[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: R. van den Brink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Het Uwv heeft de aanvraag met het besluit van 25 januari 2023 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 31 juli 2023 is het Uwv bij de afwijzing van de WW-uitkering gebleven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 tijdens een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door mevrouw [A] , en de gemachtigde van het Uwv.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. De rechtbank heeft ook de verlengde termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk op 14 februari 2025 uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht een WW-uitkering aan eiseres heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Waar gaat het geschil over?
3. Eiseres werkte vanaf 2015 als zorgverlener voor haar moeder, die houder was van een persoonsgebonden budget. Eiseres verleende de zorg op basis van een zogenoemde ‘zorgovereenkomst met partner of familielid’. In de zorgovereenkomst is vastgelegd dat eiseres een werkweek heeft van 13 uur tegen betaling van een bedrag van € 1.056,- bruto, inclusief vakantiegeld. In de praktijk is het aantal uren dat eiseres voor haar moeder zorgde in de loop der jaren steeds verder uitgebreid. Eiseres heeft verklaard dat zij op een gegeven moment 24 uur per dag voor haar moeder zorgde, tot aan haar overlijden op [overlijdensdatum] 2022. Na het overlijden van haar moeder heeft eiseres op 2 januari 2023 een WW-uitkering aangevraagd.
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering, omdat zij geen werknemer is in de zin van de WW. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW, wordt eiseres aangemerkt als ‘werknemer’ als zij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot haar moeder, de budgethouder. Volgens vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Voor de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet de vraag worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband worden bekeken.
Verder moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van hun rechtsverhouding voor ogen hadden, maar moet acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden om de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt vast, dat er voor eiseres een verplichting bestond tot het persoonlijk verrichten van arbeid en dat zij daarvoor loon ontving. Ter discussie staat of er ook sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder. Dat is, kort gezegd, het geval als de moeder van eiseres de bevoegdheid had om aanwijzingen en instructies aan eiseres te geven over de manier waarop de zorg werd uitgevoerd.
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat hiervan geen sprake was. Eiseres kon niet op haar handelingen aangesproken worden. Er was niet iemand die aanwijzingen gaf, kon zeggen dat de zorgverlening op een andere manier moest plaatsvinden en dat ze anders zou worden ontslagen. Daarin speelt ook mee dat haar moeder in 2015 dusdanig was verslechterd dat eiseres als wettelijk vertegenwoordigster was aangewezen. Zij verleende dus zorg en tegelijkertijd was zij wettelijk vertegenwoordiger. In zo’n situatie is er geen sprake meer van een normale gezagsverhouding, omdat eiseres namens haar moeder feitelijk geen gezag kan uitoefenen over zichzelf en zichzelf ook niet zal ontslaan bij het gebrekkig verrichten van de arbeid. Het zou volgens het Uwv anders zijn geweest als iemand van buiten de familie als wettelijk vertegenwoordiger zou zijn aangewezen.
Eiseres is het niet eens met het standpunt van het Uwv. Zij vindt dat er wel sprake was van een gezagsverhouding en heeft dit tijdens de zitting nader toegelicht. Ze heeft onder meer verklaard dat haar werk duidelijk werd begeleid, gecorrigeerd en geëvalueerd door de huisarts en de professionele zorgverleners van Axxion Continu, Altrecht en Stichting Mae. Ze was hiervan afhankelijk omdat ze anders niet wist hoe ze bepaalde zorghandelingen moest verrichten. Ze kreeg ook aanwijzingen van de huisarts over de wijze waarop ze zorghandelingen bij haar moeder moest verrichten. Dagelijks werden hierover gesprekken met haar gevoerd.
Wat vindt de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat het bestaan van een familierelatie, zoals bij eiseres en haar moeder, niet per definitie betekent dat geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of aangenomen kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van degene met wie de overeenkomst is aangegaan, dat diegene bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk.
De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen sprake was van een gezagsverhouding, omdat niet is gebleken van een (wezenlijke) aanwijzings- of instructiebevoegdheid door of namens de moeder van eiseres. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
Uit de zorgovereenkomst blijkt niet dat partijen een vorm van ondergeschiktheid beoogden
5. In de zorgovereenkomst is opgenomen dat eiseres een vast aantal uren werkt, tegen een vast bedrag per maand en dat zij vier of meer dagen per week werkt. Verder staat er dat eiseres op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag 3 uur en 15 minuten werkt. Niets is echter bepaald over werktijden. Eiseres mocht dus zelf haar werktijden bepalen. Dat is een aanwijzing dat geen sprake was van een gezagsverhouding.
