RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/566975 / HL ZA 23-337
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling en mondelinge uitspraak van 8 juli 2024
in de zaak van
BORIS KENNETH FREDERIKSEN Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] ,
te [plaats] (Denemarken),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie
hierna te noemen: de Curator,
advocaten: mrs. J.L. van den Heuvel en V.G.M. Leferink,
tegen
STET HOLLAND B.V.,
te Emmeloord,
gedaagde partij in conventie,eisende partij in voorwaardelijke reconventie
hierna te noemen: Stet,
advocaten: mrs. Y.H. Talstra en J.C. van Galen.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Lelystad.
De zaak wordt behandeld door mr. C.P. Lunter, mr. M.R. van der Vos en mr. F.N. Jorritsma, rechters, en mr. K.A.M. Derksen als griffier.
Aanwezig zijn:
- mevr. [B] en mevr. [C] (namens de Curator), met mrs. Van den Heuvel en Leferink
- mevr. I.J.M. Huigens, tolk voor de Curator,
- dhr. [D] , (van Stet), met mr. Talstra.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1. De beoordeling
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van art. 4 lid 1 van de herschikte EEX-verordening (1215/2012).
De Curator vordert betaling door Stet van een bedrag van 1.235.539,27 DKR, dan wel een bedrag van € 165.606,52. Daarvoor heeft de Curator verschillende grondslagen aangevoerd, te weten: 1) onverschuldigde betaling, 2) onrechtmatige daad en 3) faillissementspauliana. Geen van deze grondslagen biedt een basis voor toewijzing van de vordering van de Curator. Daarvoor wordt het volgende overwogen.
Onverschuldigde betaling
Op dit onderdeel is Nederlands recht van toepassing.
De Curator heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door Stet niet onderbouwd dat de betaling zonder rechtsgrond is verricht. Stet heeft onderbouwd met stukken aangevoerd hoe de transacties zijn uitgevoerd. De curator heeft daar niets tegenover gesteld, behalve een gebrek aan wetenschap. Dat is onvoldoende. Het enkele feit dat door [A] ontvangen betalingen kennelijk niet een op een overeenkomen met de door [A] aan Stet betaalde bedragen, maakt nog niet dat de [A] geen betalingen heeft ontvangen ten behoeve van Stet.
Onrechtmatige daad
Op dit onderdeel is Deens recht van toepassing.
Het verwijt dat de curator Stet maakt, is dat op Stet een zorgplicht zou rusten die door Stet is geschonden. Die zorgplicht bestaat er volgens de curator uit dat Stet had moeten zorgen voor een ‘transaction trail’. Wat de grondslag is voor deze verplichting wordt niet gesteld, laat staan onderbouwd. Daarnaast heeft de curator niet duidelijk kunnen maken wat de schade is en dat deze schade, voor zover geleden, het gevolg is van het ontbreken van een transaction trail. Bovendien neemt de curator innerlijk tegenstrijdige standpunten in over de schade. Enerzijds neemt de curator het standpunt in dat er geen tegenprestatie is verricht, terwijl anderzijds de curator erkent dat [A] substantiële betalingen heeft ontvangen.
Faillissementspauliana
Op dit onderdeel is Deens recht van toepassing.
Voor het bestaan van paulianeuze transactie bestaan drie vereisten:
1. geen tegenprestatie
2 geen commerciële rechtvaardiging en
3 wetenschap van Stet dat [A] niets van waarde heeft ontvangen als tegenprestatie.
Voor zover aan de eerste twee vereisten al zou zijn voldaan, is aan het laatste vereiste niet voldaan. De curator erkent dat de mogelijkheid bestaat dat er ook legitieme transacties over de rekening van [A] zijn gegaan. Niet valt in te zien waarom de betalingen van [A] aan Stet daarvan geen deel van zouden kunnen uitmaken.
De vorderingen van de Curator worden afgewezen.
De voorwaarde voor de reconventie is niet ingetreden. De reconventie hoeft daarom niet behandeld te worden.
De Curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stet worden begroot op:
- griffierecht
€
5.737,00
- salaris advocaat
€
3.858,00
(2,00 punten × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
9.773,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van de Curator af,
veroordeelt de Curator in de proceskosten van € 9.773,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt de Curator tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald,
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad,
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. C.P. Lunter, mr. M.R. van der Vos en mr. F.N. Jorritsma en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.
de griffier
de voorzitter