ECLI:NL:RBMNE:2024:7819

ECLI:NL:RBMNE:2024:7819

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 12-06-2024
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer C/16/561419 / HA ZA 23-521
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2025:7701

Samenvatting

Zie ook: tussenuitspraken ECLI:NL:RBMNE:2024:7818 d.d. 7-8-2024 en ECLI:NL:RBMNE:2024:7820 d.d. 9-10-2024

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/561419 / HA ZA 23-521

Vonnis van 12 juni 2024

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. E. Köse te Rotterdam,

tegen

[gedaagde partij] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn te Utrecht.

1. Hoe is de procedure verlopen?

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2; - de brief waarin is bepaald dat een mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden;

- de brief van [eisende partij] van 11 december 2023, met producties 8 tot en met 10;

- de mondelinge behandeling van 12 december 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de akte van [gedaagde partij] , met producties 3 tot en met 5;

- de antwoordakte van [eisende partij] .

2. Waar draait de zaak om?

In de zomer van 2022 heeft [eisende partij] zijn Porsche Panamera 4 E-Hybrid (hierna: “de Porsche”) te koop aangeboden via marktplaats.nl. [gedaagde partij] heeft gereageerd op die advertentie, waarna partijen elkaar twee keer hebben ontmoet. Op de ochtend na de laatste ontmoeting heeft [gedaagde partij] de Porsche meegenomen van het parkeerterrein bij het werk van [eisende partij] . [eisende partij] stelt nu dat [gedaagde partij] de Porsche toen gestolen heeft, en vordert die terug. [gedaagde partij] betoogt echter dat hij de Porsche van [eisende partij] heeft gekocht en dat hij dus de eigenaar is.

3. Over welke feiten zijn partijen het eens?

[eisende partij] heeft in juni 2022 de Porsche te koop aangeboden met een vraagprijs van € 88.500. In juli 2022 heeft [gedaagde partij] hem bericht dat hij de Porsche wel zou willen kopen voor € 80.000.

Daarop hebben partijen een afspraak gemaakt om de Porsche op 30 juli 2022 te bekijken. Partijen spraken af bij het werk van [eisende partij] aan de [straat] in Rotterdam . Partijen hebben gezamenlijk een proefrit gemaakt en [eisende partij] heeft toen, op advies van [gedaagde partij] , de tenaamstellingscode van het kentekenbewijs opgevraagd. Ook heeft [gedaagde partij] de documentatie van de auto bekeken.

Vervolgens hebben partijen een nieuwe afspraak gemaakt voor 16 augustus 2022 om de Porsche laten keuren. Zij zijn die dag gezamenlijk naar de Porsche-garage in Rotterdam gereden, maar die had geen tijd om de keuring te verrichten. Vervolgens zijn zij naar Bosch Car Service gereden, maar die garage had de volgende dag pas tijd. Partijen hebben daarop een afspraak gemaakt voor de volgende dag, 17 augustus 2022, 13:00 uur, om de Porsche te laten keuren bij Bosch Car Service.

Op 16 augustus 2022, 19:26 uur, is de Porsche in het register van de RDW op naam van [gedaagde partij] gesteld.

De volgende dag is [eisende partij] ’s morgens vroeg met de Porsche naar zijn werk gereden. Enige tijd daarna, tussen 8 en 9 uur ‘s morgens, heeft [gedaagde partij] de Porsche meegenomen van het parkeerterrein van [eisende partij] ’s werk. De keuring bij Bosch Car Service heeft niet plaatsgevonden.

Nog diezelfde dag heeft [eisende partij] aangifte gedaan van diefstal, waarna de politie een signalering voor de Porsche heeft uitgezet. Op dat moment beschikte [eisende partij] nog over één van de sleutels van de Porsche. De reservesleutel had hij niet.

Op 20 augustus 2022 heeft [gedaagde partij] contact opgenomen met de politie, en – kort gezegd – verklaard dat hij de Porsche van [eisende partij] heeft gekocht en dat hij niet begrijpt waarom die als gestolen gesignaleerd staat. Op de vraag van de politie waar de Porsche op dat moment was, heeft [gedaagde partij] geen antwoord willen geven. Ook heeft hij de Porsche niet aan de politie willen afgeven.

Op 30 augustus 2022 is [gedaagde partij] als verdachte verhoord door de politie.

Op woensdag 25 februari 2023 is de Porsche door de politie aangetroffen in een parkeergarage en in beslag genomen. Volgens de beheerder van die parkeergarage stond de Porsche daar al enkele weken geparkeerd.

Op 30 juni 2023 heeft [gedaagde partij] op zijn beurt aangifte gedaan tegen [eisende partij] wegens het doen van valse aangifte.

4. Hoe oordeelt de rechtbank?

In deze zaak moet de rechtbank, op basis van de gang van zaken in augustus 2022, beoordelen wie op dit moment de eigenaar van de Porsche is. De verhalen van partijen over wat er in die periode is gebeurd, staan lijnrecht tegenover elkaar. Sterker nog, die verhalen lopen dusdanig uiteen dat geen sprake kan zijn van een misverstand of een onjuiste herinnering, maar dat één van partijen in deze procedure welbewust moet liegen over wat er destijds is gebeurd.

[eisende partij] stelt dat partijen op 16 augustus 2022 rond half 3 ‘s middags uit elkaar zijn gegaan met de afspraak elkaar de volgende dag te zien voor de keuring bij Bosch Car Service. Pas dan zou de koop afgerond en de koopsom betaald worden. [gedaagde partij] moet echter kans hebben gezien de reservesleutel, die in een envelop in het dashboardkastje zat, te pakken, waarna hij de Porsche op 17 augustus 2022 heeft gestolen van de parkeerplaats bij het werk van [eisende partij] . Ook moet [gedaagde partij] gelegenheid hebben gezien de tenaamstellingscode van het kentekenbewijs van de Porsche te noteren toen [eisende partij] die, op verzoek van [gedaagde partij] en in zijn bijzijn, had opgevraagd. Daardoor kon [gedaagde partij] de Porsche zonder medewerking van [eisende partij] op zijn naam zetten.

Op zijn beurt stelt [gedaagde partij] dat partijen de koop van de Porsche al op 16 augustus 2022 hadden afgerond. Nadat zij wegreden bij Bosch Car Service, zou [eisende partij] hebben voorgesteld om de keuring van de auto pas een aantal weken ná de koop te doen, waarbij [eisende partij] eventuele reparatiekosten dan aan [gedaagde partij] zou vergoeden. Daarop is [gedaagde partij] naar huis gegaan om de koopsom – die cash betaald zou worden – op te halen. Rond 7 uur was hij terug in Rotterdam, heeft hij [eisende partij] € 79.000 betaald in cash, en hebben zij gezamenlijk de auto overschreven op zijn naam. Omdat [eisende partij] de Porsche echter nog even nodig had, hebben zij afgesproken dat [eisende partij] de Porsche nog een dag zou houden, en dat [gedaagde partij] hem de volgende dag zelf op zou halen bij het werk van [eisende partij] . De sleutel van [eisende partij] en de laadkabel zou [gedaagde partij] later ophalen, op welk moment hij de laatste € 1.000 zou betalen. Toen [gedaagde partij] vervolgens probeerde de Porsche te verzekeren, bleek die als gestolen gesignaleerd te staan.

Voor situaties zoals deze, waarin twee partijen allebei stellen de eigenaar van een zaak te zijn, kent de wet hulpmiddelen in de vorm van bewijsvermoedens. Deze bewijsvermoedens, waar [gedaagde partij] ook een beroep op heeft gedaan, komen er – kort gezegd – op neer dat degene die de zaak in zijn macht heeft, vermoed wordt ook de eigenaar te zijn. Vervolgens is het dan aan de andere partij om dat vermoeden te weerleggen, en wel door te bewijzen dat hij eigenaar is. De rechter kan echter ook, op basis van wat partijen over en weer hebben betoogd, oordelen dat deze vermoedens al voldoende zijn weerlegd, waarna het dan aan de bezitter – [gedaagde partij] – is om te bewijzen dat hij de eigenaar is geworden, dit omdat niet ter discussie staat dat [eisende partij] in ieder geval tot 16 augustus 2022 de eigenaar was van de Porsche.

