ECLI:NL:RBMNE:2024:7814

ECLI:NL:RBMNE:2024:7814

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 05-11-2024
Datum publicatie 03-03-2026
Zaaknummer 16/226275-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de diefstal van goederen uit een vrachtwagen, omdat het dossier geen concrete aanknopingspunten bevat voor de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal. De periode tussen het moment waarop de inbraak op zijn vroegst heeft plaatsgevonden en het moment waarop verdachte foto’s van de gestolen goederen heeft gemaakt, is niet dermate kort dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte als dader betrokken is geweest bij deze inbraak. De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de goederen. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal, diefstal met een valse sleutel, online handelsfraude en verduistering in persoonlijke dienstbetrekking. De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/226275-24 & 05/221363-23 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] (Duitsland),

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

Aart de [adres] , [postcode] te [plaats 1] , thans verblijvende in de P.I. [plaats 2] ,

hierna: verdachte.

1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.L. Rinsma en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. van Oort, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2. TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, in het kort, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van parketnummer 16/226275-24

feit 1

in de periode van 9 juli tot en met 10 juli 2024 in Veenendaal meerdere koffers met inhoud, een horloge, een navigatiesysteem, een slof sigaretten en/of een aansteker van [aangever 1] heeft gestolen door middel van braak (primair);

dan wel in voornoemde periode en op voornoemde plaats gestolen goederen van [aangever 1] voorhanden heeft gehad (subsidiair);

feit 2

in de periode van 9 juli 2024 tot en met 10 juli 2024 in Veenendaal een portemonnee met inhoud van [aangever 2] heeft gestolen;

feit 3

op 10 juli 2024 in Veenendaal meerdere malen geldbedragen van [aangever 2] heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

feit 4

in de periode van 23 juni 2023 tot en met 24 mei 2024 in Veenendaal een gewoonte heeft gemaakt van online handelsfraude via Facebook [naam] ;

Ten aanzien van parketnummer 05/221363-23

in de periode van 21 februari 2023 tot en met 25 februari 2023 in Heelsum in dienstbetrekking meerdere malen geldbedragen van de Dierenambulance en/of [aangever 3] heeft verduisterd (primair);

dan wel in voornoemde periode en op voornoemde plaats meerdere malen geldbedragen van de Dierenambulance en/of [aangever 3] heeft gestolen (subsidiair).

3. VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4. WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder parketnummer 16/226275-24, feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Ook het onder parketnummer 05/221363-23, primair ten laste gelegde acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen.

Onder het oordeel van de rechtbank zullen de standpunten van de officier van justitie – voor zover relevant – verder worden besproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder parketnummer 16/226275-24, feit 1 primair tenlastegelegde inbraak en de subsidiair tenlastegelegde opzetheling. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder parketnummer

16/226275-24, feit 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.

Onder het oordeel van de rechtbank zullen de standpunten van de verdediging – voor zover relevant – verder worden besproken.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 16/226275-24, feit 1 primair (inbraak): vrijspraak

Door de verdachte is aangevoerd dat hij niet in de vrachtwagen van [aangever 1] heeft ingebroken. Hij zou de koffers buiten in de bosjes hebben aangetroffen en hebben meegenomen om deze op een later moment bij de politie in te leveren. De officier van justitie vindt dit alternatieve scenario van verdachte niet geloofwaardig. De politie heeft namelijk beschreven dat de gestolen goederen droog aanvoelden, terwijl het op 9 en 10 juli 2024 op verschillende momenten geregend zou hebben. Dit past dus niet bij het scenario van verdachte dat hij de koffers buiten in de bosjes heeft aangetroffen. Ook wijst de officier van justitie erop dat verdachte wisselend heeft verklaard over het tijdstip waarop hij de goederen heeft aangetroffen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de aangifte van [aangever 1] volgt dat hij zijn vrachtwagen op 9 juli 2024 om 5:00 uur op de parkeerplaats heeft achter gelaten en dat hij op 10 juli 2024 om 7:30 uur ontdekte dat er in zijn vrachtwagen was ingebroken. Bij de inbraak zijn meerdere koffers met kleding, een horloge, een navigatiesysteem, een slof sigaretten en een aansteker gestolen. Op 11 juli 2024 worden de gestolen goederen in de auto van de ouders van verdachte aangetroffen. Verdachte had deze auto in de periode van 9 juli 2024 tot en met 11 juli 2024 onder zich. Uit de telefoon van verdachte blijkt dat hij op 10 juli 2024 op verschillende tijdstippen vanaf 2:16 uur foto’s van de van [aangever 1] gestolen goederen heeft gemaakt. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte in ieder geval vanaf 10 juli 2024 2:16 uur in het bezit is geweest van de gestolen goederen. Hieruit volgt dat de inbraak moet hebben plaatsgevonden tussen 9 juli 2024 5:00 uur en 10 juli 2024 2:16 uur.

