ECLI:NL:RBMNE:2024:7812

ECLI:NL:RBMNE:2024:7812

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 28-06-2024
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 11047442
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 11047442 UE VERZ 24-92 LvdH/1470

Beschikking van 28 juni 2024

inzake

de stichting

[verzoekster] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.H. Andreae,

tegen:

[verweerder] ,

wonend in [woonplaats] (Ut),

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. S. Bakker (Stichting Achmea Rechtsbijstand).

1. De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- een verzoekschrift met producties 1 tot en met 14;

- een verweerschrift met producties 1 tot en met 6;

- een aanvullende productie 15 van de zijde van [verzoekster] ;

- een aanvullende productie van de zijde [verweerder] .

Op 24 mei 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is namens [verzoekster] verschenen [A] (bestuurssecretaris bij [verzoekster] ), bijgestaan door de gemachtigde. Ook [verweerder] was aanwezig met de gemachtigde.

Beide partijen hebben hun standpunten kunnen toelichten, waarbij namens [verzoekster] gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen. Beide partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak bepaald op vandaag.

2. Waar gaat de zaak over?

[verweerder] is sinds 1 januari 2000 (vanaf 1 januari 1999 via detachering) werkzaam bij [verzoekster] , laatstelijk in de functie van [functie] bij het Team Klant en Wonen. In die rol is [verweerder] verantwoordelijk voor de coördinatie van bouwkundige projecten, zodanig dat deze conform het vastgestelde beleid en binnen de gestelde tijd, budgetten en kwaliteitseisen worden gerealiseerd.

Binnen [verzoekster] (voorheen Patrimonium) geldt de Integriteitscode 2010, met een herziene versie van 2015 en 2023. De medewerkers van [verzoekster] hebben getekend voor deze Integriteitscodes, ook [verweerder] . [verweerder] is bekend met de inhoud van deze codes. In de kern komt de inhoud van de code uit 2015 erop neer dat medewerkers van [verzoekster] te allen tijde voorkomen dat sprake kan zijn van belangenverstrengeling. Om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen treden medewerkers van [verzoekster] in principe niet op als opdrachtgever voor leveranciers/aannemers met wie [verzoekster] zakelijke contacten onderhoudt. Waar dit niet te vermijden is geldt dat de betreffende medewerker zelf verantwoordelijk voor de beoordeling van de prijs, betaling volgens de wettelijke regels (incl btw) en voor het aanvragen van ten minste onderliggende offertes van twee verschillende bedrijven. Voorts dient de medewerker vooraf zijn leidinggevende te informeren dat hij een opdracht wil geven aan een leverancier/aannemer van [verzoekster] . In de integriteitscode van 2023 is te lezen dat een medewerker moet voorkomen dat persoonlijke belangen in botsing komen met die van [verzoekster] en dat hierbij iedere schijn van vermenging voorkomen moet worden.

Naar aanleiding van signalen dat sprake zou zijn van integriteitsschendingen van medewerkers van [verzoekster] heeft [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) in opdracht van [verzoekster] een bedrijfsonderzoek verricht. Op grond van de voorlopige bevindingen van dit onderzoek heeft [verzoekster] [verweerder] op 6 februari 2024 met onmiddellijke ingang geschorst.

Op 13 februari 2024 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.

Op 15 februari 2024 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de opgelegde schorsing.

Uit het onderzoeksrapport van [bedrijf] volgt dat [verweerder] voor de verbouwingen aan twee van zijn woningen en aan de woning van zijn dochter zzp’ers heeft ingeschakeld die (in)direct voor [verzoekster] werkzaam zijn (geweest).

Op 8 maart 2024 heeft [bedrijf] haar definitieve rapport opgemaakt. [verzoekster] heeft geprobeerd de bevindingen uit het rapport te bespreken met [verweerder] , maar tot een gesprek is het niet gekomen. Daarom heeft [verzoekster] [verweerder] bij brief van 20 maart 2024 schriftelijk geïnformeerd over de bevindingen van het onderzoek door [bedrijf] en hierbij is aan [verweerder] aangekondigd dat een procedure bij de kantonrechter zal worden gestart om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen.

[verzoekster] verzoekt in deze procedure een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen, zonder toekenning van een transitievergoeding aan [verweerder] .

