ECLI:NL:RBMNE:2025:4286

ECLI:NL:RBMNE:2025:4286, Rechtbank Midden-Nederland, 25-04-2025, C/16/581704 / FO RK 24-1158

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-04-2025
Datum publicatie 02-09-2025
Zaaknummer C/16/581704 / FO RK 24-1158
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2025:8161
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656 CELEX:32019R1111 EU:32019R1111

Samenvatting

Bevoegdheid Nederlandse rechtbank, geen gewone verblijfplaats, afwijzing eenhoofdig gezag.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/581704 / FO RK 24-1158

Gezag

Beschikking van 25 april 2025

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,

tegen

[de moeder] ,

Zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: de moeder.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 25 september 2024;

het bericht van de vader van 10 december 2024.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 28 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:

de vader en zijn advocaat;

[A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De moeder is niet verschenen. Zij heeft wel een uitnodiging van de rechtbank gekregen via de Staatscourant van [.] (Nr. [..] ) en via e-mail.

De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige (voornaam)] , de zoon van de ouders, niet gevraagd wat hij van het verzoek vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2. Waar de procedure over gaat

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

Zij hebben samen een kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .

Volgens de Basisregistratie Personen (BRP) staat [minderjarige (voornaam)] sinds 18 december 2023 niet meer op een woon- of briefadres in Nederland ingeschreven.

Het Gerechtshof ’s Hertogenbosch heeft bij beschikking van 23 mei 2024 de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem nemen.

De rechtbank Limburg, locatie Roermond heeft bij beschikking van 18 juli 2024 beslist dat [minderjarige (voornaam)] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader, waarbij de moeder het bevel heeft gekregen om de [minderjarige (voornaam)] aan de vader af te geven.

De vader verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag van de moeder en de vader te beëindigen en te bepalen dat aan de vader voortaan het eenhoofdig gezag over [minderjarige (voornaam)] toekomt.

3. De beoordeling

Bevoegdheid van de Nederlandse rechter

Uit de BRP blijkt dat de [minderjarige (voornaam)] en de moeder sinds 18 december 2023 niet meer zijn inschreven op een woon- of briefadres in Nederland, maar dat zij zijn geregistreerd als geëmigreerd naar het buitenland. Door deze omstandigheid moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

Op grond van artikel 7 van de EU-verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-ter) is de rechtbank van de EU-lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] niet in Nederland is en dat het onduidelijk is waar zijn gewone verblijfplaats dan wel is. Op basis van de beschikbare informatie gaat de rechtbank er vooralsnog vanuit dat [minderjarige (voornaam)] zich al meer dan een jaar niet meer in Nederland bevindt. Het kan zijn dat [minderjarige (voornaam)] op dit moment in Australië verblijft, zoals de vader vermoedt, maar dat is niet zeker. Behalve de uitschrijving in de BRP is er nauwelijks informatie over de verblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] voorhanden. De Centrale Autoriteit van Nederland heeft tot op heden geen beschikbare informatie waaruit blijkt dat [minderjarige (voornaam)] en/of de moeder zijn ingeschreven of verblijven op een adres in een ander land. De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat de Centrale Autoriteit alleen heeft medegedeeld dat er vluchtgegevens zijn waaruit blijkt dat de moeder op enig moment in België in het vliegtuig is gestapt naar Australië. Het is niet bekend welke vlucht dit was en naar welk vliegveld in Australië de moeder is gevlogen. Daarnaast zijn er geen enkele aanknopingspunten waar de moeder en [minderjarige (voornaam)] sindsdien hebben verbleven en of zij daarna eventueel naar een ander land zijn doorgereisd. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld welke nationale rechter op grond van [minderjarige (voornaam)] ’s gewone verblijfplaats bevoegd zou zijn om over het verzoek van de vader te oordelen.

Op grond van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter, ondanks dat het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, bevoegd in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, in het uitzonderlijke geval dat de rechter zich wel in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen vanwege de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland.

De rechtbank oordeelt dat hier in dit geval sprake van is en dat de Nederlandse rechter de meest aangewezen rechter is om zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffende [minderjarige (voornaam)] in behandeling te nemen. De rechtbank overweegt dat in elk geval tot december 2023 het leven van [minderjarige (voornaam)] verbonden was met Nederland. [minderjarige (voornaam)] is in Nederland geboren, heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft tot het vertrek samen met de moeder en zijn halfzusje in Nederland gewoond. Daarnaast hebben de ouders van [minderjarige (voornaam)] de Nederlandse nationaliteit en spreken zij de Nederlandse taal. Bovendien was er op het moment dat de moeder met [minderjarige (voornaam)] naar een onbekende bestemming vertrok, nog een procedure tussen de ouders aanhangig over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] .