Het dossier bevat geen concrete aanknopingspunten voor de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak in de vrachtwagen. Er heeft geen forensisch onderzoek plaatsgevonden en er zijn geen camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij deze inbraak. De rechtbank is van oordeel dat de periode tussen het moment waarop de inbraak op zijn vroegst heeft plaatsgevonden en het moment waarop verdachte foto’s van de gestolen goederen heeft gemaakt, niet dermate kort is dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte als dader betrokken is geweest bij deze inbraak. Dit maakt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak in de vrachtwagen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder feit 1, primair, tenlastegelegde.

Ten aanzien van parketnummer 16/226275-24, feit 1, subsidiair (opzetheling): bewezenverklaring

Bewijsmiddelen

De verklaring van verdachte bij de terechtzitting op 22 oktober 2024:

In de nacht van 9 juli 2024 op 10 juli 2024 zag ik drie koffers met inhoud in de bosjes bij een parkeerplaats in Veenendaal liggen. Toen ik de koffers in de bosjes zag liggen, dacht ik die horen niet buiten te liggen. Ik heb gekeken wat voor goederen er in de koffers zaten.

In het proces-verbaal aangifte heeft [aangever 1] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 9 juli 2024 parkeerde ik mijn vrachtauto op de parkeerplaats aan de [straat] in Veenendaal . Op 10 juli 2024 kwam ik terug bij mijn vrachtauto. Ik zag dat er goederen uit waren gestolen. Ik zag namelijk dat er drie koffers met kleding uit mijn vrachtauto waren weggenomen. In de koffer zaten Louis Vuitton schoenen en een Louis Vuitton tas.

Er zijn ook een Rolex horloge, navigatiesysteem, slof sigaretten en een gouden aansteker met het opschrift ‘HT’ uit de cabine gestolen.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] staat – zakelijk weergegeven – het volgende:

Op 11 juli 2024 vertelde de moeder van [verdachte] mij dat hij haar auto al sinds 9 juli 2024 onder zich heeft. Ik hoorde dat de vader zei dat er goederen in de auto lagen die niet van hem of van [verdachte] waren. Ik zag een horloge en een betaalpas van [aangever 1] . Ik hoorde dat [aangever 1] mij vertelde dat er in de nacht van 9 op 10 juli in zijn vrachtwagen was ingebroken. Ik hoorde dat hij mij vertelde dat hij 3 kledingkoffers, een horloge, een navigatiesysteem en een aansteker miste. Ik zag dat deze goederen in de auto lagen.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] staat – zakelijk weergegeven – het volgende:

Ik onderzocht de Samsung telefoon, met goednummer 3374151. Deze telefoon is eigendom van verdachte [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland). Ik zag dat de applicatie Galerij verschillende afbeeldingen bevatte van goederen

die waren aangetroffen in de personenauto op 11 juli 2024. De goederen zijn ogenschijnlijk afkomstig van diefstal, gezien de aangifte van diefstal uit een vrachtauto, opgenomen op 11 juli 2024 (zie registratie 2024220513).

Bewijsoverweging

Volgens de raadsvrouw kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte tijdens het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte verklaart dat hij nadat hij de koffers in de bosjes had gevonden, ook in de koffers heeft gekeken. In de koffers zaten meerdere luxe en kostbare goederen, waaronder een Rolex-horloge en een tas, schoenen en kledingstukken van Louis Vuitton en/of Dior. Dit zijn goederen die normaal gesproken niet zomaar in de bosjes liggen. Verdachte heeft de goederen meegenomen en in zijn auto bewaard.

Verdachte heeft verklaard dat hij de goederen op een later moment bij de politie wilde inleveren. De rechtbank vindt deze verklaring niet geloofwaardig. Verdachte had de goederen in ieder geval al ruim een dag in zijn bezit. Ook lagen de goederen door de auto verspreid toen zij door de politie werden aangetroffen, waaronder in het dashboardkastje van de auto. Daarnaast heeft verdachte meerdere foto’s van de gestolen luxe goederen gemaakt, waarbij de goederen door verdachte van verschillende kanten in beeld zijn gebracht. Dit past naar het oordeel van de rechtbank niet bij de verklaring van verdachte inhoudende dat hij de goederen bij de politie wilde inleveren maar eerder bij een voorgenomen verkoop van de goederen. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen de aanmerkelijke kans dat deze van misdrijf afkomstig waren bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Ten aanzien van 16/226275-24, feit 2 en feit 3 (diefstal van portemonnee en het pinnen met gestolen pinpassen): bewezenverklaring

Verdachte heeft bij de politie toegegeven dat hij deze feiten heeft gepleegd. Ter zitting heeft verdachte deze verklaring bevestigd. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsmiddelen staat, maar alleen opsommen welke bewijsmiddelen zij voor de bewezenverklaring gebruikt.

De gebruikte bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 22 oktober 2024;

de aangifte van [aangever 2] van 11 juli 2024.

Ten aanzien van 16/226275-24, feit 4 (online handelsfraude): bewezenverklaring

Bewijsmiddelen

Doordat de feiten door verdachte zijn bekend en door de raadsvrouw enkel wordt betwist dat deze feiten ‘een gewoonte maken’ van online handelsfraude opleveren, volstaat de rechtbank met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen met aanvulling van een bewijsoverweging over het gewoonte maken van online handelsfraude:

de bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 22 oktober 2024;

de aangifte van [aangever 4] van 18 juli 2023;

- de aangifte van [aangever 5] van 25 augustus 2023;

- de aangifte van [aangever 6] van 28 augustus 2023;

- de aangifte van [aangever 7] van 3 november 2023;

- de aangifte van [aangever 8] van 3 november 2023;

- de aangifte van [aangever 9] van 31 mei 2024;

- de aangifte van [aangever 10] van 6 november 2023.

Bewijsoverweging

Voor een bewezenverklaring van online handelsfraude moet sprake zijn van het maken van een beroep of gewoonte van het frauduleus handelen. Volgens de raadsvrouw is daarvan in deze zaak geen sprake, omdat sprake is van een te geringe frequentie wanneer wordt gekeken naar het gemiddeld aantal slachtoffers per maand.

De rechtbank ziet dit anders en overweegt het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van goederen aan aangevers en benadeelden, met het oogmerk om zich zonder levering van die goederen van betaling te verzekeren. Verdachte heeft in een periode van elf maanden zeven slachtoffers gemaakt met gebruikmaking van een specifieke modus operandi. Uit die specifieke modus leidt de rechtbank af dat hij ook het oogmerk had om zich zonder levering van die goederen van betaling te verzekeren. Verdachte deed zich telkens voor als bonafide verkoper, waarbij hij zich van leugens bediende – te weten dat het geld voor een goed doel bestemd was – om vertrouwen bij aangevers te wekken. Zodra de aangevers het geld naar verdachte hadden overgemaakt, blokkeerde hij de aangevers en werden de goederen niet geleverd. Dit blijkt ook uit de verklaring van verdachte bij de politie, waarin hij aangaf dat dit voor hem de manier was om zijn middelengebruik te kunnen bekostigen. De feiten volgden elkaar naar het oordeel van de rechtbank niet toevallig op, maar er was sprake van een patroon waarbij de verdachte steeds weer overging tot het begaan van een dergelijk feit om zo in zijn verslaving te kunnen voorzien.

Gelet op het aantal slachtoffers dat verdachte heeft gemaakt (zeven slachtoffers in een tijdsbestek van elf maanden) met gebruikmaking van de hiervoor beschreven specifieke modus operandi, is de rechtbank - anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat sprake is van een gewoonte maken van verkoop van goederen zonder dat deze geleverd werden, zoals tenlastegelegd.

