RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/143619-24; 16/124762-24 (gev. ttz); 21/002791-20 (vord. tul) en 21/003138-22 (vord. tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2024
in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , thans gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
hierna: verdachte.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Rhijn, advocaat te Doorn, waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. B.H.J. van Rhijn, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
16-124762-24: op 11 april 2024 te Utrecht een of meer levensmiddelen van de Albert Heijn heeft gestolen;
16-143619-24: op 27 april 2024 te Utrecht een of meerdere flessen shampoo en/of cosmetische goederen van de Albert Heijn heeft gestolen.
3. VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dit betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om de zaak inhoudelijk te behandelen.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht beide aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
In de zaak met parketnummer 16-124762-24
Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
- Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens Albert Heijn Hondsrug te Utrecht;
- De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van
9 juli 2024.
In de zaak met parketnummer 16-143619-24
Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
- Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Albert Heijn Handelstraat te Utrecht;
- De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van
9 juli 2024.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd, op de wijze zoals hierna onder de bewezenverklaring is vermeld.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
16-124762-24
op 11 april 2024 te Utrecht levensmiddelen, die aan de Albert Heijn (vestiging te Hondsrug) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
16-143619-24
op 27 april 2024 te Utrecht meerdere flessen shampoo, die aan Albert Heijn toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten telkens op: diefstal.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) op te leggen voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie volgt hierin het advies van Tactus Verslavingszorg van 2 juli 2024. Volgens de officier van justitie is aan alle vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel voldaan en is de maatregel ook passend. De officier van justitie houdt bij haar vordering rekening met het omvangrijke strafblad en het hoge recidiverisico van verdachte, de overlast die hij met zijn delictgedrag veroorzaakt en het feit dat eerdere interventies niet hebben geholpen om de recidive van verdachte terug te dringen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vraag of aan de criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. Hij heeft wel aangevoerd dat de oplegging van de ISD-maatregel ingrijpend en in dit geval niet zinvol is, aangezien verdachte niet gemotiveerd is om zich binnen een ISD-kader te laten behandelen. Hij heeft dan ook verzocht de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel af te wijzen. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf of maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, waarbij hij voor een aanzienlijk bedrag aan goederen heeft weggenomen. Dit zijn vervelende feiten die niet alleen de betreffende supermarkten, maar ook de maatschappij veel schade en overlast opleveren. Met zijn handelswijze heeft verdachte geen respect getoond voor de eigendom van andere mensen en zich uitsluitend door zijn eigen financieel gewin laat leiden.
De persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 31 mei 2024. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren veelvuldig voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van Tactus Reclassering van 2 juli 2024, opgesteld door mevrouw [A] , reclasseringswerker. Hierin komt naar voren dat er in het leven van verdachte diverse instabiele leefgebieden zijn aan te wijzen. Verdachte ondervindt problemen bij zijn woonvoorziening, heeft geen gestructureerde en positieve dagbesteding en gaat voornamelijk om met personen die zich bezighouden met drugsgebruik. De psychische - en verslavingsproblematiek van verdachte, in combinatie met zijn houding ten opzichte daarvan, maken dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Verdachte accepteert geen hulp bij het toewerken naar abstinentie van heroïne. Hij wil verder speed blijven gebruiken. Uit het rapport van de reclassering blijkt voorts dat er in het verleden veel hulp is ingezet om gedragsverandering bij verdachte teweeg te brengen. Er is al geruime tijd sprake van een zorgmachtiging, verdachte is al langere periode bij ggz Altrecht in behandeling geweest en heeft bovendien woonbegeleiding gekregen. Ondanks al deze pogingen om het leven van verdachte te stabiliseren, is verdachte steeds opnieuw gerecidiveerd. Gelet op het voorgaande heeft de reclassering geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Behandeling in een ander kader is volgens de reclassering niet toereikend om tot eventuele gedragsverandering te komen en het recidiverisico van verdachte terug te dringen. Een ISD-maatregel maakt het mogelijk om opnieuw diagnostisch onderzoek bij verdachte te verrichten en vervolgens toe te werken naar adequate behandeling en de juiste woonvorm.
Oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan alle vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel, zoals vervat in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft oplegging van de ISD-maatregel gevorderd. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit voornoemd uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten ten minste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf. Verdachte is (onder meer) veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf door de rechtbank Midden-Nederland op 4 januari 2024 (parketnummer 16/002661-24) en door het Hof Arnhem-Leeuwarden op 25 augustus 2023 (parketnummer 21/004377-22) en op 31 mei 2022 (parketnummer 21-003541-21). De in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsbenemende straffen. Zoals blijkt uit het hiervoor besproken reclasseringsadvies, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal gaan. Tot slot eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel, gezien het aantal soortgelijke feiten dat verdachte heeft begaan, de maatschappelijke overlast die hij met deze feiten veroorzaakt en het als hoog ingeschatte recidiverisico.
Hiernaast is (ruimschoots) voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel uit de OM-richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Verdachte valt namelijk onder de definitie van een ‘stelselmatige dader.’ Hij is immers een persoon van 18 jaar of ouder, die over een periode van vijf jaar processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijfeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.
Concluderend voldoet verdachte zowel aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel als aan de beleidslijn die het Openbaar Ministerie hanteert voor het vorderen van de ISD-maatregel.
Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij gemotiveerd is om zelfstandig zijn leven te beteren en dat hij ook al enkele stappen in de juiste richting heeft gezet. Zo is hij in het huidige voorarrest op eigen kracht gestopt met het gebruik van heroïne. Zijn leven werd voorheen bemoeilijkt omdat hij een groot deel van zijn gebit miste, maar inmiddels heeft verdachte een kunstgebit. Verdachte zegt ook hulp te hebben ingeschakeld voor het verkrijgen van een rijbewijs, een andere woning en een baan. De rechtbank stelt vast dat door of namens de verdachte geen stukken zijn overlegd waaruit de gestelde inspanningen blijken. De rechtbank is van oordeel dat deze inspanningen ook niet voldoende waarborg tegen het voorkomen van delictgedrag bieden. Het uitgebreide strafblad van verdachte en het reclasseringsrapport schetsen een beeld van een hardnekkig en door verslavingen gevoed delictpatroon. Ook ná het verkrijgen van het kunstgebit is verdachte meermaals teruggevallen in heroïnegebruik. Daarnaast ziet verdachte niet de noodzaak om te stoppen met het gebruik van speed. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank in de door verdachte gestelde inspanningen onvoldoende aanleiding om van het opleggen van de ISD-maatregel af te zien. Zonder klinische behandeling en begeleiding in een langdurig en gedwongen kader, kan het risico op recidive en maatschappelijke overlast onvoldoende worden teruggedrongen. De vele (voorwaardelijke) straffen die eerder aan verdachte zijn opgelegd en de hulpverlening die hem in diverse kaders is geboden, zijn immers niet doeltreffend gebleken om het gedrag van verdachte te veranderen.
Alles afwegende sluit de rechtbank zich aan bij het advies van de reclassering en de vordering van de officier van justitie en acht zij oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden. Met de ISD-maatregel wordt enerzijds de maatschappij beschermd tegen de overlast die verdachte veroorzaakt door het plegen van strafbare feiten. Anderzijds wordt binnen de maatregel geprobeerd een bijdrage te leveren aan de oplossing van de problematiek van verdachte.
Ter optimale bescherming van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte, maar ook om een intensief en langdurig behandeltraject mogelijk te maken, is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
9. VORDERINGEN TOT TENUITVOERLEGGING
Op 10 november 2021 (parketnummer: 21/002791-20) is verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd van deze veroordeling is ingegaan op 25 november 2021.
Op 28 juli 2023 (parketnummer: 21/003138-22) is verdachte door hetzelfde gerechtshof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd van deze veroordeling is ingegaan op 16 januari 2024.
De officier van justitie heeft verzocht om beide voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen ten uitvoer te leggen. De raadsman heeft verzocht om de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft de algemene voorwaarde overtreden door zich binnen de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Gelet hierop kunnen beide vorderingen tot tenuitvoerlegging in beginsel worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat zij de tenuitvoerlegging van deze straffen niet opportuun acht gelet op de ISD-maatregel die in dit vonnis aan verdachte wordt opgelegd.
10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
11. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21/002791-20;
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21/003138-22.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. N.M.H. van Ek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Mol en mr. N.W. Hekker, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juli 2024.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
16-124762-24
hij op of omstreeks 11 april 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
een of meer levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
de Albert Heijn (vestiging te hondsrug), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
16-143619-24
hij op of omstreeks 27 april 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
een of meerdere flessen shampoo en/of cosmetische goederen, in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen