broer steek ik hem ook neer.", om voornoemde [slachtoffer] te bewegen terug te komen;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de volgende strafbare feiten op:

feit 1, meer subsidiair: mishandeling;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: poging tot een ander door een feitelijkheid en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8. OPLEGGING VAN STRAF

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] ter zake van het bewezen geachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren en met de (bijzondere) voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 april 2024 en een contactverbod met [slachtoffer] . De officier van justitie heeft verzocht het toezicht en de (bijzondere) voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan [verdachte] een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, met aftrek van het voorarrest, op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . [verdachte] is jong en heeft een beperkte documentatie. [verdachte] heeft zich in het kader van haar schorsing uit voorlopige hechtenis goed aan de bijzondere voorwaarden gehouden en probeert haar leven te beteren. Zij heeft alle hulp die haar geboden is aangegrepen, zoals ook de behandeling bij De Waag. Deze positieve ontwikkeling zal volgens de raadsman worden doorkruist als [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd. Ook het opleggen van een werkstraf zal het ingezette hulptraject doorkruisen. Daarbij komt dat deze strafzaak van [verdachte] , door de manier waarop feit 1 aan haar ten laste is gelegd, ten onrechte bij de meervoudige strafkamer is aangebracht. Dit zal haar nog voor een langere tijd achtervolgen.

De raadsman vindt, gelet op het voorgaande, de oplegging van (on)voorwaardelijke jeugddetentie en/of onvoorwaardelijke werkstraf niet passend en heeft verzocht aan [verdachte] een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met de (bijzondere) voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 april 2024. De raadsman acht het niet noodzakelijk de (bijzondere) voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging en dwang. [verdachte] heeft [slachtoffer] na een woordenwisseling bij haar haren gepakt en meegetrokken naar de waterkant, waarna zij [slachtoffer] in het Amsterdam-Rijnkanaal heeft geduwd/getrapt. Het was op dat moment avond en het begon donker te worden. [slachtoffer] durfde vervolgens niet het water uit te komen, omdat [verdachte] zich met een mes in haar hand aan de rand van de kade ophield en [slachtoffer] hiermee bedreigde. Zo heeft [slachtoffer] enige tijd in het water gelegen en raakte zij vermoeid. Uiteindelijk is zij, met de hulp van anderen, het water uitgekomen. [verdachte] stond daarna toe dat [slachtoffer] droge kleren ging aantrekken, maar nam wel onder andere haar mobiele telefoon in, zodat [slachtoffer] gedwongen werd terug te komen. Dat [slachtoffer] een tijd in het water heeft gelegen met het gevoel geen kant op te kunnen, moet voor haar een zeer angstige en onvoorspelbare situatie zijn geweest. De rechtbank vindt dit een ernstige vorm van mishandeling. Dat heeft ook te maken met de gevaarzetting ervan. Wanneer [slachtoffer] in paniek was geraakt of een slechte keus had gemaakt, had het slechter af kunnen lopen in het water. Met haar handelen heeft [verdachte] inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [slachtoffer] . Bovendien veroorzaken dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, juist nu dit incident zich voor heeft gedaan langs de openbare weg, waar een groep andere jongeren bij was.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

28 december 2023 op naam van de [verdachte] , waaruit blijkt dat zij in de afgelopen 5 jaar