De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde partij] geschetste gang van zaken – op voorhand – dusdanig ongeloofwaardig is, dat de bedoelde bewijsvermoedens al zijn weerlegd. Daarvoor heeft de rechtbank de volgende redenen.

[gedaagde partij] ’s financiële positie

Ten eerste heeft [gedaagde partij] niet inzichtelijk kunnen maken dat hij in augustus 2022 beschikte over de financiële middelen om een dusdanig dure auto contant af te kunnen rekenen, zoals hij stelt dat hij heeft gedaan. Dat mocht van hem worden verwacht, omdat hij in deze procedure op een toevoeging procedeert, waarbij uit de toevoegingsgegevens volgt dat hij in het peiljaar – 2021 – een verzamelinkomen had van € 4.091. Het is daarom opmerkelijk dat hij in het jaar daarna – naar zijn zeggen – kon beschikken over € 79.000 om [eisende partij] contant te kunnen betalen.

[gedaagde partij] heeft, ondanks zijn aanbod daartoe, niet goed uit kunnen leggen hoe hij aan dat bedrag is gekomen. Bij akte uitlaten heeft [gedaagde partij] één bankafschrift uit mei 2021 overgelegd, waaruit volgt dat hij in die maand in vier dagen tijd vier keer een bedrag van € 10.000 heeft opgenomen, in totaal dus € 40.000. Dat is een zeer wezenlijk bedrag, maar pas de helft van de koopsom van de Porsche. Bovendien blijkt uit datzelfde afschrift dat hij nadien ook weer een bedrag van € 11.000 heeft gestort, en uit het relaas van bevingen van de politie waarnaar [gedaagde partij] zelf heeft verwezen volgt dat hij in juni 2021 ook weer een bedrag van ongeveer € 40.000 op zijn rekening heeft gestort. Een verklaring voor € 79.000 aan contant geld biedt dit afschrift dus niet.

Vervolgens heeft [gedaagde partij] erop gewezen dat hij een bedrijf heeft – een scooterwinkel – dat goed loopt. Op vragen van de rechtbank waarom zijn verzamelinkomen dan zo laag is, heeft [gedaagde partij] ter zitting aangegeven dat hij veel investeert in zijn winkel, waardoor de kosten net zo hoog zijn als de opbrengsten. Als dat echter zo is, heeft [gedaagde partij] dus niet de koopsom voor de Porsche uit die onderneming kunnen halen. Tot slot heeft [gedaagde partij] nog een bankafschrift uit 2020 overgelegd, maar buiten één pinopname van € 2.000 blijken daaruit geen wezenlijke opnames van contant geld. [gedaagde partij] heeft ook niet toegelicht hoe uit dat afschrift zou moeten blijken dat hij 2 jaar later over € 79.000 contant kon beschikken.

Daarbij komt dat de politie de bij- en afschrijvingen op de bankrekening van [gedaagde partij] in 2022 in kaart heeft gebracht. Daaruit volgt dat [gedaagde partij] op 1 januari 2022 een roodstand had van € 492,03 en op 19 augustus 2022 een roodstand van € 11,75. In de tussentijd is, aldus het proces-verbaal van de politie, totaal € 4.740,11 afgeschreven en € 5.219,39 is bijgeschreven. Dit betekent dus dat [gedaagde partij] in 2022 het benodigde bedrag ook niet op zijn rekening had staan.

In de processtukken heeft [gedaagde partij] nog melding gemaakt van inkomsten door de handel in cryptocurrency en een letselschadeuitkering. Dit zijn beide inkomsten die via zijn bankrekening zouden moeten lopen, zodat hij die inzichtelijk zou hebben moeten kunnen maken, en zou moeten kunnen laten zien wanneer hij die dan heeft opgenomen voor deze contante betaling. Dat heeft [gedaagde partij] echter niet gedaan.

De rechtbank komt dan ook tot de tussenconclusie dat [gedaagde partij] niet heeft kunnen laten zien dat hij in augustus 2022 over het geld kon beschikken om een dusdanig dure auto contant af te rekenen.

De door [gedaagde partij] geschetste gang van zaken

Daarnaast bevat de door [gedaagde partij] geschetste gang van zaken in augustus 2022 een aantal eigenaardigheden, waarvan niet gezegd kan worden dat die niet waar kunnen zijn, maar wel dat die behoorlijk ongeloofwaardig zijn. De rechtbank somt die op.

Ten eerste is het vreemd dat [gedaagde partij] , als koper, eerst heeft aangestuurd op een keuring van de Porsche – wat logisch en gebruikelijk is bij een koop via marktplaats van een dusdanig dure auto – om die keuring vervolgens op initiatief van [eisende partij] geheel te laten zitten, ondanks dat er al een afspraak voor de volgende dag gemaakt was bij Bosch Car Service. Hoewel niet onmogelijk, is dat wel een ongebruikelijk blijk van vertrouwen, zeker bij een auto in deze prijsklasse.

Hetzelfde geldt, ten tweede, voor de tweede sleutel van de Porsche. Het is natuurlijk vreemd dat [gedaagde partij] , als hij eigenaar zou zijn geworden, niet over beide sleutels van de Porsche beschikte. In de versie van [gedaagde partij] zou [eisende partij] , nadat [gedaagde partij] al voor de Porsche had betaald, de Porsche nog een ‘dagje hebben mogen houden’ en zou [gedaagde partij] die de volgende dag zelf ophalen. Het is al opmerkelijk te noemen dat [gedaagde partij] de auto die hij net, voor zo’n bedrag, heeft gekocht direct weer uitleent aan [eisende partij] . Het is des te opmerkelijker dat hij die auto de volgende dag dan zelf ophaalt en de tweede sleutel bij de verkoper laat, terwijl [eisende partij] die sleutel toch, als dit waar was, achter had kunnen laten bij de receptie van zijn bedrijf of iets dergelijks. Opnieuw is deze gang van zaken niet onmogelijk, maar zou wel weer sprake zijn van een zeer ongebruikelijk blijk van vertrouwen.

Ten derde bevreemden de reisbewegingen die [gedaagde partij] stelt te hebben gemaakt op die 16e en 17e augustus. Vast staat tussen partijen dat zij op 16 augustus 2022 om 1 uur ’s middags hadden afgesproken om de auto te laten keuren en de koop af te handelen. Naar eigen zeggen hoopte [gedaagde partij] de auto meteen mee te nemen. Hij kwam echter wel zelf ook met de auto, dus hoe dat dan in zijn werk zou moeten gaan, heeft [gedaagde partij] niet uit kunnen leggen. Vervolgens hebben partijen, zo staat ook vast, bezoeken gebracht aan de Porsche-garage en Bosch Car Service, waarna zij rond half 3 uit elkaar zijn gegaan.

Volgens [gedaagde partij] is hij toen teruggereden naar Utrecht om diezelfde avond weer naar Rotterdam te rijden om [eisende partij] te betalen en de koop af te handelen. Dit opnieuw dus met de auto. Op vragen ter zitting waarom [gedaagde partij] opnieuw met de auto kwam om een auto op te halen, antwoordde hij, in eerste instantie, dat hij zijn vriendin bij zich had, die dan de andere auto terug kon rijden. Dat betekende dan echter dat die vriendin bij de (contante) betaling en overschrijving van het kenteken aanwezig was, waarop [gedaagde partij] antwoordde dat zijn vriendin er toch niet bij was. Het plan was, volgens [gedaagde partij] , dat hij alleen de Porsche zou gaan kopen met zijn eigen auto, dan met de Porsche terug zou rijden om vervolgens, later diezelfde avond, met zijn vriendin weer terug te rijden om de andere auto op te halen. Dit is een erg omslachtige gang van zaken, die, tot dusver, wel strookt met de telefoongegevens van [gedaagde partij] . Uit de telefoongegevens volgt echter ook dat [gedaagde partij] rond half 11 ’s avonds weer in Utrecht was, en om 1 uur ’s ochtends weer in de buurt van het werk van [eisende partij] . Op de vraag waarom hij op zo’n tijdstip op een dinsdagnacht weer naar het werk van [eisende partij] was gereden – en dus voor de derde keer die dag van Utrecht naar Rotterdam – heeft [gedaagde partij] bij de politie geen antwoord kunnen geven. Ook op deze punten kent de versie van [gedaagde partij] dus een aantal eigenaardigheden (en leemtes) die niet onmogelijk zijn, maar, zeker tezamen genomen, wel ongeloofwaardig.

