RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/097262-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 december 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan het [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: [verdachte] .
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2024. De zitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden, omdat [verdachte]
minderjarig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.H.J. Verheijden en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Verder waren aanwezig en zijn gehoord: [A] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [B] van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE).
2. TENLASTELEGGING
De officier van justitie verdenkt [verdachte] ervan dat hij betrokken is geweest bij twee strafbare
feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging, die op de zitting is gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage opgenomen in dit vonnis.
Kort gezegd, verdenkt de officier van justitie [verdachte] ervan dat hij:
feit 1
op 8 maart 2024 te Antwerpen (België), samen met anderen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten [adres 2] .
feit 2
op 8 maart 2024 in Antwerpen (België), samen met anderen, door middel van inklimming toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten [adres 2] ;
3. VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of [verdachte] de ten laste gelegde
feiten heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is
voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te
beoordelen, de officier van justitie mag [verdachte] vervolgen en er zijn geen redenen om de
vervolging uit te stellen.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd en aangegeven zich aan te sluiten bij de beslissing van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
[verdachte] heeft bij de politie toegegeven dat hij deze feiten heeft gepleegd. Ter zitting heeft [verdachte]
deze verklaring bevestigd. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De
rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsmiddelen staat, maar alleen
opsommen welke bewijsmiddelen zij voor de bewezenverklaring gebruikt.
De gebruikte bewijsmiddelen zijn:
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 26 november 2024;
- een geschrift, inhoudende een door de Belgische politie opgemaakt proces-verbaal van 8 maart 2024 over het aantreffen van [verdachte] en zijn mededaders op [adres 2] in [plaats] .
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :
feit 1
op 8 maart 2024 in Antwerpen, België tezamen en in vereniging met anderen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [terrein] , [adres 2] , [locatie] in de haven van [plaats] ;
feit 2
op 8 maart 2024 in Antwerpen, België tezamen en in vereniging met anderen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [terrein] , [adres 2] , [locatie] in de haven van [plaats] , door middel van inklimming;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die
gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is
zijn gedrag niet in strijd met het recht. Niet is gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond
voor de door [verdachte] gepleegde feiten bestond. De door [verdachte] gepleegde feiten zijn dus
strafbaar.
De wet noemt de door [verdachte] gepleegde feiten:
feit 1 en feit 2:
de voortgezette handeling van
zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer personen
en
het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer personen.
7. STRAFBAARHEID VAN [verdachte]
Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een
schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond
is zijn gedrag niet verwijtbaar. Niet is gebleken dat [verdachte] een beroep kan doen op zo’n
schulduitsluitingsgrond. [verdachte] is dus strafbaar.
8. OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] te veroordelen tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst
van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder [verdachte] die feiten heeft gepleegd en de
persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen
die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij de straf heeft bepaald.
Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan
[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het inklimmen van en het verblijven op een besloten plaats in de Antwerpse haven. [verdachte] werd door zijn vriend meegevraagd om een klus uit te voeren waarbij makkelijk geld kon worden verdiend. [verdachte] is in de nacht samen met zijn vriend en een andere jongen bij een voor hem onbekende man in een auto gestapt. Deze man heeft hen in Antwerpen in de buurt van het haventerrein afgezet. Zij kregen een ladder, een rugzak en zaklampen en moesten op het haventerrein op zoek naar een container met drugs. Aan [verdachte] is beloofd dat hij € 8.000 zou krijgen voor het uithalen van de drugs.
Dit soort strafbare feiten veroorzaken veel hinder en schade bij havenbedrijven. Zo komen hun werkzaamheden vaak stil te liggen als indringers zijn gesignaleerd en moeten de douane en havenbedrijven veel investeringen doen om het terrein te controleren en te beveiligen. Daarnaast was [verdachte] op het haventerrein met het doel om drugs uit containers te halen. Dit uithalen vormt een onmisbare schakel in de handel van drugs, die een ontwrichtende invloed heeft op de samenleving. De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij bereid is geweest hieraan een bijdrage te leveren.
De persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
Strafblad
Uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 17 oktober 2024 blijkt dat [verdachte] niet eerder bij de strafrechter is geweest voor soortgelijke feiten.
Het advies van de Raad
De Raad heeft een rapportage over [verdachte] opgesteld op 19 september 2024. De Raad schat het risico op herhaling van delictgedrag in op heel laag. Echter, omdat de risico’s en gevaren van betrokkenheid bij zware drugscriminaliteit zeer groot zijn, acht de Raad het van belang om de beschermende factoren te verstevigen en een aantal risicofactoren te verkleinen. De Raad adviseert daarom om aan [verdachte] een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met (in het kort) de volgende bijzondere voorwaarden: (1) maatregel van Toezicht en Begeleiding, (2) volgens het schoolrooster naar school en stage gaan en (3) het zich inzetten voor het vinden en behouden van een dagbesteding.
Het advies van SAVE
De jeugdreclasseerder van SAVE heeft op 18 november 2024 een rapportage over [verdachte] opgesteld, waarbij zij zich heeft aangesloten bij het advies van de Raad. Volgens de jeugdreclasseerder stelt [verdachte] zich in de gesprekken begeleidbaar op, is hij vriendelijk in contact en lijkt hij open te zijn over het strafbare feit. Ook is [verdachte] sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis niet meer in aanraking gekomen met de politie en is het [verdachte] gelukt om een stageplek te vinden. Daarentegen zijn nog niet alle gestelde doelen behaald en is nog niet aan alle gestelde doelen gewerkt. Zo heeft school aangegeven dat [verdachte] de afgelopen maanden minder aanwezig was op school en is het nog niet gelukt om een bijbaan voor [verdachte] te vinden.
De straf
De rechtbank heeft bij de strafoplegging, naast de hierboven beschreven adviezen, ook rekening gehouden met de omstandigheid dat [verdachte] van 9 maart 2024 tot en met 20 maart 2024 in België in een gemeenschapsinstelling heeft verbleven. Deze dagen komen niet in aanmerking voor de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, maar heeft de rechtbank wel in strafmatigende zin meegewogen.
Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van de door de officier van justitie gevorderde taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren passend en geboden. Daarop vindt aftrek plaats van de tijd die [verdachte] in Nederland in voorarrest heeft doorgebracht. De helft van de werkstraf te weten 30 uren legt de rechtbank voorwaardelijk op. Het voorwaardelijk strafdeel dient ertoe [verdachte] ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Omdat [verdachte] gebaat is bij toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, zal de rechtbank aan dit voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals hiervoor weergegeven en geadviseerd door de Raad en SAVE.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
9. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 47, 56, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 138aa van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10. BESLISSING
Oplegging straf
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart [verdachte] strafbaar;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren;
- beveelt dat als [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in Nederland in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht op basis van 2 uur vermindering voor iedere dag dat [verdachte] in voorarrest heeft gezeten;
- bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte van 30 uren niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- beveelt dat als [verdachte] het voorwaardelijk deel van de werkstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 15 dagen;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, zal melden bij Samen
Veilig Midden-Nederland (adres: Tiberdreef 8, 3561 GG Utrecht) en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven;
* conform zijn rooster onderwijs volgt en stage loopt;
* meewerkt aan het realiseren en behouden van een positief gestructureerde
dagbesteding waar werk en sport deel vanuit kunnen maken;
Voorlopige hechtenis
- heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. I. Jadib en mr. T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 december 2024.
mr. Jadib en mr. Sanders zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:
feit 1
Hij op of omstreeks 8 maart 2024 te Antwerpen, België, althans in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [terrein] , [adres 2] , [locatie] in de haven van [plaats] ;
feit 2
Hij op of omstreeks 8 maart 2024 te Antwerpen, België, althans in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [terrein] , [adres 2] , [locatie] in de haven van [plaats] , door middel van inklimming.