(op 29 augustus 2022) onherroepelijk is veroordeeld voor openlijke geweldpleging, waardoor er sprake is van recidive.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia Rapportage van 12 december 2023, opgesteld door drs. R.M.C. Hoogstraten, GZ-psycholoog. Uit de rapportage blijkt dat bij [verdachte] sprake is van een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis uit eerder trauma (huiselijk geweld tussen haar ouders), een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en een periodieke explosieve stoornis. Deze stoornissen waren volgens de deskundige aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en beïnvloedden het gedrag van [verdachte] . Zo raakt [verdachte] door haar problematiek snel geagiteerd, getriggerd en boos. Door de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis is bij [verdachte] sprake van een voortdurende prikkelbaarheid, waarbij zij zonder enige rem op haar gedrag en zonder zicht op de gevolgen, boos reageert. Ten tijde van het ten laste gelegde lijkt [verdachte] steeds bozer te zijn geworden en verloor zij op een gegeven moment grip en controle over haar gedrag en handelen, waardoor zij buiten proportie reageerde. Als bewezen wordt verklaard dat [verdachte] [slachtoffer] in het water heeft geduwd, is dit dan ook (mede) het gevolg van de periodiek explosieve stoornis. Daarbij komt dat de andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis voortdurend onderliggend aanwezig is, waardoor [verdachte] zich te allen tijde extreem zal verdedigen tegen onrecht, beschuldigingen en agressie. Zij heeft hierdoor geen grip op haar gedrag en overziet de gevolgen van haar handelen niet. Gelet op de problematiek van [verdachte] wordt het recidiverisico op gewelddadig gedrag dan ook als hoog ingeschat. De deskundige heeft geadviseerd [verdachte] de feiten, indien deze bewezen worden verklaard, in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt het advies van de deskundige op de daartoe in haar rapportage genoemde gronden over. De rechtbank concludeert dat het bewezenverklaarde verminderd aan [verdachte] kan worden toegerekend en heeft daarmee bij de strafoplegging rekening gehouden.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 april 2024, opgesteld door mevrouw [A] , raadsonderzoeker. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert [verdachte] een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden een jeugdreclasseringsmaatregel, ambulante behandeling bij de Waag en het inzetten voor het verkrijgen en behouden van een positieve dagbesteding en vrijetijdsinvulling. Zij acht het noodzakelijk dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Verder is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat het uitvoeren van een werkstraf, gelet op de draagkracht en persoonlijke problematiek van [verdachte] , niet wenselijk is. Zo bestaan er zorgen over eventuele overbelasting, zeker wanneer de behandeling van [verdachte] ook traumatherapie (EMDR) zal omvatten. Ook benadrukt de Raad dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend is, nu dit de schoolgang en behandeling van [verdachte] zal doorkruisen.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de feiten, er met geen andere straf kan worden volstaan dan met het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie. Hoewel de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd [verdachte] geen werkstraf op te leggen, vindt de rechtbank dit wel een passende straf om [verdachte] de gevolgen van haar gedrag te laten voelen. Bij de op te leggen duur van de werkstraf zal de rechtbank wel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Het moet mogelijk zijn om de werkstraf te plannen op een manier die samen gaat met de zware EMDR-therapie.De rechtbank zal [verdachte] , naast een werkstraf, ook een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, om haar ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (gewelddadige) strafbare feiten te plegen en om reclasseringsbegeleiding en behandeling mogelijk te maken.

Alles afwegende acht de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld de (bijzondere) voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 april 2024, én een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

De rechtbank legt daarmee een hogere straf op dan is geëist door de officier van justitie, omdat de officier van justitie bij haar strafeis is uitgegaan van 4 te bewijzen feiten, terwijl de rechtbank drie feiten bewezen acht. De vernieling van de telefoon is naar het oordeel van de rechtbank echter van dusdanig gering belang, gelet op het grotere plaatje van wat er is gebeurd, dat vrijspraak daarvan geen lagere straf rechtvaardigt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan [verdachte] een contactverbod met [slachtoffer] op te leggen. Ter terechtzitting is gebleken dat [verdachte] en [slachtoffer] duidelijke afspraken hebben gemaakt met elkaar over hoe zij met elkaar omgaan en het is de rechtbank niet gebleken dat dit niet goed zou lopen.

Gelet op de persoon van verdachte en omdat [verdachte] nog niet voor alle onderliggende problematiek is behandeld, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die [verdachte] worden opgelegd en het toezicht door de jeugdreclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis, gelet op de straf die zij aan [verdachte] zal opleggen, opheffen.

