RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
parketnummer : 16/097262-24
raadkamernummer : 24-025603
datum : 10 december 2024
beslissing van de meervoudige strafkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager, tevens beslagene] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Syrië),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E.D.B. Groeneweg advocaat te [plaats] , ( [adres] , [postcode] [plaats] ),
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
Feiten
Klager is op 8 maart 2024 in de Antwerpse haven aangehouden door de Belgische politie. Daarbij is zijn telefoon, een iPhone 14, in beslag genomen.
Op 20 maart 2024 heeft de rechter-commissaris van de Rechtbank Midden-Nederland een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd voor klager, waarna klager op diezelfde dag door de Belgische autoriteiten aan Nederland is overgeleverd. In het EAB is door de rechter-commissaris niet bepaald dat dat bevel ook betrekking heeft op de inbeslagneming en de overdracht van voorwerpen die als bewijsmiddel moeten dienen of op voorwerpen die de gezochte persoon uit het strafbare feit heeft verkregen.
Procedure
Het klaagschrift is op 11 oktober 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 26 november 2024 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klager, de advocaat, mr. E.D.B. Groeneweg en de officier van justitie op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen telefoon. Door de klager is aangevoerd dat hij zijn telefoon terug wil omdat daarop foto’s, wachtwoorden en andere informatie staat die hij nodig heeft. Ter zitting heeft zijn advocaat toegelicht dat overlevering van de persoon ook overdracht van de inbeslaggenomen goederen zou moeten betekenen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het beslag ten behoeve van waarheidsvinding reeds door de officier van justitie is opgeheven en besloten is tot teruggave van de telefoon. Ter zitting heeft de officier van justitie verder toegelicht dat de telefoon zich bovendien nog onder de Belgische autoriteiten bevindt en door hen niet is overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. De officier van justitie heeft de Belgische onderzoeksrechter wel verzocht de telefoon aan klager terug te geven.
Beoordeling
De officier van justitie heeft toegelicht niet over de telefoon te kunnen beschikken omdat die nog onder de Belgische autoriteiten is. Uit het uitgevaardige EAB volgt ook dat de rechter-commissaris niet, op grond van artikel 55 Overleveringswet, heeft bevolen dat onder de klager bij zijn aanhouding in beslag genomen goederen moeten worden overgedragen. Hieruit volgt dus ook dat overlevering van een persoon niet per definitie overdracht van de onder hem in beslag genomen voorwerpen met zich brengt, zoals namens klager is betoogd.
Bij die stand van zaken hebben de Nederlandse strafvorderlijke autoriteiten geen zeggenschap over die telefoon, zodat de rechtbank ook de teruggave daarvan niet kan bevelen. Daarnaast geldt dat, voor zover de Nederlandse strafvorderlijke autoriteiten die zeggenschap wel zouden hebben, al een last tot teruggave is afgegeven. Om deze redenen is klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Beslissing
De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is gegeven door
mr. G. Schnitzler, voorzitter,
mr. I. Jadib en mr. T.M. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.
mr. Jadib en mr. Sanders zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.