Aan de andere kant kan aan [gedaagde partij] worden toegegeven dat ook de versie van [eisende partij] een aantal bijzonderheden kent. Zo is het bijzonder te noemen dat [eisende partij] , naar zijn zeggen, de tenaamstellingscode van zijn kentekenbewijs aan [gedaagde partij] heeft laten zien. Dat zou een tamelijk onvoorzichtige gedraging van [eisende partij] zijn geweest, maar tussen partijen staat wel vast dát [gedaagde partij] [eisende partij] al op 30 juli 2022 had geadviseerd de tenaamstellingscode op te vragen bij de RDW en dat [eisende partij] dat toen heeft gedaan, terwijl er toen van een overschrijving van het kenteken nog helemaal geen sprake was. Het zou dus zo kunnen zijn dat [gedaagde partij] [eisende partij] dit advies heeft gegeven met het doel de tenaamstellingscode te kunnen noteren.

Ook is het opmerkelijk dat [gedaagde partij] wel over een sleutel van de Porsche beschikte. In de versie van [eisende partij] moet [gedaagde partij] kans hebben gezien de reservesleutel te bemachtigen toen zij samen in de auto zat. Ook hier geldt dat niet is weersproken dat die sleutel zich, vanwege de bedoelde verkoop, bevond in de envelop met autopapieren en dat [gedaagde partij] die envelop heeft kunnen bekijken. De verklaring van [eisende partij] voor deze twee bijzonderheden vindt dan ook wel enige steun in de feiten.

Deze overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat de versie van [gedaagde partij] , hoewel niet onmogelijk, dusdanig ongeloofwaardig is, dat het door hem ingeroepen bewijsvermoeden op basis van het partijdebat als weerlegd heeft te gelden. Dat betekent dat [gedaagde partij] nader zal moeten bewijzen dat [eisende partij] de eigendom van de auto aan hem heeft overdragen op de wijze die hij heeft geschetst.

[gedaagde partij] heeft echter geen concreet bewijsaanbod gedaan. De rechtbank begrijpt zijn proceshouding aldus dat hij meende dat aanbod niet te hoeven doen, omdat hij een beroep kon doen op de bewijsvermoedens. Dat die inschatting in dit vonnis onjuist is gebleken, is voor de rechtbank geen reden om [gedaagde partij] niet in de gelegenheid te stellen dat bewijs te leveren. De rechtbank zal [gedaagde partij] daarom ambtshalve opdragen bewijs te leveren.

Partijen moeten er rekening mee houden dat de rechtbank aansluitend aan het getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan houden om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beoordeling

De rechtbank

draagt [gedaagde partij] op te bewijzen dat hij op 16 augustus 2022 € 79.000 contant heeft betaald aan [eisende partij] , waarna [eisende partij] en hij gezamenlijk het kenteken van de auto hebben overgeschreven op naam van [gedaagde partij] , waarna [eisende partij] aan [gedaagde partij] de sleutel van de Porsche heeft overhandigd;

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 juli 2024 voor uitlating door [gedaagde partij] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat, als [gedaagde partij] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat, als [gedaagde partij] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met oktober van 2024 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Sanders en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?