9. BESLAG

Onder de heer [medeverdachte2] is een mes (G3219896) in beslag genomen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het inbeslaggenomen mes verbeurd te verklaren, nu het onder feit 2 ten laste gelegde met behulp van dit voorwerp is begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten een mes (G3219896), verbeurd verklaren. Met behulp van dit voorwerp is het onder feit 2 bewezenverklaarde feit begaan en [verdachte] heeft het mes (ten tijde van het incident) van beslagene (de heer [medeverdachte2] ) zelf verkregen.

10. BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.551,99. Dit bedrag bestaat uit € 551,99 materiële schade en € 1.000 immateriële schade, ten gevolge van het aan [verdachte] ten laste gelegde.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen. De materiële schadeposten, te weten de aanschafkosten van een nieuwe identiteitskaart, simkaart (hoofdelijk) en telefoon komen, gelet op het rechtstreekse verband met het onder feit 3 en feit 4 aan [verdachte] ten laste gelegde en de onderbouwing van de benadeelde, voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor een nieuwe iPhone 11 heeft de officier van justitie verzocht een bedrag van € 164,77 in mindering te brengen op het totaal gevorderde bedrag van € 499,-, nu medeverdachte

[medeverdachte1] middels een Halt-afdoening dit deel al moet vergoeden.

De officier van justitie heeft de rechtbank daarnaast verzocht het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding vast te stellen op € 600,-.

De officier van justitie heeft tot slot gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering.

De raadsman heeft, ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor een nieuwe iPhone 11, subsidiair bepleit dat rekening gehouden moet worden met de afschrijving, nu de oude telefoon van benadeelde drie jaar oud was. De raadsman heeft verzocht een bedrag van 166,33 (1/3 van de kosten voor een nieuwe iPhone 11) hoofdelijk toe te wijzen. Voor wat betreft de overige materiële schadeposten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Daarnaast heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat het toe te wijzen immateriële schadebedrag moet worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 500,-.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van [verdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezen verklaarde feiten en de gevorderde schade. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade voor zover die ziet op de aanschafkosten van een nieuwe identiteitskaart (€ 37,99) en simkaart (€ 15,00) voldoende onderbouwd en dus toewijsbaar. De gevorderde materiele schadevergoeding voor de IPhone 11 zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 166,33.

De rechtbank spreekt [verdachte] weliswaar vrij voor de vernieling van de telefoon (feit 4), maar naar het oordeel van de rechtbank is de schade ook het rechtstreekse gevolg van de bewezenverklaarde dwang, welke er mede uit bestond dat [slachtoffer] haar telefoon moest achter laten. Het aankoopbedrag van een nieuwe iPhone 11 (64 GB) betreft € 499,-. Nu de telefoon volgens benadeelde drie jaar oud was, houdt de rechtbank rekening met een afschrijving van € 332,67 (66,6 procent). Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft ook aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde psychische schade heeft opgelopen.

De rechtbank oordeelt dat de benadeelde partij, zoals gemotiveerd is gesteld en niet is betwist, als gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in haar persoon is aangetast. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zó voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Zo is [verdachte] ontzettend boos geworden op [slachtoffer] , waarna zij [slachtoffer] in het water heeft geduwd/getrapt, terwijl het avond was en al donker werd. Vervolgens heeft [verdachte] , toen [slachtoffer] nog in het water lag, haar bedreigd met een mes. Dit is een zeer beangstigende situatie geweest voor benadeelde en het heeft een grote impact op haar gehad. Zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij dat de praktijkondersteuner (POH GGZ) van benadeelde het wenselijk acht dat zij traumaverwerkingstherapie zal ondergaan.

Gelet op het voorgaande en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van

€ 500,-. De rechtbank sluit niet uit dat de problemen van [slachtoffer] als gevolg van de mishandeling hardnekkig zijn en de schade groter is dan tot dusver is gebleken. Om dat vast te kunnen stellen zou nader bewijs van deskundigen nodig zijn. Dat zou een onevenredige belasting voor dit strafgeding opleveren. Voor de overig gevorderde immateriële schade zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk worden verklaard.

Het toe te wijzen bedrag en de wettelijke rente

De rechtbank zal de vordering aldus voor een totaalbedrag van € 719,32 toewijzen, bestaande uit € 219,32 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2023 tot de dag van volledige betaling. Het materiële schadebedrag wordt hoofdelijk toegewezen.

[verdachte] zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij

aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 719,32, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 september 2023 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de

benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 284, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart [verdachte] strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 4 weken;

- bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat [verdachte] :

- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :

- geeft de jeugdreclassering Samen Veilig Midden Nederland de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren;

- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 20 dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

Beslag

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

 een mes (G3219896);

Benadeelde partij [slachtoffer]

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mrs. G. Schnitzler en N. van Esch, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2024.

De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de (gewijzigde) tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:

1

zij, op of omstreeks 11 september 2023 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] (met één hand op de rug en één hand aan de haren van voornoemde [slachtoffer] ) een duw op/tegen de rug, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of een trap tegen de benen, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gegeven, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] in het Amsterdam-Rijnkanaal is gevallen (waarbij voornoemde [slachtoffer] niet zelfstandig het Amsterdam-Rijnkanaal uit kon komen, onder andere gelet op dat de kade hiervoor te hoog is), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 11 september 2023 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] (met één hand op de rug en één hand aan de haren van voornoemde [slachtoffer] ) een duw op/tegen de rug, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of een trap tegen de benen, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gegeven, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] in het Amsterdam-Rijnkanaal is gevallen (waarbij voornoemde [slachtoffer] niet zelfstandig het Amsterdam-Rijnkanaal uit kon komen, onder andere gelet op dat de kade hiervoor te hoog is), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 11 september 2023 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- de staart, althans de haren, van voornoemde [slachtoffer] om haar, verdachtes, hand heen te wikkelen en daarbij voornoemde [slachtoffer] richting het water mee te trekken,

- ( nogmaals) aan de haren van voornoemde [slachtoffer] te trekken,

- ( met één hand op de rug en één hand aan de haren van voornoemde [slachtoffer] ) voornoemde [slachtoffer] een duw op/tegen de rug, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of een trap tegen de benen, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te geven, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] in het Amsterdam-Rijnkanaal is gevallen (waarbij voornoemde [slachtoffer] niet zelfstandig het Amsterdam-Rijnkanaal uit kon komen, onder andere gelet op dat de kade hiervoor te hoog is), waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden en/of ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

zij, op of omstreeks 11 september 2023 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

- " Oh dus je wilt dood, kom er maar uit dan doe ik het wel voor je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door (daarbij)

- tegen medeverdachte [medeverdachte2] te zeggen "Geef mij dat mes', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of vervolgens een mes van medeverdachte [medeverdachte2] te krijgen, en/of

- met dat mes in haar hand(en) naar die [slachtoffer] te lopen, althans naar de rand van de kade te lopen, en/of zich op te houden met dat mes in haar hand(en) op de kade, terwijl die [slachtoffer] in het water lag, en/of

- met dat mes in haar hand(en) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

- " Kom het water uit of ik steek je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3

zij, op of omstreeks 11 september 2023 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, ter uitvoering van haar voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten door de telefoon, legitimatie en bankpas van voornoemde [slachtoffer] in te (laten) nemen en daarbij te zeggen "'Je hebt een kwartier om terug te komen en schone kleding aan te doen en als je terug komt met je broer steek ik hem ook neer.", om voornoemde [slachtoffer] te bewegen terug te komen voor een verdere confrontatie;

(art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4

zij, op of omstreeks 11 september 2023 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?