[verweerder] voert verweer. [verweerder] erkent dat hij verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens [verweerder] is er echter geen sprake van ernstige verwijtbaarheid. [verweerder] verzoekt bij de ontbinding rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn en aan hem de wettelijke transitievergoeding toe te kennen. [verweerder] voert verder aan dat hij geen kwade bedoelingen had en dat hij [verzoekster] door zijn handelen niet financieel heeft benadeeld.

3. De beoordeling

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. [verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW jo. artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder e BW. Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

Opzegverbod

Volgens het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Dat is niet het geval. Weliswaar is [verweerder] nog altijd arbeidsongeschikt, maar deze arbeidsongeschiktheid houdt geen verband met het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Redelijke grond

Vast staat dat door [verweerder] in strijd met de integriteitscode heeft gehandeld. [bedrijf] heeft gesprekken gevoerd met [verweerder] en zijn laptop onderzocht. Tijdens dit onderzoek werd duidelijk dat [verweerder] in ieder geval in 2022 en 2023 meerdere zakelijke contacten van [verzoekster] opdracht heeft gegeven om werkzaamheden aan privébezit of de woning van zijn dochter uit te voeren. [verweerder] erkent dat hij in de loop der jaren voor het verrichten van werkzaamheden aan zijn privébezit weleens werklieden ingeschakelde, die hij kende vanuit zijn (net)werk en ook dat hij aldus in strijd handelde met de integriteitscode. [verweerder] is echter van mening dat deze schending niet zo ernstig is, omdat deze gang van zaken binnen [verzoekster] - aldus [verweerder] - niet ongebruikelijk was en hij [verzoekster] niet heeft benadeeld.

Dat [verweerder] zich terdege bewust was van de strenge integriteitseisen die [verzoekster] stelt, blijkt uit zijn opmerking tijdens zijn gesprekken met [bedrijf] : ‘We mogen hier bij de bouwwinkel eigenlijk al niets kopen’. Desgevraagd verklaarde [verzoekster] ter zitting dat de integriteitstscode regelmatig besproken werd tijdens teamsessies, waarbij ook geoefend werd met morele dilemma’s. [verweerder] heeft dit bevestigd. Ondanks dat de integriteitscode aldus bij [verweerder] vergaand ingescherpt was, koos hij ervoor om – zonder voorafgaand overleg met zijn leidinggevende – in ieder geval in 2022 en 2023 meerdere malen opdracht te geven aan werklieden, die ook een zakelijke relatie hebben met [verzoekster] . De stelling dat deze gang van zaken niet ongebruikelijk was bij [verzoekster] heeft [verweerder] niet feitelijk onderbouwd. Ook de stelling van [verweerder] dat hij [verzoekster] niet heeft benadeeld leidt niet tot een ander oordeel. De crux is dat [verweerder] de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt en dat moet te allen tijde voorkomen worden. Met [verzoekster] is de kantonrechter dan ook van oordeel dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Er is sprake van een redelijke grond voor opzegging en daarmee voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Herplaatsing

Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn ligt niet in de rede. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.

Ernstig verwijtbaar handelen

Volgens [verzoekster] moet het handelen van [verweerder] als “ernstig verwijtbaar” in de zin van artikel 7:671b lid 8, sub b BW kan worden aangemerkt en heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht tegen de eerst mogelijke datum. De kantonrechter volgt [verzoekster] hierin. [verweerder] heeft niet gehandeld in lijn met de integriteitseisen die aan hem werden gesteld. Dit handelen/nalaten van [verweerder] is zodanig laakbaar dat dit kan worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen. Dat [verweerder] [verzoekster] geen financiële schade heeft berokkend maakt de ernst van zijn handelen/nalaten niet minder.

Datum ontbinding

Uit het voorgaande volgt dat een beëindiging op een kortere termijn dan die in artikel 7:671b lid 8, sub a, BW bedoeld gerechtvaardigd is. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 juli 2024.

Transitievergoeding

Omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] is op grond van artikel 7:673 lid 7, sub c, BW geen transitievergoeding verschuldigd.

Proceskosten

Nu [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten, in totaal € 949,00.

4. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2024;

bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding, nu er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] ;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verweerder] ook de kosten van betekening betalen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2024.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Y.M. Vanwersch

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?