ECLI:NL:RBMNE:2025:4930

ECLI:NL:RBMNE:2025:4930, Rechtbank Midden-Nederland, 17-09-2025, UTR 24/4091

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 17-09-2025
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer UTR 24/4091
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister heeft mogen aannemen dat er geen sprake is van een opeisbare vordering. Het beroep op de hardheidsclasule slaagt niet.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),

en

De Minister van Financiën, T.a.v. de Programmadirecteur Schulden

(gemachtigde: mr. S. Salhi).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van de minister om de door eiseres opgegeven private schuld over te nemen.

De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 april 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2024 op zitting behandeld en direct mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister eiseres dient te horen en uiterlijk op 8 maart 2024 een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen.

De minister heeft eiseres op 31 januari 2024 gehoord. Eiseres heeft ingestemd met een verlengde beslistermijn tot 18 maart 2024.

De minister heeft op 18 maart 2024 opnieuw beslist en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 18 maart 2024 en de minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de minister.

Ter zitting is besproken dat eiseres en de minister in verband met het beroep op de hardheidsclausule een nadere toelichting zullen geven ten aanzien van de draagkracht van eiseres. Eiseres heeft daartoe op 25 maart 2025 aanvullende stukken aan verweerder overgelegd. De minister heeft daarop op 27 maart 2025 een schriftelijke reactie gegeven. Eiseres is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en heeft dat op 25 april 2025 gedaan. De rechtbank heeft op 24 juni 2025 het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag tot overname van de schulden van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Waar gaat de zaak over ?

4. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Dienst Toeslagen langdurig in grote financiële problemen en onzekerheid gebracht. Zij hebben (financiële) schade geleden en zijn aangetast in hun rechtsgevoel. De regering heeft hiervoor excuses aangeboden en wil de problemen van gedupeerde ouders oplossen.

5. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is de overname van opeisbare achterstanden van private schulden van gedupeerde ouders door de overheid. Het overnemen van private schulden wordt namens de minister uitgevoerd door uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden, die gold vanaf 29 oktober 2021. De regeling is daarna opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze wet is in het najaar van 2022 in werking getreden en vervangt alle eerdere regelingen van de hersteloperatie.

6. Op grond van artikel4.1, tweede lid, van de Wht neemt de minister op aanvraag de geldschulden en kosten over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel indien deze:

- zijn ontstaan na 31 december 2005 (sub a);

- voor 1 juni 2021 opeisbaar waren (sub b); en

- niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan (sub c).

In artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht is bepaald dat hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.

Wat heeft de minister beslist ?

7. Eiseres is een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een private schuld/krediet bij [bedrijf] referentienummer [referentienummer] .

8. De minister heeft dit geweigerd. In het primaire besluit heeft de minister als weigeringsgrond opgenomen code 4: “Deze schuld is een financieel product van bijvoorbeeld een bank. Wij betalen alleen het deel van uw betalingsachterstand af mits deze achterstand is ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.”

9. In het bestreden besluit is de minister bij zijn besluit gebleven, omdat de schuld die eiseres bij [bedrijf] heeft niet voldoet aan de voorwaarde dat het moet gaan om een geldschuld die voor 1 juni 2021 opeisbaar was.

Het geschil tussen partijen

Motiveringsgebrek

10. Eiseres voert ten eerste aan dat er sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. De afwijzingscode 4 in het primaire besluit is onduidelijk en de minister heeft ook in het bestreden besluit niet duidelijk gemotiveerd hoe de code is toegepast op onderhavige schuld. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel.

11. De rechtbank is van oordeel dat het enkel verwijzen naar een code in een bijlage bij het primaire besluit weliswaar beperkt is, maar niet onduidelijk, nu in de bijlage de betekenis van de code is uitgelegd. Om die reden kan niet worden gesproken over een motiveringsgebrek. Daar komt bij dat in het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om overname van de schuld nader is gemotiveerd, en is uitgelegd dat nu het krediet niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was, deze niet aan de van toepassing zijnde voorwaarde voor overname voldoet. Op 12 mei 2022 heeft [bedrijf] namelijk geïnformeerd dat het saldo van de lening niet opeisbaar is gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.

Opeisbaarheid

12. Ten tweede voert eiseres aan dat de schuld wel voldoet aan de vereisten voor overname. Zij is het krediet aangegaan in de periode na 31 december 2005, en de schuld en verschuldigde rente zijn weldegelijk opeisbaar geworden voor 1 juni 2021. Eiseres heeft namelijk door de gevolgen van de toeslagenaffaire het krediet bij [bedrijf] moeten aangaan. Eiseres had destijds schulden (vaste lasten) die opeisbaar waren en die heeft zij met dit krediet moeten herfinancieren. De stelling van de minister dat geen sprake is van opeisbaarheid is daarom niet juist en de uitleg van de minister van het begrip opeisbaarheid is een te beperkte taalkundige uitleg. Eiseres heeft haar uiterste best gedaan om niet verder in de schulden te komen en heeft daarom haar toentertijd opeisbare schulden omgezet in onderhavig krediet. Eiseres wordt nu gestraft, omdat zij zich als een goed schuldenaar heeft gedragen door de maandelijkse rente en aflossing te betalen. Eiseres dient ruimhartig gecompenseerd te worden, zodat ze schuldenvrij kan zijn. Ook moet de afbetaalde rente worden meegenomen in de beoordeling van haar aanvraag. Verder kan de systematiek van een krediet niet vergeleken worden met een reguliere schuld. Daar moet de minister rekening mee houden.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van opeisbaarheid genoemd in artikel 4.1. van de Wht. Gezien de e-mail van 12 mei 2022 van [bedrijf] was er geen sprake van opeisbaarheid van het onderhavige krediet; er was geen sprake van een betalingsachterstand over de periode voorafgaande aan 1 juni 2021. De door eiseres overgelegde brief van 21 januari 2021 (bijlage 5 van de nadere stukken) waaruit blijkt dat er toentertijd een betalingsachterstand was van € 69,40 maakt dit niet anders. Deze achterstand is kennelijk voldaan, getuige voornoemde e-mail van 12 mei 2022, en dus niet meer aanwezig op het moment van het doen van de aanvraag. Dit wordt ook onderstreept door de brief aan eiseres zelf van 10 oktober 2023 (bijlage 5 van de nadere stukken) waarin staat opgenomen dat er nooit sprake is geweest van het opeisbaar zijn van de hoofdsom van dit krediet, omdat er geen sprake is geweest van een betalingsachterstand. De minister heeft daarom mogen aannemen dat er geen sprake is van een opeisbare vordering. Feit dat sprake is van een situatie van herfinanciering maakt dit niet anders.

Rechtsongelijkheid en uitspraak Rechtbank Rotterdam

14. Ten derde voert eiseres aan dat er sprake is van rechtsongelijkheid. De uitleg van de minister over het doel van de Wht strookt niet met het daadwerkelijke doel en de strekking van de Wht. Eiseres begrijpt niet dat de minister schulden afwijst die voortvloeien uit het toeslagenschandaal, met als overweging dat het niet het doel van de Wht is om mensen volledig schulden vrij te maken. Daarbij komt dat de minister zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen en indirecte discriminatie. Dit is niet verdisconteerd in de Wht, zodat een leemte is ontstaan in de wet. De minister moet die leemte opvullen en recht doen aan de ontstane situatie van eiseres. Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3475.

15. Deze grond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Zoals uit rechtspraak van de Afdeling blijkt is de Wht een wet in formele zin. Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Wht, waarin de voorwaarde is opgenomen dat een schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021, valt dus onder het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Dat betekent dat de Afdeling artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Wht in beginsel niet mag toetsen aan het gelijkheidsbeginsel.

16. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt verder dat er ondanks dit toetsingsverbod soms toch ruimte is om tot een andere uitkomst te komen dan waar de toepassing van een wettelijke bepaling toe leidt. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.

17. Echter, zoals in voornoemde uitspraken ook wordt overwogen, blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wht dat het een bewuste en gemotiveerde keuze van de wetgever is geweest om alleen die schulden voor overname in aanmerking te laten komen die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, en dat de wetgever heeft voorzien dat daardoor niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren door de gevolgen van de kinderopvangtoeslagenproblematiek met deze schuldenregeling van hun schulden afkomen. Daaronder kunnen ook ouders vallen die onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van achterstanden en schulden te voorkomen en die het als gevolg van de toeslagenproblematiek financieel moeilijk hebben.

18. Nu de wetgever de gevolgen van de toepassing van het vereiste van opeisbaarheid heeft bedoeld en voorzien, betekent dit dat de bestuursrechter niet de ruimte heeft om te oordelen dat de voorwaarde van opeisbaarheid voor overname van een private schuld zozeer in strijd komen met het gelijkheidsbeginsel, dat deze in de wet opgenomen voorwaarden in dit geval niet toegepast moeten worden.

19. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Die uitspraak betreft een civiele vordering op grond van onrechtmatige daad, en ziet daarmee – ook al ging het in die uitspraak ook om gedupeerden van de toeslagaffaire - op een ander toetsingskader dan hier aan de orde.

De hardheidsclausule

20. Eiseres doet tot slot een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht. Zij is van mening dat de minister deze ten onrechte niet heeft toegepast.

21. De rechtbank is van oordeel dat de minister in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule, en legt dat hieronder uit.

22. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.

23. Uit de reeds aangehaalde uitspraken van de Afdeling volgt dat de hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.

24. Nu zoals hiervoor overwogen uit de memorie van toelichting van de Wht blijkt dat de voorwaarde dat de schuld opeisbaar moet zijn, welbewust in de regeling is opgenomen en dat het doel van de regeling voor het overnemen voor private schulden is om alleen openstaande betalingsachterstanden op geldschulden over te nemen om zo problematische situaties met schuldeisers te voorkomen, en dus niet om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen, is de regeling niet van toepassing op een situatie zoals die van eiseres, waarbij er geen sprake is van een betalingsachterstand. Dit ook niet indien en voor zover het feit dat er geen betalingsachterstand is - zoals eiseres stelt - het gevolg is van een herfinanciering van eerdere wel opeisbare schulden. De minister heeft daarom in de hiervoor genoemde omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen reden hoeven zien om onevenredige hardheid aan te nemen.

25. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister ook anderszins geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.

26. De minister heeft op grond van de door eiseres overgelegde financiële stukken (zoals nader aangevuld en verduidelijkt in dit beroep) kunnen stellen dat de maandelijkse bestedingsruimte van eiseres € 4.692,95 minus € 3.032,03 (vaste lasten en [bedrijf] aflossing) = € 1.660,92 bedraagt, en dat de bestedingsruimte per 1 augustus 2025 € 3.960,95 – € 3.032,03 = € 928,92 bedraagt.

27. De minister heeft voor het berekenen van deze bestedingsruimte de [bedrijf] aflossing en alle door eiseres naar voren gebrachte kosten meegenomen, zijnde onder meer de hypotheeklasten, gas/elektra, gemeentelijke/waterschap belastingen, TV/Internet, zorgverzekering en eigen risico, termijnbetaling zilveren kruis, levensverzekering, en boodschappen) met uitzondering van:

- de creditcard,

- de belastingdienst (€ 52,-),

- Vodafone (€ 264,- per maand),

- de auto (wegenbelasting € 83,-, verzekering € 68,24, ANWB € 26,99 , en tanken € 300,-), en

- de kosten voor hobbydoeleinden.

28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de kosten voor de belastingdienst en de creditcard buiten beschouwing mogen laten, omdat dit slechts eenmalige kosten betreft. Dit is door eiseres niet betwist.

29. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de kosten van Vodafone buiten beschouwing kunnen laten, omdat deze niet zijn onderbouwd en deze bovendien onwaarschijnlijk hoog zijn, en de kosten voor de auto en de hobbykosten, omdat dit geen kosten voor noodzakelijke basisbehoeften zijn. Dit te meer nu voor de auto ook geldt dat de medische noodzaak daarvoor niet is onderbouwd.

30. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister tot slot kunnen stellen dat de op deze wijze berekende bestedingsruimte (zie overweging 26.) geen blijk geeft van onevenredige hardheid. Dit ook niet wanneer de maandelijkse aflossing voor [bedrijf] verhoogd zal worden. Alle vaste lasten (waaronder ook de wekelijkse boodschappen) zijn immers reeds in deze berekening meegenomen, zodat de bestedingsruimte die overblijft ten goede kan komen aan door eiseres eventueel gewenste extra uitgaven en/of opzij gezet kan worden voor het creëren van een extra financiële buffer. Van eiseres mag bovendien, zoals de minister stelt, verwacht worden dat zij - indien nodig - kritisch naar haar bestedingspatroon kijkt.

31. De stellingen van eiseres maken dit niet anders. Zo is het, anders dan eiseres stelt, niet aan de minister om nogmaals nader uit te vragen wat de financiële positie van eiseres is door een onderbouwing op te vragen van de door eiseres gestelde medische noodzaak van het gebruik van een auto en de kosten van Vodafone. Ter zitting is besproken dat eiseres nogmaals de kans zou krijgen inzicht te geven in haar financiële positie en dat de minister vervolgens nogmaals deze financiële positie zou beoordelen in het kader van de hardheidsclausule. Het was derhalve aan eiseres om haar positie deugdelijk onderbouwd naar voren te brengen. Daarbij komt dat ook wanneer aangenomen zou moeten worden dat eiseres vanwege medische redenen niet met het openbaar vervoer kan reizen, dat nog niet betekent dat er niet van haar verlangd kan worden te kijken naar een minder kostbaar alternatief dat past binnen haar bestedingsruimte. Ditzelfde geldt voor de Vodafone kosten, ook al zou eiseres deze onderbouwd hebben, dan noch geldt dat de minister heeft kunnen stellen dat deze kosten erg hoog zijn en verwacht mag worden dat eiseres daar kritisch naar kijkt. De berekende bestedingsruimte laat voldoende ruimte om enige kosten van vervoer en telefoon te kunnen dragen. Voor wat betreft de hobbykosten en de aanslag van de Belastingdienst heeft eiseres zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank ziet geen reden de hobbykosten wel mee te nemen in voornoemde berekening nu het geen noodzakelijke kosten voor het levensonderhoud betreffen. De enkele stelling dat eiseres zich vanuit religieuze overwegingen gehouden voelt deze kosten te dragen maakt dat niet anders. De kosten van de belastingdienst betreffen - zoals reeds overwogen - eenmalige en zeer beperkte kosten, zodat de minister deze eveneens buiten beschouwing heeft kunnen laten.

Conclusie en gevolgen

32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van het verzoek om overname van de schuld bij [bedrijf] in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025.

De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.H. Lange

Griffier

  • mr. L.M. Janssens-Kleijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?