De rechtbank merkt tenslotte op dat het betoog van de vader dat er sprake is geweest van ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige (voornaam)] naar een ander land, geen doel treft. De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij in oktober 2023 voor het laatst contact heeft gehad met [minderjarige (voornaam)] en dat de moeder en [minderjarige (voornaam)] daarna het land hebben verlaten. Daarnaast blijkt uit de BRP dat [minderjarige (voornaam)] in december 2023 is uitgeschreven wegens emigratie. Vaststaat dat de moeder in de periode tussen oktober en december 2023 als enige het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] had en dus bevoegd was zich met hem te vestigen in een ander land. De vader heeft naderhand bij beslissing van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch van 23 mei 2024 het ouderlijk gezag verkregen, waardoor van ongeoorloofde overbrenging voorafgaand aan die datum geen sprake kan zijn geweest.

Eenhoofdig gezag

De vader verzoekt de rechtbank om het gezamenlijke gezag van de ouders te beëindigen en de vader voortaan alleen met het gezag te belasten. De rechtbank zal dit verzoek van de vader afwijzen. Deze beslissing legt de rechtbank hierna uit.

In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Bij beschikking van 23 mei 2024 heeft het Gerechtshof ’s Hertogenbosch bepaald dat het gezag over [minderjarige (voornaam)] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt, om zo het recht op family life tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] te kunnen verwezenlijken. Op het moment dat deze beschikking werd gegeven was de verblijfplaats van de moeder en [minderjarige (voornaam)] al meerdere maanden niet bekend en was er ook al maanden geen contact meer geweest tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] of de ouders onderling. Sinds de vader is belast met het ouderlijk gezag is de situatie op dat vlak onveranderd. De vader heeft niet aannemelijk gemaakt dat sindsdien sprake is van een wijziging van omstandigheden. Evenmin heeft de vader aannemelijk gemaakt dat bij de bestreden beschikking is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, nu zulks niet is gesteld noch gebleken.

De rechtbank betrekt bij haar beslissing ook nog het volgende. De rechtbank begrijpt de onmacht en frustratie van de vader, omdat de moeder vanaf het begin al geen uitvoering heeft gegeven aan de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling en zonder voorafgaand bericht met [minderjarige (voornaam)] is geëmigreerd naar een onbekende bestemming. Hiermee handelt de moeder niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] en ontneemt zij hem de mogelijkheid tot contact met de vader. De rechtbank begrijpt dan ook dat de vader alles aangrijpt om [minderjarige (voornaam)] terug te krijgen naar Nederland. Door toewijzing van het verzoek van de vader zou er echter geen volwassene meer zijn om belangrijke beslissingen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige (voornaam)] te nemen. De vader zit in Nederland en heeft geen contact met de moeder en [minderjarige (voornaam)] , waardoor hij feitelijk niet in staat is om het gezag over [minderjarige (voornaam)] uit te oefenen. Net als de Raad, acht de rechtbank dit niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] . Daarbij heeft de vader tijdens de zitting aangegeven dat de vertaling van de beschikking, waarin de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] bij de vader is bepaald, recent naar de Australische rechtbank is verstuurd. Hiermee heeft de vader dus (hopelijk) al een pressiemiddel om de Australische autoriteiten, danwel de autoriteiten van een ander land waar de moeder en [minderjarige (voornaam)] zich eventueel bevinden, te bewegen tot actie. Ook het betoog van de vader dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd zodat het voor haar onmogelijk zal zijn om een Australisch visum voor [minderjarige (voornaam)] aan te vragen, leidt niet tot een ander oordeel. Het is niet uit te sluiten dat de moeder en [minderjarige (voornaam)] naar een ander land zullen reizen of inmiddels al in een ander land verblijven, waardoor de beëindiging van het gezag mogelijk niet het beoogde effect zal hebben. De rechtbank is van oordeel dat een beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag een te vergaande beslissing is om te baseren op onzekerheden en vermoedens. Dit is niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] .

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vader af;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A. Witten, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. P. S. Bamberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P. S. Bamberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/497 FJR 2026/9.20
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?