In de zorgovereenkomst is verder vastgelegd dat eiseres vakantietoeslag krijgt, maar over andere essentiële onderwerpen die in een normale arbeidsovereenkomst gebruikelijk zijn, zoals vakantiedagen, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof, zijn geen afspraken gemaakt.
Moeder kon eiseres zelf geen instructies geven
Vanwege de aard van haar klachten was de moeder van eiseres ook niet in staat om instructies te geven. Bij aanvang van de zorg liet de moeder van eiseres weten welke zorg eerst moest worden verleend en in welke volgorde, maar dat kan niet worden beschouwd als het geven van instructies over de manier waarop de zorg moest worden uitgevoerd. Op een gegeven moment is de situatie van de moeder verder verslechterd en is eiseres wettelijk vertegenwoordiger van haar moeder geworden. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat in deze situatie geen sprake meer is van een normale gezagsverhouding.
De betrokken professionele zorgverleners waren niet bevoegd om instructies te geven namens de moeder van eiseres
Eiseres werd bij haar zorgtaken weliswaar ondersteund door de huisarts en de professionele zorgverleners van Axxion Continu, Altrecht, en de Stichting Mae. Axxion Continu en de huisarts voerden ook de kwaliteitscontroles uit en indien nodig kreeg zij tips om de zorg verder te verbeteren. Maar het is niet gebleken dat deze zorgverleners de taak hadden om namens de moeder van eiseres bindende aanwijzingen te geven over de manier waarop de zorgtaken verricht moesten worden.
Eiseres kan niet worden vergeleken met een normale werknemer
Eiseres heeft verklaard dat zij op een gegeven moment 24 uur per dag en 7 dagen per week voor haar moeder zorgde. Zij was verantwoordelijk voor de contacten met de artsen en de medicatie en moest overal mee naartoe. Haar hele leven stond in het teken van haar moeder. Deze omstandigheden zijn niet vergelijkbaar met de omstandigheden waaronder een professionele zorgverlener zijn of haar werkzaamheden zou hebben verricht.
Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres niet kan worden vergeleken met een normale werknemer. Zowel uit de bedoeling van partijen, de inhoud van de zorgovereenkomst als uit de wijze waarop eiseres en haar moeder daaraan uitvoering hebben gegeven, blijkt dat de rechtsverhouding tussen eiseres en haar moeder in overwegende mate werd beheerst door hun familieverhouding. Met name omdat niet is gebleken van (wezenlijke) aanwijzing- of instructiebevoegdheid door of namens de moeder van eiseres is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een gezagsverhouding en kan niet worden geoordeeld dat eiseres “in dienst van” haar moeder was. De zorg die eiseres aan haar moeder heeft verleend, is niet aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de WW.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep van toepassing?
6. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 30 maart 2023 heeft geoordeeld dat artikel 6, eerste lid, onder c, van de WW niet toegepast mag worden op de dienstverlener die vanuit een persoonsgebonden budget wordt betaald (zoals eiseres). In het genoemde artikelonderdeel is bepaald dat de arbeidsverhouding van iemand die doorgaans voor minder dan vier uur per week als huishoudelijke hulp of als zorgverlener voor een natuurlijk persoon werkt, niet wordt aangemerkt als een dienstbetrekking. Het Uwv heeft dit artikel niet toegepast, zodat deze rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep hier niet van toepassing is.
Conclusie
7. Eiseres komt niet in aanmerking voor een WW-uitkering. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat dat voor eiseres oneerlijk voelt, maar de rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om voor haar een uitzondering te maken op de wettelijke bepalingen. De rechtbank is ermee bekend dat er in de maatschappij discussie is over de vraag of het wenselijk is dat familieleden die zorg verlenen aan een pgb-houder niet in alle gevallen in aanmerking komen voor een WW-uitkering, maar dat is een keuze geweest van de wetgever. Het is aan de wetgever om dit desgewenst te veranderen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. E.M. van der Linde, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.