RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11356156 LC EXPL 24-2651 CD/942
Verstekvonnis van 30 april 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
Billink B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen:
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
De eisende partij heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde partij. De gedaagde partij heeft niet (op tijd) op de vordering gereageerd en ook geen uitstel gevraagd om op een later moment te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
Vervolgens heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen, waarna de eisende partij een akte met daarin een nadere toelichting in het geding heeft gebracht. Daarop volgt nu dit vonnis.
2. Waar gaat deze procedure over?
De gedaagde partij heeft in de webwinkel Proforto verschillende zaken gekocht, voor een totaalbedrag van € 346,47. De gedaagde partij heeft daarbij gekozen voor de aangeboden mogelijkheid van uitgestelde betaling aan de eisende partij. Om van die mogelijkheid gebruik te kunnen maken moest de gedaagde partij bovenop de koopprijs € 4,82 aan betaalkosten betalen. Vervolgens heeft de gedaagde partij enkele zaken geretourneerd. De resterende zaken, ter waarde van in totaal € 260,35, heeft zij niet (volledig) betaald. Op enig moment is een betalingsregeling afgesproken, maar nadat de gedaagde partij € 70,00 had betaald, is zij opgehouden met aflossen. Nu staat nog € 190,35 open (met daarbovenop nog € 4,82 aan betaalkosten).
De eisende partij vordert nu het openstaande bedrag, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
3. Wat aan dit vonnis vooraf ging
De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 27 november 2024, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBMNE:2024:7627. Daarin is de eisende partij in de gelegenheid gesteld te onderbouwen of het in deze procedure gesloten krediet al dan niet onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt.
In haar akte heeft de eisende partij gesteld dat het in deze zaak gesloten krediet volgens haar inderdaad onder de genoemde uitzondering valt. Zij heeft toegelicht dat haar verdienmodel is gebaseerd op de vergoeding die zij ontvangt van winkeliers die de mogelijkheid om uitgesteld te betalen aanbieden aan consumenten en niet op niet-nakomingsanticipatie. De eisende partij heeft hieraan toegevoegd dat zij consumenten juist ruimschoots in de gelegenheid stelt om hun betalingsverplichting zonder rente of kosten na te komen: ze stuurt diverse herinneringen, ook per e-mail en sms. Als dat niet leidt tot betaling, brengt zij stapsgewijs incassokosten tot een bedrag van € 40,00 in rekening en uiteindelijk, na inschakeling van een incassobureau, ook rente. Als de eisende partij haar verdienmodel had willen maken van de wanbetaling, zou zij naar eigen zeggen zo snel mogelijk de maximale bedragen aan kosten en rente aan de consument in rekening brengen. Volgens de eisende partij zijn haar incassowerkzaamheden niet kostendekkend. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft zij onder meer correspondentie tussen haar en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) in het geding gebracht en accountantsstukken.
4. De nadere beoordeling door de kantonrechter
Geoordeeld wordt dat de eisende partij in haar akte en alle daarbij gevoegde producties voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de bedongen rente en incassokosten geen deel uitmaken van haar verdienmodel. Die rente en incassokosten zijn dus geen kredietkosten.
Dat laat echter onverlet dat (naast rente en incassokosten) ook betaalkosten aan de gedaagde partij in rekening zijn gebracht. Weliswaar zijn die niet door de eisende partij bedongen, maar ze waren de eisende partij wel bekend (ze zijn immers vermeld op de door de eisende partij verzonden facturen). Daarom moeten deze betaalkosten wél worden beschouwd als kredietkosten.
De betaalkosten komen overeen met 1,39% van de (oorspronkelijke) koopprijs (vóór de gedeeltelijke retournering). De gedaagde partij moest dus 1,39% extra betalen om twee weken betalingsuitstel te verkrijgen. De kantonrechter is, net als de AFM, van oordeel dat dit percentage de betaalkosten meer dan onbetekenend maakt.
Als gevolg daarvan kan toch niet worden geoordeeld dat het in deze zaak gesloten krediet onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW valt. Het krediet moet worden beschouwd als een ‘gewone’ consumentenkredietovereenkomst als bedoeld in titel 2A van boek 7 BW.