Ten aanzien van parketnummer 05/221363-23, primair (verduistering in dienstbetrekking): bewezenverklaring

Verdachte heeft bij de politie toegegeven dat hij dit feit heeft gepleegd. Ter zitting heeft verdachte deze verklaring bevestigd. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsmiddelen staat, maar alleen opsommen welke bewijsmiddelen zij voor de bewezenverklaring gebruikt.

De gebruikte bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 22 oktober 2024;

de aangifte van [aangever 3] , namens de Dierenambulance, van 2 maart 2023.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van parketnummer 16/226275-24

feit 1, subsidiair

in de periode van 9 juli 2024 tot en met 11 juli 2024 te Veenendaal , meerdere koffers met inhoud, een horloge, een navigatiesysteem, een slof sigaretten en een aansteker voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

feit 2 in de periode van 9 juli 2024 tot en met 10 juli 2024 te Veenendaal een portemonnee met inhoud, die aan [aangever 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 3 op 10 juli 2024 te Veenendaal meerdere geldbedragen die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van meerdere betaalpassen van voornoemde [aangever 2] ;

feit 4 op tijdstippen in de periode van 23 juni 2023 tot en met 24 mei 2024 te [plaats 1] een gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk, te weten via Facebook ( [naam] ), verkopen van goederen, te weten:- één stuk stof voor € 86,95 aan [aangever 4] ,- au bain-maries voor € 56,95 aan [aangever 5] ,- au bain-maries voor € 50,00 aan [aangever 6] ,- stukken stof voor € 45,00 aan [aangever 7] ,- beelden voor € 90,00 aan [aangever 8] ,- een boek voor € 30,00 aan [aangever 9] , en- een beeld voor € 30,00 aan [aangever 10] ,met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die goederen te verzekeren;

Ten aanzien van parketnummer 05-221363-23, primair op tijdstippen in de periode van 21 februari 2023 tot en met 25 februari 2023 te Heelsum, gemeente Renkum opzettelijk meerdere geldbedragen die toebehoorden aan de Dierenambulance en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten medewerker van de dierenambulance, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van parketnummer 16/226275-24

feit 1, subsidiair: opzetheling;

feit 2: diefstal;

feit 3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

feit 4: een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die goederen te verzekeren;

Ten aanzien van parketnummer 05/221363-23, primair

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. OPLEGGING VAN STRAF

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de medische situatie, de kwetsbaarheid en de verslavingsproblematiek van verdachte. Verdachte is gemotiveerd om met de hulpverlening aan de slag te gaan en de focus dient daarop gericht te zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij de op te leggen straf heeft bepaald.

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, te weten opzetheling, diefstal, diefstal met een valse sleutel, online handelsfraude en verduistering in persoonlijke dienstbetrekking. Nadat verdachte op 9 juli 2024 drugs had gebruikt, heeft hij in korte tijd meerdere strafbare feiten gepleegd. Zo heeft hij de portemonnee van slachtoffer [aangever 2] uit zijn auto gestolen en heeft hij vervolgens met de van [aangever 2] gestolen pinpassen meerdere malen geld opgenomen. Dit deed hij naar eigen zeggen omdat hij geld nodig had om nieuwe drugs te kopen. In diezelfde periode heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan de opzetheling van een grote hoeveelheid waardevolle spullen van slachtoffer [aangever 1] .

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de verduistering van meerdere geldbedragen van de Dierenambulance. Deze geldbedragen had hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking

onder zich. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan online handelsfraude en hiervan een gewoonte gemaakt. Hij heeft in een periode van 11 maanden op Facebook [naam] goederen te koop aangeboden, die hij – na ontvangst van de betaling van de kopers – niet opstuurde. Verdachte zei tegen de kopers dat het geld naar een goed doel zou gaan, maar gebruikte het geld daarentegen om zijn eigen drugsverslaving te bekostigen.

