RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/061006-21 (vordering verlenging PIJ)
Beslissing op grond van artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 22 oktober 2024
op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (Somalië),
thans verblijvende in het [locatie] ,
hierna: [verdachte] .
1. De stukken
De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:
2. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek heeft achter gesloten deuren plaats gevonden ter zitting van 22 oktober 2024. Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers;
- [verdachte] ;
- de raadsman van [verdachte] , mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht;
- de moeder van [verdachte] ;
- de heer [psycholoog] , psycholoog en behandelcoördinator bij de JJI.
3. De rapportage en de toelichting daarop
Uit het verlengingsadvies van 12 augustus 2024 volgt dat [verdachte] zich in de afgelopen periode positief heeft ontwikkeld en dat de behandeling ook op een positieve manier is verlopen. Tijdens de therapieën is gewerkt aan het herkennen en verwoorden van emoties, waarbij het [verdachte] steeds beter lukt om lichamelijke signalen te herkennen, ook bij hoge spanning. Wanneer iets [verdachte] bezig houdt, of wanneer hij ergens mee zit, brengt hij dit uit zichzelf in bij de behandeling of vraagt hij om hulp. Dit doet [verdachte] ook vaker proactief, in plaats van achteraf, waardoor hij zich beter kan voorbereiden op situaties die mogelijk kunnen ontstaan. Binnen schematherapie vindt [verdachte] het nog lastig om hulp te vragen en wordt nog een bepaalde terughoudendheid in het contact gezien. Wel wordt gezien dat [verdachte] , ondanks dat hij het lastig vindt, een vertrouwensband aangaat met zijn behandelaren. Hij stelt zich meer open voor de therapie en laat steeds meer van zichzelf zien. Ook lijkt [verdachte] steeds meer te weten wie hij is, wie hij wil zijn en waar hij zich naartoe wil ontwikkelen. Wanneer [verdachte] wordt aangesproken op zijn negatieve keuzes, lukt het hem om achteraf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag. Het lukt hem nog niet altijd om op het moment zelf adequate copingvaardigheden in te zetten. Ook redeneert [verdachte] nog vanuit zijn eigen behoeften, maar met externe hulp lukt het hem steeds beter om zichzelf in de ander te verplaatsen.
Er zijn geen signalen dat [verdachte] zich tijdens het onbegeleide verlof met crimineel gedrag bezig houdt. Wel heeft hij in de verlofplanningen meermaals de ruimte gezocht, en ook genomen, en zich daarmee niet volledig aan de afspraken gehouden. Tijdens één verlofmoment is [verdachte] volledig afgeweken van de verlofplanning, waarbij hij ook met iemand is meegegaan zonder akkoord van de instelling. Hierdoor is zijn verlof een tijd stil gezet. Inmiddels is het dagelijkse onbegeleide verlof weer hervat. Gezien wordt dat met het verlof in het vooruitzicht, het [verdachte] lukt om te stoppen met cannabis. Het lukt hem echter niet om dit voor een langere periode vast te houden. Vooral wanneer de spanningen oplopen, wordt gezien dat [verdachte] teruggrijpt naar zijn cannabisgebruik. Dit is onderdeel van zijn vermijdende coping. Het middelengebruik is een belangrijk onderdeel van de behandeling. Er is een signaleringsplan gemaakt op zijn middelengebruik, om samen met [verdachte] te kijken wat hij als alternatief kan inzetten op het moment dat de spanningen oplopen.
Tijdens het verlof heeft [verdachte] nog geen adequate vrijetijdsbesteding. De komende periode zal hier meer aandacht aan worden besteed. Ook zal meerdaags onbegeleid verlof worden aangevraagd, waardoor [verdachte] steeds vaker buiten de inrichting zal verblijven. In de komende periode dient [verdachte] te laten zien dat hij zich tijdens het meerdaags onbegeleide verlof aan de afspraken kan houden en dat hij meer vrijheden aankan. Als [verdachte] de positieve ontwikkeling weet vast te houden, kan in februari 2025 naar verwachting worden gestart met het Studie en Training Programma (STP).
Zonder het kader van de PIJ-maatregel wordt het risico op toekomstig gewelddadig gedrag op matig ingeschat. Hierbij worden vooral het onvoldoende herkennen van emoties en het niet om hulp vragen als risicofactoren gezien. Het risico op gewelddadig gedrag wordt hoger ingeschat, wanneer [verdachte] het gevoel heeft er alleen voor te staan en het hem niet lukt om een andere oplossing voor zijn problemen te bedenken, hij alleen aan zichzelf denkt, hij omgaat met anderen die ook delicten plegen, er sprake is van een gebrek aan geld en [verdachte] onvoldoende ruimte voelt om zijn gevoel te bespreken en anderen niet om hulp vraagt.
Volgens de JJI kan [verdachte] nog van de behandeling profiteren en is dit ook in het belang van zijn ontwikkeling. Zo is het volgen van schematherapie nog nodig om de kernproblematiek verder te bewerken. Hier is echter tijd voor nodig. Ook dient vanuit de gestructureerde setting van de JJI verder gewerkt te worden aan het verminderen van de risicofactoren om het recidiverisico verder te verlagen. In de komende periode zal toegewerkt worden naar het STP, maar het is van belang dat dit zorgvuldig gebeurd. De verlenging van de PIJ-maatregel is nodig om [verdachte] - met begeleiding en coaching vanuit de JJI - te leren om zijn aangeleerde vaardigheden in een andere setting dan de JJI in te zetten en deze verder te bestendigen. Gelet op de nog te nemen stappen adviseert de JJI om de PIJ-maatregel met negen maanden te verlengen.
De heer [psycholoog] , behandelcoördinator, is ter terechtzitting als deskundige gehoord en heeft het hierboven weergegeven advies toegelicht. Het meerdaagse onbegeleide verlof is nog niet aangevraagd, omdat [verdachte] zich niet volledig aan de afspraken had gehouden. Gezien wordt dat wanneer de druk wordt verhoogd, het [verdachte] wel lukt om zich aan de afspraken te houden. Het is echter ook van belang dat [verdachte] intrinsiek gemotiveerd is om zich aan de afspraken te houden. De aanvraag van het meerdaagse onbegeleide verlof kan maximaal twee maanden duren, waardoor een verlenging voor de duur van negen maanden mogelijk niet voldoende is. Voordat het STP-traject kan starten, moet [verdachte] namelijk eerst een aantal keer op meerdaags onbegeleid verlof zijn geweest. Daarnaast is de verwachting dat het STP-traject zes maanden zal duren. Op dit moment ziet de heer [psycholoog] echter geen reden om de verlenging van de PIJ-maatregel voor een langere termijn dan negen maanden te vragen. [verdachte] ontwikkelt zich positief en er wordt daarom gekeken of het mogelijk is om het meerdaags verlof-traject of het STP-traject in te korten.
4. De standpunten
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met negen maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging zich niet verzet tegen de verlenging van de PIJ-maatregel met negen maanden.
[verdachte] heeft daaraan toegevoegd dat hij zich kan vinden in de verlenging van de PIJ-maatregel. Hij merkt dat hij in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet. Zo probeert hij om hulp te vragen wanneer hij tegen zaken aan loopt. Aan het begin van de PIJ-maatregel vond [verdachte] het lastig om zich in een ander te verplaatsen en dacht hij vooral aan zichzelf. Inmiddels lukt het hem ook om aan de ander te denken. [verdachte] zou nog willen leren om met een volle agenda om te gaan. Het komt nu wel eens voor dat hij een afspraak vergeet of iets kwijt raakt.
5. Het oordeel van de rechtbank
[verdachte] is bij genoemd vonnis van deze rechtbank veroordeeld voor - kort gezegd - afpersing, schuldheling, diefstal, eenvoudige belediging (tweemaal) en het onbruikbaar maken van een goed. Aan [verdachte] is naast een jeugddetentie ook een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd. Met betrekking tot de duur van deze maatregel heeft de rechtbank overwogen dat de mogelijkheid bestaat deze te verlengen, omdat [verdachte] is veroordeeld voor een feit dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
De PIJ-maatregel is gaan lopen op 11 september 2021. Als de maatregel niet opnieuw wordt verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk op 25 oktober 2024.
De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemd advies en wat ter zitting is besproken, volgt dat de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de maatregel eist. Zo is er bij beëindiging van de maatregel nog een (matig) risico op toekomstig gewelddadig gedrag, waarbij ook wordt opgemerkt dat onder bepaalde omstandigheden sprake is van een hoger risico op recidive. Ook wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en is de verlenging in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . De rechtbank ziet dat [verdachte] in de afgelopen periode meerdere positieve stappen heeft gezet in zijn behandeling en ontwikkeling. [verdachte] moet zich echter nog verder ontwikkelen en laten zien dat hij met meer vrijheden om kan gaan, ook buiten de JJI. De rechtbank vindt het van belang dat op een zorgvuldige wijze wordt toegewerkt naar het STP en gelet op het geschetste traject acht zij een verlenging van negen maanden dan ook passend en geboden.
6. De beslissing
De rechtbank
- verlengt de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [verdachte] voor de duur van negen maanden.
Deze beslissing is genomen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. L.L. Veendrick, (kinder-)rechters, bijgestaan door mr. E.J. van Bergeijk als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 22 oktober 2024.