De kantonrechter moet bij de beoordeling van de vordering die zijn grondslag vindt in deze consumentenkredietovereenkomst, ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook zonder dat de gedaagde partij daar om vraagt) toetsen of een aantal belangrijke consumentenbeschermende bepalingen is nageleefd. Met name moet worden getoetst of de nodige informatie aan de gedaagde partij is verstrekt, als bedoeld in de artikelen 7:60 en 7:61 BW, en of is gecontroleerd of de consument wel voldoende draagkracht heeft om het krediet terug te kunnen betalen, als bedoeld in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Als dat niet is gebeurd, of als er onvoldoende informatie is gegeven om dit te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. In de regel moet dan (een deel van) de vordering worden afgewezen.
In het tussenvonnis is er op gewezen dat de eisende partij de kantonrechter van voldoende informatie moet voorzien om de noodzakelijke toets uit te kunnen voeren. De eisende partij heeft die informatie echter niet of onvoldoende verstrekt. Om die reden kan niet worden getoetst of de consumentenbeschermende bepalingen van de artikelen 7:60 en 7:61 BW en/of van artikel 4:34 Wft zijn nageleefd.
De genoemde consumentenbeschermende bepalingen zijn bepalingen met een Europese oorsprong, die in ons nationale recht zijn geïmplementeerd. Zij moeten gelijk worden gesteld aan bepalingen die naar nationaal recht van openbare orde zijn. Als dergelijke bepalingen niet zijn nageleefd (of als dat, zoals in dit geval, niet kan worden vastgesteld), is niet voldaan aan een regel van openbare orde en moet de overeenkomst worden vernietigd op grond van artikel 3:40 lid 1 BW.
De kantonrechter vernietigt daarom de consumentenkredietovereenkomst. Als gevolg daarvan hoeft de gedaagde partij geen rente, geen vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en geen betaalkosten te betalen. Die zijn immers bedongen in, of hangen samen met, de kredietovereenkomst die is vernietigd en dus niet meer bestaat.
Met betrekking tot de gevorderde (resterende) koopprijs is relevant dat naast de vernietigde consumentenkredietovereenkomst óók een consumentenkoopovereenkomst is gesloten (tussen de gedaagde partij en de verkoper, die zijn vordering op de gedaagde partij heeft overgedragen aan de eisende partij). Ook op die koopovereenkomst zijn informatieplichten van toepassing, waarvan de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of die zijn nageleefd. In deze procedure, waarin de koopovereenkomst online is gesloten, gaat het om de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW.
De kantonrechter constateert dat de meeste essentieel geachte informatieplichten zijn nageleefd, op één na. De verkoper heeft gemeend aan de informatieplicht met betrekking tot het herroepingsrecht te voldoen door die informatie op te nemen in de algemene voorwaarden. Dat mag, maar dan moet een consument wel op actieve wijze zijn goedkeuring aan die algemene voorwaarden verlenen door een daartoe bestemde vakje aan te vinken. Ook moet die informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze ter kennis van de consument worden gebracht. In dit geval heeft de verkoper boven de zogenoemde bestelknop vermeld ‘door verder te gaan ben je akkoord met onze algemene voorwaarden’ (met een link naar de online vindplaats van die algemene voorwaarden). De gedaagde partij heeft géén vinkje hoeven te zetten en hij is er ook niet op gewezen dat in die algemene voorwaarden informatie stond over zijn herroepingsrecht. Aldus is niet voldaan aan de informatieplicht van artikel 6:230m lid 1 onder h BW.
Daar moet de kantonrechter ambtshalve consequenties aan verbinden. Onder verwijzing naar de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten vermindert hij de betalingsverplichting van de gedaagde partij met 20%. De gedaagde partij heeft voor € 260,35 zaken gekocht, ontvangen en gehouden. Daarvan is zij door ambtshalve sanctionering slechts 80% verschuldigd, dat wil zeggen € 208,28. Zij heeft al € 70,00 betaald, zodat (€ 208,28 -/- € 70,00 =) € 138,28 toewijsbaar is.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 113,54
- griffierecht € 130,00
- salaris gemachtigde € 40,00 (1 punt x tarief € 40,00)
- nakosten € 20,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 303,54.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting € 138,28 aan de eisende partij te betalen;
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 303,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 april 2025.