Verdachte heeft met zijn handelen geen respect getoond voor de eigendommen van de slachtoffers. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin, zijn behoefte om zijn drugsverslaving te bekostigen, en heeft daarmee de slachtoffers niet alleen financiële schade, maar ook overlast bezorgd. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers, die hij via Facebook [naam] en bij de Dierenambulance heeft gemaakt, in hem hadden gesteld. Het schaden van dergelijk vertrouwen in het digitale handelsverkeer en op de werkvloer heeft niet alleen negatieve gevolgen voor de slachtoffers in deze zaak, maar ook voor de maatschappij in het algemeen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 11 september 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Inforsa van 16 oktober 2024, opgesteld door J. Mertens. De reclassering ziet de harddrugsverslaving en het psychosociaal functioneren van verdachte als voornaamste risicofactoren voor het delictgedrag. Verdachte gebruikt sinds zijn achttiende cocaïne en eerdere ambulante en klinische behandelingen hebben tot op heden onvoldoende resultaat gehad. Verdachte is in het verleden gediagnosticeerd met ADHD, een beneden gemiddeld intelligentieniveau, een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en separatieangststoornis. Dit maakt verdachte beïnvloedbaar, impulsief en kwetsbaar. Ook het ontbreken van een dagbesteding en het hebben van een negatief sociaal netwerk worden door de reclassering als risicofactoren gezien. De reclassering schat de kans op recidive in op hoog en acht de inzet van interventies noodzakelijk.

De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met (in het kort) de volgende bijzondere voorwaarden: (1) meldplicht bij de reclassering, (2) opname in een zorginstelling, (3) ambulante behandeling, (4) begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (5) dagbesteding en (6) meewerken aan middelencontrole.

Uit het e-mailbericht van 21 oktober 2024 van de officier van justitie, in reactie op de vragen van de raadsvrouw aan de reclassering, blijkt dat verdachte door de reclassering is aangemeld voor een indicatiestelling bij het IFZ (Indicatiestelling voor Forensisch Zorg). De opdracht is inmiddels doorgezet naar de DIZ (Divisie Individuele Zaken), maar op dit moment is nog onbekend in welke kliniek verdachte kan worden opgenomen en op welke termijn. Ook heeft de reclassering aangegeven dat zij niet verantwoordelijk is voor het regelen van een overbruggingsplek voor verdachte, maar dat dit de verantwoordelijkheid is van het IFZ en het DIZ. Als op korte termijn geen overbruggingsplek beschikbaar is, zou verdachte mogelijk bij zijn ouders kunnen verblijven. De reclassering acht dit echter niet wenselijk, omdat hier sprake is van onvoldoende toezicht en een geringe mate van beveiliging. Door de hardnekkige en langdurige verslavingsproblematiek en de pro criminele houding van verdachte bestaat er een risico op recidive als verdachte bij zijn ouders verblijft en dus veel vrijheid krijgt zonder dat hij eerst een intensieve behandeling heeft gekregen.

De straf

Gelet op de ernst en de hoeveelheid feiten en de omstandigheid dat verdachte vaker voor soortgelijke feiten is veroordeeld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Vanwege de hiervoor genoemde ernst en hoeveelheid feiten en de recidive van verdachte, acht de rechtbank een langere gevangenisstraf (zowel wat betreft het voorwaardelijke als wat betreft het onvoorwaardelijke deel daarvan) dan door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. Bijkomend voordeel van een iets langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dat het IFZ en de DIZ (iets) meer tijd hebben om een geschikte (overbruggings)plek te vinden waar verdachte in aansluiting op zijn detentie terecht kan. Dat verdachte na zijn detentie direct naar een (overbruggings)plek toe gaat, acht de rechtbank in het belang van de maatschappij en verdachte wenselijk, gelet op de hardnekkige en langdurige verslavingsproblematiek en het hoge recidiverisico.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. De rechtbank acht een langere proeftijd dan door de officier van justitie geëist geboden, gelet op de hardnekkige en (steeds) terugkerende verslavingsproblematiek bij verdachte en omdat sprake is van recidive. Aan het voorwaardelijk strafdeel verbindt de rechtbank de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

9. BENADEELDE PARTIJ

Ten aanzien van 16/226275-24, feit 2 en feit 3

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 223,23 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Ook is de vordering van de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag aan materiële schade toewijzen, zij het tot een iets ander bedrag dan gevorderd, omdat de rechtbank tot een iets ander bedrag komt als zij de materiële schadeposten bij elkaar optelt.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de vordering voor een totaalbedrag van € 222,23 toewijzen, geheel bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2024 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 222,23 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met

4 dagen gijzeling.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van 16/226275-24, feit 4

[aangever 4]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 86,00 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde.

[aangever 7]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 45,00 aan (naar de rechtbank begrijpt) materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde.

[aangever 10]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 30,00 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen geen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat voornoemde benadeelde partijen als gevolg van het onder feit 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade hebben geleden. De gevorderde materiële schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd en allen voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de vorderingen toewijzen als gevorderd.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen voor bovengenoemde bedragen toewijzen en vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop bij de betreffende benadeelde partij het geldbedrag van de rekening is afgeschreven, te weten, ten aanzien van de benadeelde partij:

[aangever 4] met ingang van 23 juni 2023;

[aangever 7] met ingang van 28 oktober 2023;

[aangever 10] met ingang van 29 oktober 2023.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment ten aanzien voor elke benadeelde partij begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank bij de toe te wijzen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal hierbij tevens de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de datum zoals hierboven per benadeelde partij is weergegeven. Bij niet betaling kan per benadeelde partij 1 dag gijzeling worden toegepast, waarbij geldt dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de desbetreffende benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 310, 311, 322, 326e en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder parketnummer 16/226275-24 feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 77 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij reclassering Inforsa op het adres Wittevrouwenkade 6 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* zich zal laten opnemen in een nader te bepalen zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Verdachte is aangemeld bij het IFZ voor een indicatiestelling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt, maar niet langer dan 1 jaar. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

* zich zal laten behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

* zal verblijven in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

* zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- geeft aan de reclassering, te weten Inforsa, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij [aangever 2]

Benadeelde partij [aangever 4]

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [aangever 7]

Benadeelde partij [aangever 10]

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 november 2024.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 16/226275-24

feit 1 primair hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2024 tot en met 10 juli 2024 te Veenendaal , althans in Nederland, meerdere koffers met inhoud, een horloge, een navigatiesysteem, een slof sigaretten en/of een aansteker, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan[aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemenkoffers met inhoud, horloge, navigatiesysteem, slof sigaretten en/of aansteker onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2024 tot en met 11 juli 2024 te Veenendaal , althans in Nederland, meerdere koffers met inhoud, een horloge, een navigatiesysteem, een slof sigaretten en/of een aansteker, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze/dit goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 2 hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeksde periode van 9 juli 2024 tot en met 10 juli 2024 te Veenendaal , althans in Nederland, een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 3 hij, op of omstreeks 10 juli 2024 te Veenendaal , althans in Nederland, één of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van één of meerdere betaalpassen van voornoemde [aangever 2] ;

feit 4 hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2023 tot en met 24 mei 2024 te Veenendaal , althans in Nederland, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk, te weten via Facebook ( [naam] ), verkopen van goederen, te weten:- één of meer stukken stof voor €86,95 aan [aangever 4] ,- één of meer au bain-maries voor €56,95 aan [aangever 5] ,- één of meer au bain-maries voor €50,00 aan [aangever 6] ,- één of meer stukken stof voor €45,00 aan [aangever 7] ,- één of meer beelden voor €90,00 aan [aangever 8] ,- een boek voor €30,00 aan [aangever 9] , en/of- een beeld voor €30,00 aan [aangever 10] ,met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen te verzekeren;

Ten aanzien van parketnummer ‌05-221363-23 primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2023 tot en met 25 februari 2023 te Heelsum, gemeente Renkum, althans in Nederlandopzettelijk een of meerdere geldbedragen (van ongeveer 25 euro en/of 35 euro en/of 45 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan de Dierenambulance en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten medewerker van de dierenambulance, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2023 tot en met 25 februari 2023 te Heelsum, gemeente Renkum, althans in Nederland,een of meerdere geldbedragen (van ongeveer 25 euro en/of 35 euro en/of 45 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Dierenambulance en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?